2011/7 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
mr. P.M. Smits
 
tegen
 
B. Middelburg en de hoofdredacteur van Het Parool
 
Bij klaagschrift van 29 oktober 2010 met zeven bijlagen heeft mr. M.Ch. Kaaks, advocaat te Amsterdam, namens mr. P.M. Smits te Amsterdam (hierna: klager) een klacht ingediend tegen B. Middelburg en de hoofdredacteur van Het Parool (hierna: verweerders).
Bij brief van 12 november 2010 heeft mw. B. van Beukering, hoofdredacteur, laten weten dat verweerders geen gehoor zullen geven aan de oproep van de Raad tot verweer tegen de klacht, omdat teveel juridische haarkloverij, onderzoek, hoor en wederhoor noodzakelijk is om in deze kwestie tot een goed oordeel te komen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 december 2010. Klager is daar verschenen, vergezeld door zijn echtgenote en voornoemde Kaaks, die het standpunt van klager heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie.
 
DE FEITEN
 
Op 14 augustus 2010 is op de voorpagina van Het Parool een artikel verschenen van de hand van Middelburg met de kop “Deken van Amsterdamse Orde van Advocaten wil dat publiek op internet register kan inzien” met het chapeau “’Naam slechte advocaat moet openbaar worden’”. De intro van het artikel luidt:
“Er moet op internet een openbaar register komen waar consumenten kunnen opzoeken welke advocaten zijn veroordeeld door de tuchtrechter, en waarvoor. De Wet bescherming persoonsgegevens, die zo’n register nu onmogelijk maakt, moet worden aangepast. Dat zegt de deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten, Germ Kemper.”
Het artikel eindigt met de volgende passage:
“Een register zoals Kemper dat wil, zou consumenten bijvoorbeeld waarschuwen voor Paul Smits. In Amsterdam is Smits onbetwist koploper waar het gaat om tuchtzaken, procedures tegen en beslagleggingen bij (ex)-cliënten.”
 
Op pagina 6 staat een vervolgartikel, eveneens van de hand van Middelburg, met de kop “Je eigen advocaat als ergste nachtmerrie”. De intro van dit artikel luidt:
“Advocaat Paul M. Smits verwaarloost de belangen van zijn cliënten, maar als zij weigeren te betalen, sleept hij ze voor de rechter. Laatste trend: beslag leggen bij cliënten. ‘Hoe komen we in hemelsnaam van Smits af?’”
Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Bij bestudering van zijn rijke tuchtrechtelijke heden en verleden dringt zich vooral deze gedachte op: je zult maar, als eenvoudige rechtzoekende, zonder enige ervaring op juridisch gebied, onverhoopt op het kantoor belanden van mr. Paul Smits aan de Keizersgracht in Amsterdam. Dan ben je, zoals één van zijn ex-cliënten het uitdrukt in goed Jiddisch, gesjochten, ofwel geruïneerd: je redder in nood, aan wie je allerlei privé-informatie hebt toevertrouwd, ontpopt zich als je grootste vijand, met uiteindelijk als resultaat dat je niet alleen zit opgezadeld met het oorspronkelijke juridische probleem, maar ook met door Smits tegen jou aangespannen korte gedingen, bodemprocedures en/of ander procedureel onheil.”
en
“Als advocaat van onder anderen Bruinsma was Smits rond 1990 ook nauw betrokken bij een, volgens direct betrokkenen, omvangrijke witwasoperatie.”
en
“Daarnaast specialiseerde Paul Smits zich in erfrecht en arbeidsrecht. Op die vakgebieden is hij de afgelopen twintig jaar in tuchtzaken bij de Raad en het Hof van Discipline herhaaldelijk tegen veroordelingen opgelopen als waarschuwingen, berispingen en voorwaardelijke en onvoorwaardelijke schorsingen; ook in civiele procedures met (ex-)cliënten moest Smits geregeld bakzeil halen. De advocaat was, heette het dan bijvoorbeeld, ‘toerekenbaar ernstig tekortgeschoten’, of hij had niet gehandeld zoals van een ‘redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat’ mag worden verwacht.”
en
“Twee jaar geleden vestigde Smits een persoonlijk record op het gebied van tuchtrecht: in juli 2008 moest hij op één dag in maar liefst vier zaken voor het Hof van Discipline verschijnen. Het betrof uiteenlopende klachten: (…) Het hof liet geen spaan van Smits heel. (…) Smits werd ook aangerekend dat hij zo hardleers is: eerdere veroordelingen hadden kennelijk ‘niets uitgehaald’. “Voor het hof weegt naast de inhoud van de gegrond gevonden klachten zwaar dat verweerder in alle zaken heeft laten blijken het tuchtrechtelijk verwijtbare van zijn handelen niet in te zien.””
Het artikel eindigt met het volgende citaat van een voormalig cliënt van klager:
“Tuig is het. Weet u wat ze met dit soort advocaten moeten doen? De grachten dempen.”
 
