2011/67 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X, Y en Z
 
tegen
 
F. Pasma en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad
 
In een e-mail van 15 september 2010 met bijlagen heeft X te […] meegedeeld een klacht te willen indienen. Bij e-mail van 17 september 2010 heeft de secretaris van de Raad hem nader geïnformeerd over de klachtprocedure en gewezen op de mogelijkheid tot bemiddeling. Vervolgens hebben X, Y en Z (hierna: klagers) in een brief met twee bijlagen, door de Raad ontvangen op 28 september 2010, een klacht ingediend tegen F. Pasma en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad (hierna: verweerders). Daarna hebben zij laten weten prijs te stellen op bemiddeling.
Verweerders hebben in een brief van 15 oktober 2010 meegedeeld mee te willen werken aan de bemiddeling. Naar aanleiding van deze brief heeft de adjunct-secretaris van de Raad klagers bij brief van 5 november 2010 verzocht de klacht te specificeren c.q. te verduidelijken. Bij brief van 23 december 2010 zijn klagers aan de brief van 5 november herinnerd. Op 6 januari 2011 is er telefonisch contact geweest tussen de adjunct-secretaris en X. Deze heeft in dat gesprek meegedeeld dat klagers op 10 januari 2011 een gesprek zouden hebben met hun advocaat en dat deze een toelichting op de klacht zou sturen.
Op 19 april 2011 heeft de secretaris van de Raad nog een herinnering aan klagers gestuurd. Vervolgens hebben klagers in een e-mail van 16 juni 2011 de klacht gespecificeerd en nader toegelicht. Ten slotte heeft B. Oostra, adjunct-hoofdredacteur, namens verweerders op de klacht geantwoord in een brief van 21 juni 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 september 2011. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 21 augustus 2010 is in Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad een artikel van de hand van Pasma verschenen onder de kop “’Verduistering bij bejaardenclub’” waarin het volgende is vermeld:
“Het bestuur van de Bejaardenvereniging […] heeft aangifte gedaan van verduistering tegen het vorige bestuur. Tussen 30 november 2009 en 5 januari 2010, dat was kort na het aantreden van het oude bestuur, verdween in zes etappes bijna tienduizend euro van de clubrekening bij de Rabobank, zo stelt het nieuwe bestuur.”
 
Het artikel is vervolgd onder de kop “Aangifte bejaardenclub” met het chapeau “Conflict -  Voormalig bestuur beschuldigd van verduistering”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Het bestuur van de Bejaardenvereniging […] beschuldigt het vroegere bestuur van verduistering van 9.886 euro uit de clubkas. Dat blijkt uit de aangifte die op 30 juni is gedaan bij de politie in Schinnen. De recherche heeft de zaak in onderzoek.”
en
“Uit de stukken van de Kamer van Koophandel (KvK) blijkt dat secretaris […] zichzelf en drie anderen op 23 november 2009 als bestuursleden liet inschrijven: haar zus [Z], haar neef [X], [Z’s] zoon, en zijn echtgenote [Y]. Volgens het huidige bestuur ging […] buiten haar boekje omdat ze op 20 oktober per brief had laten weten af te willen treden.”
en
“Met de KvK-inschrijving kreeg het nieuwe bestuur de beschikking over de Raborekening van de club, waar ongeveer tienduizend euro op stond. Tussen 30 november en 5 januari werd in zes etappes 9.890 euro van de rekening gehaald. Bedragen van 4.660 en 1.250 euro gingen naar rekeningen van [X] en zijn vrouw. Volgens het huidige bestuur zijn ook privé-uitgaven gedaan van een ING-rekening die op naam van de club werd geopend. Ook opbrengsten van elf kienavonden en enkele loterijen zijn volgens het huidige bestuur nooit op een bankrekening gestort of verantwoord. Volgens het echtpaar[X] heeft het bestuur waarvan zij deel uitmaakten op de kienavonden alleen maar toegelegd. Ze zeggen dat al het verenigingsgeld dat van de rekening is gehaald is besteed aan de kienavonden en Sinterklaas-, Kerst- en Paasviering. [X]: ,,Wij kunnen dat bedrag tot het laatste dubbeltje verantwoorden.””
 
Voorts is op 23 augustus 2010 in Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad een artikel van de hand van Pasma verschenen onder de kop “Schinnen hield subsidie achter tot bestuurswissel” met het chapeau “Ouderen - Gemeente wilde zeker stellen dat geld goed terecht zou komen”. In dit artikel is onder meer het volgende vermeld:
“De gemeente Schinnen heeft tevergeefs geprobeerd te bemiddelen bij het hoog opgelopen conflict tussen twee besturen die claimen dat zij de Bejaardenvereniging […] vertegenwoordigen, zegt wethouder Wilma Adriaans.”
en
“Woensdag kwamen drie oud-bestuursleden tegen wie het nieuwe bestuur aangifte van verduistering heeft gedaan, langs bij de gemeente. [Z], haar zoon [X] en diens echtgenote afficheerden zich als Seniorenvereniging Schinnen. Ze vroegen niet om subsidie maar wilden toestemming om onder die nieuwe naam kienavonden te organiseren. Volgens [X] heeft hij geopperd om als dat niet mogelijk zou zijn, eventueel via zijn stichting De Gevende Hand kienavonden te organiseren. Adriaans en burgemeester Berry Link maakten direct duidelijk dat Schinnen niet meewerkt.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers stellen dat sprake is van laster en kwetsende berichtgeving, omdat zij in de artikelen onder meer van verduistering zijn beschuldigd zonder dat dat is bewezen. Volgens klagers is alles gelogen of verdraaid en hebben verweerders nooit een weerwoord van hen willen aannemen. Verder stellen klagers dat hun volledige namen zijn genoemd en dat derhalve hun privacy is aangetast.
 
