2011/68 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X, Y en Z
 
tegen
 
B. Thimister en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad
 
In een e-mail van 15 september 2010 met bijlagen heeft X te […] meegedeeld een klacht te willen indienen. Bij e-mail van 17 september 2010 heeft de secretaris van de Raad hem nader geïnformeerd over de klachtprocedure en gewezen op de mogelijkheid tot bemiddeling. Vervolgens hebben X, Y en Z (hierna: klagers) in een brief met drie bijlagen, door de Raad ontvangen op 28 september 2010, een klacht ingediend tegen B. Thimister en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad (hierna: verweerders). Daarna hebben zij laten weten prijs te stellen op bemiddeling.
Verweerders hebben in een brief van 15 oktober 2010 meegedeeld mee te willen werken aan de bemiddeling. Naar aanleiding van deze brief heeft de adjunct-secretaris van de Raad klagers bij brief van 5 november 2010 verzocht de klacht te specificeren c.q. te verduidelijken. Bij brief van 23 december 2010 zijn klagers aan de brief van 5 november herinnerd. Op 6 januari 2011 is er telefonisch contact geweest tussen de adjunct-secretaris en X. Deze heeft in dat gesprek meegedeeld dat klagers op 10 januari 2011 een gesprek zouden hebben met hun advocaat en dat deze een toelichting op de klacht zou sturen.
Op 19 april 2011 heeft de secretaris van de Raad nog een herinnering aan klagers gestuurd. Vervolgens hebben klagers in een e-mail van 16 juni 2011 de klacht nader toegelicht en meegedeeld dat zij de klacht wensten te handhaven. Ten slotte heeft B. Oostra, adjunct-hoofdredacteur, namens verweerders op de klacht geantwoord in een brief van 21 juni 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 september 2011. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 20 juli 2010 is in Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad een artikel verschenen van de hand van Thimister onder de kop “Man van afpersing verdacht”. Het artikel luidt:
“Het openbaar ministerie (OM) in Maastricht verdenkt een inwoner van […] van afpersing van een Maastrichtenaar in mei van dit jaar. Dat bevestigt zijn advocaat Björn Jegers. Twee zoons van de man (17 en 22 jaar) zijn tevens als verdachten aangemerkt.
De […]enaar zou de inwoner van Maastricht hebben afgeperst omdat deze seks zou hebben gehad met zijn 22-jarige, minder begaafde zoon. [X] ging volgens politieonderzoek op 24 mei samen met zijn zoons verhaal halen bij de man en zou hebben gedreigd naar justitie te stappen, wanneer hij geen achtduizend euro zou betalen.
De Maastrichtenaar besloot het drietal duizend euro te geven, maar stapte daarna meteen naar de politie. Toen de hoofdverdachte daags daarna het resterende deel wilde komen ophalen, werd hij samen met zijn zoons gearresteerd op verdenking van afpersing in vereniging.
De verdachte […]enaar heeft bij de politie verklaard dat het Maastrichtse slachtoffer juist geld van zijn liefdadigheidsstichting zou hebben gestolen en dat hij daarom verhaal bij de man was gaan halen. Zijn raadsman Björn Jegers wilde gisteren geen inhoudelijk commentaar geven op deze zaak. Justitie in Maastricht wilde alleen kwijt dat deze zaak bekend is.” 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers stellen dat ten onrechte in het artikel wordt beschreven dat zij iemand bedreigd zouden hebben. Klagers zijn hun recht gaan halen bij een man die een van hen al maanden seksueel heeft misbruikt en geld heeft afgenomen. Die man heeft uit eigen vrije wil een verklaring geschreven en ondertekend en aan klagers een deel van het geld terugbetaald. Toen klagers de dag erop terugkwamen om de rest van het geld op te halen, werden zij door de politie gearresteerd. Zij zijn toen beschuldigd van bedreiging, maar dat is volgens klagers niet bewezen.
Klagers betogen dat dan ook ten onrechte in de krant hun strafzaak breed wordt uitgemeten en dat zij in het artikel al worden veroordeeld. Verder stellen zij dat aan hen geen toestemming noch om een reactie is gevraagd. Nu weet iedereen in hun woonplaats dat een van hen seksueel is misbruikt en dat vinden klagers onaanvaardbaar. Volgens klagers zijn zij door de publicatie in hun goede naam en eer aangetast.
 
Verweerders stellen dat het artikel is gebaseerd op stukken die de journalist heeft ingezien, op een gesprek met de raadsman van klagers en op een gesprek met een woordvoerster van het Openbaar Ministerie in Maastricht. Dat klagers het niet prettig vinden dat de kwestie waarvan zij worden beschuldigd de krant heeft gehaald, is naar de mening van verweerders geen reden voor een gegronde klacht.
Verweerders wijzen erop dat klagers de feiten niet weerspreken. Verder menen zij dat zij geen toestemming nodig hebben van een verdachte in een strafzaak om over diens zaak te publiceren. De stelling van klagers dat zij in hun goede naam en eer zijn aangetast, omdat zonder toestemming over hun zaak is gepubliceerd, houdt daarom geen stand. Daarbij wijzen verweerders erop dat klagers niet zijn genoemd en dat zelfs geen initialen zijn gebruikt. Zij betwisten dan ook dat iedereen nu weet wat klagers is overkomen.
Verweerders menen dat zij zich aan de journalistieke spelregels en mores hebben gehouden.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. De journalist behoeft geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
 
Verder behoort de journalist de privacy van personen niet verder aan te tasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijke belang van de publicatie. Bovendien dient de journalist te voorkomen dat hij gegevens in woord publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd. (zie punten 2.4.1. en 2.4.6 van de Leidraad)
 
De Raad overweegt dat klagers niet in het artikel zijn genoemd en daardoor niet voor het publiek identificeerbaar zijn. Hetgeen in de publicatie is beschreven, kan daarom niet worden gekoppeld aan klagers. Verder is de Raad van oordeel dat geen sprake is van onnodige publicatie van details, die extra leed toevoegen aan het slachtoffer of diens naaste familieleden. (zie punten 2.4.8. en 2.4.9. van de Leidraad)
 
De Raad is dan ook van oordeel dat de privacy van klagers niet is aangetast. Verweerders hebben in redelijkheid de belangen die zijn gediend met de publicatie voorrang kunnen geven boven de belangen van klagers. Dat klagers wellicht in hun omgeving op de publicatie zijn c.q. kunnen worden aangesproken, kan daaraan niet afdoen.
Uit hetgeen partijen verder hebben aangevoerd, blijkt voorts dat verweerders waarheidsgetrouw over de kwestie hebben bericht. Klagers hebben erkend dat zij zijn gearresteerd. In het artikel wordt in dat verband vermeld, dat klagers worden verdacht van afpersing in vereniging (en niet van ‘bedreiging’ zoals klagers hebben gesteld). Anders dan klagers hebben gesteld, kan bij objectieve lezing uit het artikel niet worden afgeleid dat zij al zijn veroordeeld. Van relevante onjuistheden is niet gebleken. (zie punt 1.1. van de Leidraad)
 
Daargelaten de vraag of verweerders in dit geval gehouden waren om wederhoor toe te passen, stelt de Raad verder vast dat zij de raadsman van klagers om een reactie hebben gevraagd. Dat deze geen inhoudelijk commentaar wilde geven, kan verweerders niet worden toegerekend. (zie punten 2.3.1. en 2.3.4. van de Leidraad)
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 21 oktober 2011 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, A. Mellink MPA, mw. H.M.M. Nietsch, mw. F. Santing en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.