De artikelen worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘de publicatie’.
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Klager stelt dat sprake is van eenzijdige, tendentieuze en onjuiste berichtgeving. Daarbij zijn beschuldigingen en verdachtmakingen aan zijn adres geuit die in het maatschappelijk verkeer als ernstig, en voor een advocaat als zéér ernstig dienen te worden beschouwd, aldus klager.
Ter toelichting stelt klager dat hij in de publicatie wordt beschreven als een advocaat waar iedere potentiële cliënt met een grote boog omheen moet lopen. In zeer negatieve en absolute bewoordingen hebben verweerders klagers 40-jarige loopbaan te grabbel gegooid. De beschuldigingen en de bewoordingen waarin deze zijn gesteld, zijn geschikt om het publiek zonder enige terughoudendheid afkerig te maken van klager.
De beschuldiging dat hij betrokken is geweest bij witwassen, is ongefundeerd, aldus klager. Naar aanleiding van een eerdere publicatie in 2005 in Het Parool heeft de Orde van Advocaten hier – op verzoek van klager – onderzoek naar verricht. Daarbij zijn geen feiten aan het licht gekomen die de beschuldiging rechtvaardigen. De uitkomst van dit onderzoek is verweerders bekend.
Het verzwijgen van ontlastende feiten is verweerders ernstig te verwijten, aldus klager. Daarbij komt dat hem geen kans is gegeven verweerders te wijzen op de onjuistheid van de beschuldiging van witwassen en het standpunt van de Orde in deze. Verweerders hebben hier geen wederhoor toegepast.
Verder is onjuist dat klager koploper is in tuchtzaken in Amsterdam. In 2009 werden in Amsterdam drie advocaten van het tableau geschrapt, hetgeen klager nooit is overkomen. In de periode 1971 tot 2005 is klager éénmaal berispt en heeft hij éénmaal een waarschuwing ontvangen. Evenmin is klager koploper in het procederen tegen (ex-) cliënten. Deze bewering is uiterst tendentieus, de handelwijze van klager wijkt hierin immers niet af van de gemiddelde advocaat. Ook op deze punten is klager niet om wederhoor gevraagd.
Klager acht verder bijzonder tendentieus dat verweerders eerdere publicaties uit de periode 2005-2008 opnieuw ‘opdienen’. Het hoofdbestanddeel van de publicatie bestaat uit de verhalen van de op 9 mei 2008 behandelde tuchtzaken van enkele voormalige cliënten. Hierover is in Het Parool al uitgebreid geschreven in de hiervoor bedoelde periode. Verweerders hebben zelf een aanleiding gezocht om nogmaals de feiten uit die artikelen publiek te maken en klager zodoende opnieuw in diskrediet te brengen, zonder dat daarvoor enige rechtvaardiging bestaat.
De herhaalde koppeling van klager aan topcrimineel wijlen Klaas Bruinsma is eveneens tendentieus en bedoeld om de verdachtmaking van klager zo zwaar mogelijk aan te zetten. Ook tendentieus is de bewering dat klager steeds vaker beslag legt bij (ex-)cliënten. Vrijwel iedere advocaat heeft weleens te maken met niet betalende cliënten waartegen incasso maatregelen getroffen (moeten) worden. De handelwijze van klager wijkt hierin niet af van de gemiddelde advocaat.
Volgens klager zijn verweerders bij de totstandkoming van de publicatie gedreven geweest door vooringenomenheid, eenzijdigheid en sensatiezucht, zonder oog te hebben gehad voor de gevolgen die de publicatie zou hebben voor de reputatie van klager.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat hij niet de rechtmatigheid van een journalistieke gedraging beoordeelt. Een dergelijke toetsing is voorbehouden aan de rechter. Dit laat echter onverlet dat de Raad zich kan uitspreken over de vraag of met een bepaalde journalistieke gedraging beroepsethische normen zijn overschreden.
Dit geldt in beginsel ook als de verweerder niet inhoudelijk op de klacht reageert. Een dergelijke handelwijze dient voor rekening van de verweerder te komen. Als de Raad echter ten aanzien van een bepaald klachtonderdeel meent dat hij niet in staat is om op basis van het standpunt van de klager en de door klager overgelegde stukken tot een gemotiveerd oordeel te komen, zal hij zich ter zake van een oordeel onthouden. (vgl. RvdJ 2009/14)
 
