2011/64 afgewezen

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van
 
M.A. Kaatee
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 7 juni 2011 (RvdJ 2011/40) betreffende zijn klacht tegen
 
B. Middelburg en de hoofdredacteur van Het Parool
 
Bij brief van 3 juli 2011 heeft M.A. Kaatee te Amsterdam (hierna: verzoeker) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 7 juni 2011 inzake de klacht van verzoeker tegen B. Middelburg en de hoofdredacteur van Het Parool (hierna: verweerders). Verweerders hebben niet op het verzoek gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 augustus 2011, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Bij brief van 30 december 2010 met een bijlage heeft verzoeker een klacht ingediend tegen B. Middelburg en de hoofdredacteur van Het Parool betreffende de publicaties onder de kop “Molensteeg crimineelste straat” en “Een steeg waar de misdaad nooit slaapt” op 24 december 2010. Hierop hebben verweerders bij brief van 1 februari 2011 laten weten niet op de klacht te zullen reageren. In de berichtgeving wordt – kort samengevat – aandacht besteed aan criminaliteit in de Molensteeg. Verzoeker exploiteert een pand in de Molensteeg en wordt in die hoedanigheid vermeld in het artikel.
 
Bij uitspraak van 7 juni 2011 heeft de Raad de klacht van verzoeker ongegrond verklaard, waarbij de Raad het volgende heeft overwogen:
“In de gewraakte publicaties worden feiten en omstandigheden gemeld die op zichzelf niet ter discussie staan. Voor zover deze vermelde omstandigheden volgens klager ongenuanceerd of onjuist zijn vermeld, overweegt de Raad dat verweerders kennelijk gebruik hebben gemaakt van bronnen bij politie en de gemeente. Zij mochten daarom in beginsel uitgaan van de juistheid van de door deze bronnen aan hen verschafte informatie. (vgl. RvdJ 2010/51)”
en:
“De Raad overweegt dat de insteek van de publicaties het hoge criminaliteitscijfer in de Molensteeg betreft. In de berichtgeving wordt daarbij een verband gelegd met de geschiedenis en problemen rondom eigendom, exploitatie en de activiteiten die in algemene zin in de diverse panden in de steeg worden ontplooid. Nu deze berichtgeving de problemen feitelijk en in algemene zin omschrijft, waren verweerders in het onderhavige geval niet verplicht om gelegenheid te bieden tot wederhoor aan klager. Het beginsel van wederhoor geldt immers niet voor berichtgeving van feitelijke aard, terwijl onvoldoende is gebleken dat de gewraakte publicatie klagers belang zodanig raakt dat wederhoor niettemin was geboden.”
en:
“Voor zover de klacht zich richt tegen het kader “Who is who in de Molensteeg”, dat wel direct betrekking heeft op klager, overweegt de Raad dat klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat de burgemeester van Amsterdam aan hem zou hebben laten weten dat de in het artikel vermelde stelling betreffende misbruik van de exploitatievergunning niet afkomstig is van het stadsdeel. Op basis van het aangevoerde kan de Raad zich geen indruk vormen van de context waarin deze zinsnede is gebezigd. Daarnaast is de berichtgeving van dusdanig feitelijke aard, dat ook hierbij het niet geboden was wederhoor toe te passen.”
 
