2011/69 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
1. X, 2. Y en 3. Z
 
tegen
 
de hoofdredacteur van ‘Hart van Nederland’ (SBS)
 
Bij brief van 11 juli 2011 met drie bijlagen heeft mw. mr. M. Nurdogan-Ferwerda, advocaat te Amsterdam, namens X, Y en Z (hierna: klaagsters) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van ‘Hart van Nederland’ (hierna: verweerder). Bij brief van 10 augustus 2011 hebben klaagsters een nader stuk ingediend. Bij brief van 19 augustus 2011 heeft mw. mr. Y. Heinst, bedrijfsjurist SBS Broadcasting B.V., namens verweerder op de klacht gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 september 2011. Klaagsters zijn daar verschenen, bijgestaan door mr. Nurdogan-Ferwerda, die het standpunt van klaagsters heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Aan de zijde van verweerder zijn M. van der Ree, hoofdredacteur, en mr. Heinst verschenen.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een opname van het gewraakte item bekeken.
 
DE FEITEN
 
X en Y (hierna gezamenlijk: klaagsters 1. en 2.) hebben in 2009 aangifte gedaan van seksueel misbruik door hun vader tijdens hun kinderjaren. Na onderzoek door het Openbaar Ministerie is van vervolging afgezien en is de zaak geseponeerd.
 
Op 8 maart 2011 is in een uitzending van het televisieprogramma ‘Hart van Nederland’ aandacht besteed aan valse aangiften van zedenmisdrijven en de grote gevolgen hiervan voor een vermeende verdachte van een zedendelict. In de uitzending heeft de vader van klaagsters 1. en 2., in de uitzending aangeduid met zijn voornaam [A], zijn verhaal gedaan.
 
Het verhaal van [A] wordt door de presentatrice ingeleid als volgt:
“Hoe ingrijpend de gevolgen van een valse aangifte kunnen zijn blijkt uit het verhaal van [A], die niet herkenbaar in beeld wil. Hij werd een paar jaar geleden door zijn dochters vals beschuldigd van seksueel misbruik. Midden in de nacht werd hij uit zijn bed gelicht en vastgezet. Inmiddels is de zaak geseponeerd, maar [A] leeft nog dagelijks met de gevolgen van de beschuldiging.”
 
De voice-over bericht verder:
“Het leven van [A] stond volledig op zijn kop, toen zijn dochters, waar hij al jaren geen contact meer mee had, hem ineens beschuldigden van seksueel misbruik. Toch neemt hij het zijn dochters niet kwalijk. Ze zijn waarschijnlijk slachtoffer geworden van [A]’s boze ex.”
 
[A] zegt zelf onder meer:
“Ik denk dat het een geval is van een rancuneuze ex-partner, dat zij toch naar dat middel heeft gegrepen en mijn dochters heeft opgezet jarenlang, met speldenprikjes, om mij, zeg maar, in het kwade daglicht te zetten, en uiteindelijk tot die beschuldiging van seksueel misbruik over te kunnen halen.” 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagsters – dochters en ex-vrouw van [A] – stellen dat zij de uitzending als een grote klap hebben ervaren. Zij menen dat hun vader/ex-man daarin de gelegenheid heeft gekregen om zich als slachtoffer van een valse aangifte en van een rancuneuze ex-vrouw te profileren. Volgens klaagsters wordt in de uitzending ten onrechte de indruk gewekt dat (ook) in hun geval sprake is van een ‘valse aangifte’, in de zin dat zij hun vader/ex-man moedwillig ten onrechte van ontucht hebben beschuldigd. Zij benadrukken dat hun zaak is geseponeerd, maar dat [A] niet is vrijgesproken. Uit het gegeven dat de deskundigen zoveel jaar na dato hebben geconcludeerd dat de beschuldigingen niet bevestigd kunnen worden, kan niet worden afgeleid dat sprake is van een ‘valse aangifte’ door klaagsters, terwijl verweerder de stelling dat sprake zou zijn geweest van een ‘valse aangifte’ als feit aan het publiek heeft gepresenteerd.
Klaagsters voeren verder aan dat de aanleiding voor de uitzending het rapport “Lastige Verhalen” was. Dat rapport bevat onderzoeksbevindingen betreffende minderjarige meisjes die aangifte hebben gedaan van seksueel misbruik. Zij behoren niet tot die categorie en daarom is het onzorgvuldig dat hun zaak als voorbeeld is opgevoerd, aldus klaagsters.
Zij menen dat het op de weg van verweerder had gelegen om de feiten op juistheid te verifiëren. Verweerder heeft de informatie van [A] niet onderzocht op betrouwbaarheid. Klaagsters stellen in dat verband dat de berichtgeving geen nieuwswaarde had en geen maatschappelijk belang diende.
Voorts heeft verweerder ten onrechte niet onderzocht of de beschuldigingen aan het adres van klaagsters – te weten dat zij een valse aangifte hebben gedaan c.q. daartoe zijn aangezet – een deugdelijke grondslag hebben, terwijl verweerder wist dat [A] ten tijde van de informatieverstrekking met klaagsters in conflict was. Daarbij voeren klaagsters aan dat ten aanzien van slachtoffers of naaste familieleden zorgvuldigheid is geboden, die verweerder niet heeft betracht.
Ten slotte stellen klaagsters dat de uitzending hun belangen dusdanig heeft geraakt, dat verweerder wederhoor had moeten toepassen, hetgeen hij heeft nagelaten.
 
