2011/63 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
M.A. Kaatee
 
tegen
 
P. Vugts en de hoofdredacteur van Het Parool
 
Bij brief van 8 juni 2011 met zes bijlagen heeft M.A. Kaatee te Amsterdam (hierna: klager) een klacht ingediend tegen P. Vugts en de hoofdredacteur van Het Parool (hierna: verweerders). Vervolgens heeft klager bij brief van 14 juni 2011 met één bijlage zijn klacht uitgebreid. Hierop heeft Vugts mede namens de hoofdredacteur gereageerd per brief van 15 juni 2011. Daarop heeft klager gereageerd bij brief van 18 juli 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 augustus 2011, in aanwezigheid van klager. Verweerders zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 18 april 2011 is in Het Parool en op de website van Het Parool een artikel verschenen onder de kop “Gokhallen Wallen gesloten”.
De intro van dit artikel luidt:
“De gemeente Amsterdam onthoudt uitbater Marcel Kaatee definitief de exploitatievergunningen voor zijn gokhallen op de Wallen, Buddy Buddy en Molensteeg 1.”
Het artikel vervolgt met:
“Dat bevestigt een woordvoerder van het stadhuis. De zaken moeten binnen vier weken dicht - al houdt de gemeente er rekening mee dat Kaatee daar via een kort geding nog onderuit zal proberen te komen.
De overheid ziet Kaatee als een stroman van topcrimineel Willem Holleeder en ontneemt hem zijn vergunningen met de Wet bibob (…).
Het gerechtshof sprak Kaatee vrij in de afpersingszaak die Holleeder negen jaar celstraf opleverde, maar de gemeente is er niettemin van overtuigd dat 'een ernstig gevaar' bestaat dat Kaatee de hallen voor criminele activiteiten misbruikt, namelijk voor het witwassen van misdaadwinsten. Volgens justitie perste Holleeder de hallen af van vastgoedbaron Willem Endstra.
Burgemeester Job Cohen had al in januari 2008 aangekondigd de vergunningen voor de gokhallen te zullen weigeren, met name omdat die zijn gefinancierd met miljoenen van vastgoedhandelaar Jan-Dirk Paarlberg. De rechtbank achtte in juni 2010 bewezen dat Paarlberg zeventien miljoen euro heeft witgewassen die Holleeder van Endstra had afgeperst, en veroordeelde hem tot 4,5 jaar celstraf.”
 