HET STANDPUNT VAN VERZOEKER
 
Verzoeker stelt dat zijn standpunt in de uitspraak en samenvatting niet volledig is verwoord. Hij meent dat de relevante feiten die hij tijdens de behandeling bij de Raad heeft aangedragen niet volledig zijn vermeld.
Met betrekking tot het eigendom van de panden heeft verzoeker aangevoerd dat het vermeende eigendom van Holleeder van de speelautomatenhal niet blijkt uit registraties bij het Kadaster en de Kamer van Koophandel. Een dergelijk eigendom is ook niet vastgesteld tijdens het gerechtelijk onderzoek dat in het Holleeder-proces is verricht. Dat Holleeder geen eigenaar is geweest van het pand is volgens verzoeker een aantoonbaar vaststaand feit. Verder meent verzoeker dat het pand aan de Molensteeg ten onrechte als ‘Gebouw Royal Property BV’ is omschreven, terwijl de naam ‘Gebouw Royal Investments BV’ is. Gebouw Royal Property BV was volgens hem een vennootschap van de familie Endstra. Verder werden de speelhallen volledig eigendom van verzoeker in 2002 en niet in 2003. Verzoeker heeft benadrukt dat in de Molensteeg 3 geen belwinkel was gevestigd maar een Telecenter, waarbij de inkomsten grotendeels naar KPN gingen. Dat het pand verdacht wordt door de gemeente is volgens hem absurd.
Verder merkt verzoeker op dat hij heeft aangevoerd dat voor zover sprake zou zijn van delicten, deze plaatsvinden op tijdstippen dat zijn hal gesloten is. De stellingen ‘De crimineelste straat’, ‘Duistere zaken in de Molensteeg’ en ‘Molensteeg crimineelste straat’ zijn volgens hem gebaseerd op een vermeend en oncontroleerbaar aantal geweldsincidenten in de periode van januari 2009 tot juli 2010. Verzoeker heeft tijdens de behandeling aangevoerd dat elk incident op zichzelf staat en als zodanig moet worden beoordeeld. Hij heeft tijdens de behandeling verder het enige geweldsincident beschreven dat in het laatste halfjaar in de Molensteeg heeft plaatsgevonden. Volgens hem betrof dat een incident met personen die slechts de Molensteeg passeerden na een bezoek aan een café aan de Oudezijds Achterburgwal.
Verder is volgens verzoeker aangevoerd dat in de berichtgeving ten onrechte wordt gesuggereerd dat verzoeker ‘minister van Financiën’ van Holleeder is en er ‘nog altijd groot gevaar bestaat’ dat verzoeker zijn bedrijf misbruikt voor witwasserij. Dit zijn ernstige verdachtmakingen, waarbij wederhoor dient te worden toegepast. Dat de verdachtmakingen van de gemeente afkomstig zijn, doet daar volgens verzoeker niets aan af.
In de uitspraak heeft de Raad volgens verzoeker onvoldoende rekening gehouden met het schadelijke karakter van de berichtgeving. Door de berichtgeving heeft hij opnieuw verantwoording moeten afleggen bij zakenrelaties met een afwijzing van een nieuwe bankrelatie tot gevolg.
Verder stelt verzoeker dat hij heeft aangevoerd dat iemand die na uitgebreid en jarenlang strafrechtelijk onderzoek onherroepelijk is vrijgesproken, niet de rest van zijn leven verantwoording hoeft af te leggen over strafbare feiten waaraan hij niet schuldig is bevonden. Nu de Raad heeft overwogen dat er onvoldoende redenen voor wederhoor waren, lijkt hij ten onrechte het oordeel te hebben dat het een journalist vrijstaat om, ondanks vrijspraak, zonder wederhoor opnieuw dezelfde verdachtmakingen te uiten. Verzoeker heeft tijdens de behandeling aangevoerd dat sinds zijn arrestatie verweerders eenzijdig hebben bericht, nimmer wederhoor hebben toegepast en diverse onjuistheden hebben verkondigd. Het niet toepassen van wederhoor is volgens verzoeker een bestendige gedragslijn van verweerders.
Verzoeker stelt deze uitlatingen en overwegingen niet terug te kunnen vinden in de uitspraak van de Raad. Hij stelt dat verweerders door eenzijdige publicatie geen journalistiek bedrijven maar fungeren als spreekbuis van de gemeente. Het kritiekloos en zonder wederhoor publiceren van beweringen van de overheid is in strijd met het journalistieke streven naar onbevooroordeelde waarheidsvinding en onpartijdigheid jegens elke belanghebbende partij, aldus verzoeker.
Verzoeker stelt dat er niet uitsluitend sprake is van berichtgeving van feitelijke aard. Hij benadrukt dat de beweringen ‘met vrijwel elk pand wel wat mis is’ en ‘veel te veel branches die gevoelig zijn voor criminaliteit dicht op elkaar zitten’ geen feiten zijn. Volgens hem valt niet in te zien waarom beweringen afkomstig van bronnen bij de overheid niet op juistheid moeten worden gecontroleerd. Verzoeker stelt dat in de berichtgeving de juistheid van de beweringen op geen enkele wijze wordt nagegaan. In de berichtgeving had volgens hem ook de mening van de ondernemers en pandeigenaren naar voren moeten komen. Indien wederhoor was toegepast was verweerders verteld dat de situatie in de Molensteeg in 2010 sterk verbeterd is. Vervolgens hadden verweerders de overheid hiermee kunnen confronteren.
Met betrekking tot het oordeel dat verzoeker niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat de meest schadelijke passage niet afkomstig is van het stadsdeel, stelt verzoeker dat de overgelegde passage van de gemeente duidelijk op zichzelf staat, in een afzonderlijke alinea en los van iedere context. Daarnaast verbiedt Europese wetgeving het ‘public authorities’ om na vrijspraak verdenkingen te laten voortbestaan, aldus verzoeker. Gezien zijn vrijspraak kan de passage slechts afkomstig zijn van verweerders zelf, aldus verzoeker.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
Het verzoek bevat – samengevat weergegeven – de volgende onderdelen:
1.      het standpunt van verzoeker is onvolledig in de uitspraak verwoord;
2.      verzoeker kan zich niet vinden in de overwegingen en de beoordeling van de Raad.
 
De Raad overweegt dat verzoeker een aantal feitelijke onjuistheden in zijn klacht en tijdens de behandeling in het gewraakte artikel heeft gesignaleerd waar de Raad niet expliciet of verkort aan refereert in zijn beslissing. Hiermee is echter niet gebleken dat het oordeel van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Naar het oordeel van de Raad blijken de (kern van de) standpunten van verzoeker voldoende uit de uitspraak. In dit kader is het dan ook niet aannemelijk dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
 
Daarnaast blijkt uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht dat hij zich niet kan vinden in de beslissing van de Raad met betrekking tot onder meer de overwegingen betreffende het toepassen van wederhoor. Dit is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
 
Naar het oordeel van de Raad heeft verzoeker met hetgeen hij in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor bedoelde beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De Raad ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing. (vgl. RvdJ 2011/33)
 
BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 27 september 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, T.R. Harkema, mw. J.R. van Ooijen en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.