Verweerder stelt dat bij berichtgeving over zaken als de onderhavige grote zorgvuldigheid moet worden betracht. Daarom heeft de redactie zich naar aanleiding van het rapport “Lastige Verhalen” en het boek “Valse Zeden” goed laten informeren door advocaat Leenhouwers. Deze heeft uitgelegd dat zij in haar praktijk veel mensen tegenkomt die meedelen vals beschuldigd te zijn van een zedendelict. Met ‘vals’ wordt dan bedoeld dat sprake is van een onterechte/onware beschuldiging (en niet: ‘moedwillig vals’). Leenhouwers heeft haar cliënt [A] welbewust aangedragen als voorbeeld van iemand die vals is beschuldigd en kan vertellen over de grote gevolgen die dit voor hem heeft gehad.
De nieuwswaarde was volgens verweerder hoog, omdat het rapport “Lastige Verhalen” net was uitgekomen. Het verhaal van [A] diende echter niet zozeer als voorbeeld van valse aangiften door minderjarigen, maar als voorbeeld van wat het met iemand doet als tegen hem een valse aangifte is gedaan. De uitzending was meer bedoeld om het functioneren van politie en Justitie bij valse aangiften aan de orde te stellen. Daarbij worden onder ‘valse aangiften’ zowel opzettelijke als onopzettelijke valse aangiften bedoeld. Verweerder citeert in dat verband het rapport “Lastige Verhalen”, waarin wordt uiteengezet dat bij een opzettelijke valse aangifte de aangeefster weet dat de gebeurtenis waarover zij verklaart, niet heeft plaatsgevonden. Bij een onopzettelijke valse aangifte denkt de aangeefster misbruikt te zijn terwijl hier in werkelijkheid geen sprake van is. Volgens verweerder paste het verhaal van [A] goed in de context van de uitzending, nu diens zaak is geseponeerd vanwege een gebrek aan bewijs en een voorbeeld is van een onopzettelijke valse aangifte.
Verweerder meent dat de informatie van en over [A] betrouwbaar is. De zaak is uitgebreid onderzocht door het Openbaar Ministerie en deskundigen en er ligt een uitvoerig dossier bij zijn advocaat. Bovendien is niet alleen het verhaal van [A] gebruikt, maar is ook informatie verstrekt door zijn advocaat.
Volgens verweerder was het toepassen van wederhoor in dit geval niet nodig. [A] vertelt in hoofdzaak over de grote gevolgen die de beschuldigingen en aangiften op zijn leven hebben gehad en over zijn onvrede over de door Justitie gevolgde procedures. Ter toelichting spreekt [A] de vermoedens uit die hij heeft over de mogelijke beweegredenen van zijn dochters om aangifte te doen. Ter zitting heeft Van der Ree in dit verband nog benadrukt dat de zaak is geseponeerd en dat in de uitzending verder geen details over de zaak zijn vermeld. Verder is in de uitzending geen uitspraak gedaan over de vraag of het zedendelict wel of niet heeft plaatsgevonden.
Verweerder is zich bewust van de gevoeligheid van het onderwerp. Omdat hij het zich heeft aangetrokken dat klaagsters zich gegriefd voelen, heeft hij het item van zijn website verwijderd. Hij is echter van mening dat hij journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat hij met de uitzending heeft beoogd duidelijk te maken wat de gevolgen zijn voor iemand die is beschuldigd van een zedendelict, terwijl de aangifte niet tot veroordeling heeft geleid, en dat hij in die context de term ‘valse aangifte’ heeft gebruikt. Verweerder heeft voorts, onder verwijzing naar het rapport “Lastige Verhalen”, aangevoerd dat onder die term zowel opzettelijke als onopzettelijke valse aangiften worden verstaan.
Aangezien echter in de uitzending geen onderscheid wordt gemaakt tussen opzettelijke en onopzettelijke valse aangiften, kan de term ‘valse aangifte’ – met name door het gebruik van het woord ‘vals’ – volgens de Raad tot verwarring leiden en door het grote publiek eenvoudig worden uitgelegd als een moedwillig gedane onterechte beschuldiging van seksueel misbruik; een opzettelijke valse aangifte. De aangiften van klaagsters 1. en 2. zijn in de uitzending als ‘valse aangiften’ gepresenteerd; de Raad acht het aannemelijk dat bij het grote publiek de indruk is ontstaan dat klaagsters 1. en 2. moedwillig hun vader onterecht hebben beschuldigd. Dat in de uitzending is vermeld dat de zaak is geseponeerd, maakt onvoldoende duidelijk dat ten aanzien van klaagsters een onopzettelijke valse aangifte is bedoeld. Naar het oordeel van de Raad is het gebruik van de term ‘valse aangifte’ zonder nadere uitleg daarom in dit geval journalistiek onzorgvuldig. (zie punt 1.1. van de Leidraad van de Raad)
 