Verweerders stellen dat de artikelen zijn gebaseerd op de aangifte die is gedaan tegen het bestuur waar klagers lid van zijn, op een gesprek met een bestuurslid en op stukken die de journalist bij de Kamer van Koophandel heeft opgevraagd. De stelling van klagers dat de publicaties in zijn geheel zijn gelogen, houdt dan ook geen stand en van laster is geen sprake, aldus verweerders.
Verder stellen verweerders dat zij op een afgewogen manier verslag hebben gedaan van het conflict tussen het ene en het andere bestuur. Beide partijen komen aan het woord en zijn daarom met naam in de krant verschenen. In dat verband wijzen verweerders erop dat de heer X zich in zijn contact met de verslaggever niet op het standpunt heeft gesteld dat hij niet genoemd wenste te worden. Hij heeft de verslaggever uitgebreid te woord gestaan en zijn kant van het verhaal verteld.
Daarnaast merken verweerders op dat niet de krant, maar het huidige bestuur klagers heeft beticht van verduistering. Er is aangifte gedaan, waarna de recherche een onderzoek heeft ingesteld. De berichtgeving gaat over een kwestie die de gemeenschap […] bezig hield. Volgens verweerders is geen inbreuk gemaakt op de privacy van klagers. 

BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
  1. In de artikelen worden klagers beschuldigd van verduistering en daartoe veroordeeld terwijl dat niet is bewezen, zodat sprake is van laster en kwetsende berichtgeving.
  2. Er is geen wederhoor toegepast.
  3. Met het vermelden van hun namen is inbreuk gemaakt op de privacy van klagers.  
Ad 1.
De Raad stelt voorop dat de journalist bij het publiceren van beschuldigingen behoort te onderzoeken of voor die beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Verweerders hebben duidelijk gemaakt welke bronnen zij hebben geraadpleegd. Daartoe behoort ook de aangifte tegen klagers.
Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders voldoende aannemelijk gemaakt dat voor de berichtgeving een deugdelijke grondslag bestond. Daarbij overweegt de Raad dat nu tegen klagers aangifte is gedaan, dit betekent dat zij ergens van zijn beschuldigd. Anders dan klagers hebben aangevoerd, kan bij objectieve lezing niet uit de berichtgeving worden afgeleid dat klagers al zijn veroordeeld.
Verweerders hebben niet onnodig grievend over de kwestie bericht. Dat klagers zich door deze berichtgeving gekwetst voelen, is onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerders op dit punt journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld. De klacht is op dit punt ongegrond. (zie punten 1.1. en 2.2.5 van de Leidraad van de Raad)
 
Ad 2.
Klagers hebben aangevoerd dat verweerders nooit hun weergave van de zaak hebben willen aannemen. De artikelen gaan over een conflict tussen het oude en het nieuwe bestuur over de financiën. Het nieuwe bestuur heeft het oude bestuur beschuldigd van verduistering. Het oude bestuur is het daarmee niet eens en heeft een eigen weergave van hetgeen is gebeurd. De Raad constateert dat in de artikelen de feitelijke situatie is beschreven en dat voorts de verschillende kanten van het verhaal zijn belicht. Of verweerders het verhaal van klagers al dan niet geloven, is niet relevant; in de berichtgeving is door verweerders ter zake geen standpunt ingenomen.
Beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun visie over de kwestie naar voren te brengen. In de artikelen met de koppen “Aangifte bejaardenclub”  en “Schinnen hield subsidie achter tot bestuurswissel” is de visie van klagers opgenomen. Bij het artikel met de kop “Verduistering bij bejaardenclub” was dat gezien de feitelijke inhoud van het bericht, dat later in de krant werd vervolgd, niet nodig. De Raad is daarom van oordeel dat verweerders ook op dit punt niet journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. Ook dit onderdeel van de klacht is ongegrond. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
 
Ad 3.
De Raad stelt voorop dat de journalist de privacy van personen niet verder behoort aan te tasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijke belang van de publicatie. Bovendien dient de journalist te voorkomen dat hij gegevens in woord publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd. (zie punten 2.4.1. en 2.4.6. van de Leidraad)
De Raad overweegt dat met het vermelden van namen van personen waartegen aangifte van een strafbaar feit is gedaan, terughoudend moet worden omgegaan. In de artikelen worden de volledige namen van klagers vermeld alsmede die van de stichting die door een van de leden is opgericht.
De berichtgeving gaat over een conflict tussen twee besturen van een bejaardenclub. Naar het oordeel van de Raad was het in dit geval in het kader van de berichtgeving niet nodig om de namen van klagers, als leden van het oud-bestuur, te vermelden.

Klagers hadden anoniem kunnen worden genoemd of hoogstens met initialen kunnen worden aangeduid, zonder dat afbreuk was gedaan aan de aard en inhoud van de berichtgeving. Niet valt in te zien dat door het weglaten van de volledige namen van klagers een onaanvaardbare onduidelijkheid voor de lezer zou zijn ontstaan. Dat klagers wellicht ook zonder vermelding van hun namen voor de lokale gemeenschap herkenbaar zouden zijn, betekent nog niet dat hun belang bij de bescherming van hun privacy buiten die gemeenschap geen betekenis meer heeft.
Onder deze omstandigheden vormt het vermelden van de volledige namen van klagers in de gewraakte berichtgeving een ongerechtvaardigde aantasting van hun privé-leven. Verweerders hebben op dit punt grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Dit onderdeel van de klacht is daarom gegrond.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op de schending van de privacy van klagers. Voor het overige is de klacht ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 21 oktober 2011 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, A. Mellink MPA, mw. H.M.M. Nietsch, mw. F. Santing en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.