Klager heeft gesteld dat sprake is van eenzijdige, tendentieuze en onjuiste berichtgeving, waarbij ernstige beschuldigingen en verdachtmakingen aan zijn adres zijn geuit zonder toepassing van wederhoor. Daarbij heeft klager erop gewezen dat de publicatie hoofdzakelijk is gebaseerd op een selectie van oude – voor klager incriminerende – nieuwsfeiten uit 2005 en 2008.

Naar het oordeel van de Raad laat de vormgeving van de publicatie – de wijze van presenteren van feiten en meningen – de lezer weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat de handelwijze van klager niet deugt.
In de publicatie is onder meer vermeld dat klager als advocaat van onder anderen Bruinsma rond 1990 nauw betrokken was bij een, volgens direct betrokkenen, omvangrijke witwasoperatie’ en dat hijonbetwist koploper is waar het gaat om tuchtzaken, procedures tegen en beslagleggingen bij (ex)-cliënten. Hieraan worden de conclusies verbonden dat klager als advocaat ‘je ergste nachtmerrie is’ en ‘de belangen van zijn cliënten verwaarloost’.
Aldus is sprake van een zodanige diskwalificatie van klager dat verweerders deze niet zonder deugdelijke grondslag en behoorlijke toepassing van wederhoor hadden mogen publiceren. (zie punten 2.2.5. en 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
 
Ter zake van zijn vermeende betrokkenheid bij een witwasoperatie heeft klager aangevoerd dat reeds in april 2005 de toenmalige Deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten heeft geoordeeld dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is geweest.
Uit de door klager overgelegde stukken blijkt dat deze informatie verweerders bekend was. In april 2005 is kennelijk in Het Parool een artikel van de hand van Middelburg verschenen onder de kop “Orde van Advocaten ziet geen reden voor tuchtrechtelijke stappen tegen confrère” met het chapeau “Paul Smits vrijuit in witwaszaak”.
Door niettemin over klager te berichten dat hij ‘als advocaat van onder anderen Bruinsma rond 1990 ook nauw betrokken was bij een, volgens direct betrokkenen, omvangrijke witwasoperatie’ en daarbij onvermeld te laten dat de Orde van Advocaten in 2005 ter zake geen aanleiding zag voor tuchtrechtelijke stappen jegens klager, hebben verweerders op dit punt onvolledig en daardoor onjuist over klager bericht. (zie punt 1.1. van de Leidraad)
 
Verder heeft klager gemotiveerd betwist dat hij ‘koploper is waar het gaat om tuchtzaken, procedures tegen en beslagleggingen bij (ex)-cliënten. Niet is gebleken dat voor deze bewering voldoende feitelijke grondslag bestaat.
Daaraan kan niet afdoen dat klager kennelijk in 2008 door het Hof van Discipline van de Orde van Advocaten is veroordeeld tot vier maanden schorsing en is betrokken in enkele civiele procedures tegen (ex-)cliënten.
 
Verweerders hebben derhalve een tendentieus en onvolledig beeld van klager als advocaat gegeven, terwijl niet is gebleken dat zij klager in de gelegenheid hebben gesteld op de beschuldigingen aan zijn adres te reageren.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk toelaatbaar is.

BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 2 februari 2011 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. E.J.M. Lamers, A. Mellink MPA, mw. F. Santing en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.