In aanmerking genomen hetgeen partijen hebben aangevoerd, overweegt de Raad voorts dat het rapport “Lastige Verhalen” de aanleiding voor verweerder was om een item te maken over ‘valse aangiften’ – aangiften van zedenmisdrijven die niet tot veroordeling hebben geleid – en de grote gevolgen hiervan voor een vermeende verdachte van een zedendelict. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de uitzending voldoende nieuwswaarde had en een maatschappelijkbelang diende. Het stond verweerder vrij in de context van de uitzending een persoon aan het woord te laten tegen wie aangifte over een zedenmisdrijf is gedaan en daar niet voor is veroordeeld. Verweerder heeft zich bij de keuze van deze persoon laten leiden door een adviseur die op dit terrein deskundig kon worden geacht. (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad)
 
De Raad overweegt verder dat het item is gemaakt vanuit het perspectief van [A], waarbij deze onder meer vertelt over zijn vermoedens ten aanzien van de beweegredenen voor de beschuldigingen. [A] is zodanig onherkenbaar in beeld gebracht, dat hij niet voor het grote publiek herkenbaar is. Klaagsters zijn niet met naam genoemd en verder ook niet identificeerbaar. Van onnodige publicatie van details, die extra leed toevoegen aan de slachtoffers of hun naaste familieleden, is naar het oordeel van de Raad geen sprake. (zie punten 2.4.8. en 2.4.9. van de Leidraad)
 
Hoewel klaagsters – nu zij zichzelf in de uitzending herkennen en door enkele bekenden op de uitzending zijn aangesproken – als gesteld de uitzending als grievend hebben ervaren, kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet worden geconcludeerd dat klaagsters – objectief bezien – door de uitzending worden gediskwalificeerd. Reeds daarom behoefde verweerder dan ook geen wederhoor bij klaagsters toe te passen.

In de gegeven omstandigheden mocht verweerder afgaan op het feit dat [A] door diens advocaat naar voren was geschoven als een representatief voorbeeld voor de uitzending en kon verweerder volstaan met een toetsing van de betrouwbaarheid van het verhaal van [A] op basis van de hem beschikbare informatie. Op dit punt heeft verweerder geen grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (zie punten 2.2.3., 2.2.5. en 2.3.1. van de Leidraad)
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze is gericht tegen het gebruik van de term ‘valse aangifte’. Voor het overige is de klacht ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Hart van Nederland’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 21 oktober 2011 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, A. Mellink MPA, mw. H.M.M. Nietsch, mw. F. Santing en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.