Verderop in de krant is een vervolgartikel gepubliceerd onder de kop “Kaatee blijft bij onschuld”. De inhoud van dit artikel luidt:
“Nadat het gerechtshof Kaatee had vrijgesproken, maar Holleeder en Paarlberg tot forse straffen waren veroordeeld, vroeg de gemeente het landelijk bureau Bibob een nieuw advies over de positie van Kaatee en de noodzaak hem zijn vergunningen af te nemen.
Over de inhoud van het nieuwe bibobadvies wil de gemeente geen mededelingen doen, maar kennelijk is ook het landelijk bureau Bibob van oordeel dat het gevaar dat via de gokhallen wordt witgewassen, levensgroot is.
Kaatee heeft altijd fel geageerd tegen het plan zijn zaken te sluiten. Hij houdt vol dat hij de gokhallen zelf heeft opgezet, dat via de hallen geen cent wordt witgewassen en dat hij zelf volledig verantwoordelijk is voor de gang van zaken.
Kaatee heeft het besluit tot sluiting van zijn hallen vandaag ontvangen. Het ligt voor de hand dat hij via de rechter zal proberen om zijn zaken open te houden tot ook de laatste rechter uitspraak heeft gedaan over de voorgenomen sluiting.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat in de gewraakte publicatie ernstige en ongegronde beschuldigingen worden geuit. De kern van de zaak is volgens hem dat hij ondanks een onherroepelijke vrijspraak op de voorpagina is gekwalificeerd als ‘stroman van topcrimineel Willem Holleeder’. Daarnaast wordt in verband met de weigering van de vergunningen ten onrechte beweerd dat zijn bedrijven volgens justitie door Holleeder zouden zijn afgeperst van de vorige eigenaar. Volgens klager betreft het ernstige beschuldigingen die zijn eer en goede naam aantasten. De gewraakte berichtgeving doet het langzaam herstellende vertrouwen van zakenpartners na zijn gerechtelijke vrijspraak teniet. Om die reden behoren deze onjuistheden door de verweerders te worden gerectificeerd, aldus klager.
Op maandag 18 april 2011 in de namiddag hebben verweerders contact met klager opgenomen, terwijl de krant met daarin de gewaakte berichtgeving reeds was gedrukt. Klager heeft in dit gesprek aan verweerders laten weten dat hij niet op de hoogte was van het Bibob-besluit van de burgemeester. De bewering in de berichtgeving dat hij het Bibob-besluit maandag heeft ontvangen is derhalve onjuist, hetgeen ook blijkt uit de stempel van het postkantoor, aldus klager.
De volgende dag heeft opnieuw contact plaatsgevonden tussen klager en verweerders. Klager heeft in dit gesprek wederom kenbaar gemaakt het besluit nog niet te hebben ontvangen. In dit gesprek is desgevraagd door verweerders ontkent dat zij het besluit zelf hebben gelezen, aldus klager. Wel hebben verweerders bevestigd dat door de gemeente kenbaar is gemaakt dat zij klager zien als stroman van Holleeder en daarom zijn vergunningen ontnemen. Klager heeft daarop in dit gesprek gereageerd door te waarschuwen dat wanneer hij dit argument niet in het besluit zou aantreffen, hij zou klagen bij de directie van verweerders. Klager benadrukt dat door de werkwijze van verweerders geen sprake is geweest van wederhoor. Dit was echter vanwege het negatieve en beschadigende karakter van de berichtgeving wel noodzakelijk. Door wederhoor achterwege te laten hebben verweerders zich laten gebruiken als verlengstuk van de gemeente die sluiting van zijn bedrijven nastreeft, aldus klager.
Klager heeft het besluit uiteindelijk op woensdag 20 april 2011 ontvangen. Daarop is geen contact meer geweest met verweerders. In het besluit van de gemeente staat volgens klager dat er onvoldoende feiten en omstandigheden zijn die erop wijzen dat Holleeder de feitelijke exploitant zou zijn van de panden. Klager heeft derhalve via zijn advocaat verweerders gewezen op de onjuiste en beschadigende kwalificaties in de berichtgeving, waarbij is verzocht de onjuistheden te rectificeren. Tevens is aan verweerders verzocht om de identiteit van de bron prijs te geven. Deze bron heeft volgens klager namelijk gehandeld in strijd met de wet Bibob. Klager meent dat het beroep van verweerders op bronbescherming niet opweegt tegen het algemeen belang van een betrouwbare overheid. In dat kader heeft klager ook een klacht ingediend bij de gemeentelijke ombudsman. Verweerders hebben laten weten de bron van het artikel niet prijs te geven.
Verweerders hebben volgens klager verder kenbaar gemaakt dat zij gerechtigd waren om klager als stroman van Holleeder aan te duiden, omdat justitie in een strafzaak heeft gesteld dat klager een ‘dienstbare rol’ jegens Holleeder zou hebben vervuld. Dat de hallen van klager door Holleeder zijn afgeperst zou blijken uit een beslag van justitie. Klager stelt echter dat de beslagen in december 2010 opgeheven zijn. Het strafrechtelijk financieel onderzoek naar de eigenaar van de panden is sinds januari 2011 officieel beëindigd. In samenhang met zijn vrijspraak bestaan er van overheidswege derhalve geen verdenkingen meer dat klager een stroman van Holleeder zou zijn.
De stelling dat zijn bedrijven door Holleeder zijn afgeperst van Endstra is onjuist en onnodig beschadigend, aldus klager. Een veronderstelde afpersing is nooit aan Holleeder en klager door justitie ten laste gelegd. Uit het arrest van het hof inzake het proces tegen Holleeder blijkt dat daarvoor onvoldoende bewijs voorhanden was.
Klager benadrukt dat uit het proces-verbaal van opheffing van het beslag en uit het Bibob-besluit blijkt dat er onvoldoende feiten en omstandigheden zijn die erop wijzen dat Holleeder de feitelijke exploitant zou zijn van de hallen en klager slechts stroman is. De passage ‘Eigenaar Marcel Kaatee gezien als stroman van Willem Holleeder’ is volgens klager derhalve feitelijk onjuist. Ter zitting stelt klager dat er geen sprake is geweest van een nauwe relatie met Holleeder. Er is volgens hem slechts contact geweest met Holleeder omdat hij verbouwingen organiseerde en tot 1996 werkzaam was bij dezelfde onderneming. De weigering van de overheid om een vergunning af te geven houdt verband met de financiering van de panden door Paarlberg, die in juni 2010 is veroordeeld.
Klager stelt dat deze feitelijke onjuistheden gedocumenteerd zijn aangetoond. Verweerders weigeren echter te rectificeren.
Via zijn advocaat heeft klager laten weten een rectificatie in de vorm van een interview bespreekbaar te achten. De eisen van klager ten aanzien van een interview of ingezonden brief bleken echter onbespreekbaar te zijn voor verweerders.
Met de formulering in het vervolgbericht dat klager zijn panden moet sluiten, maar klager daar via een kort geding onderuit zal proberen te komen, suggereren verweerders dat een uiteindelijke sluiting onvermijdelijk is. Klager acht deze formulering bezwaarlijk. Hij merkt op dat zijn bedrijven niet zijn gesloten maar dagelijks geopend zijn. Ter zitting merkt klager op dat er momenteel een procedure loopt bij de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. De voorzieningenrechter zal binnenkort beslissen of zijn panden open mogen blijven.
Klager meent dat verweerders in hun reactie op zijn klacht bij de Raad volledig voorbij gaan aan de kern van de klacht. Uit de stellingname van verweerders dat klager selectief zou hebben geput uit het Bibob-besluit, blijkt enerzijds dat verweerders kennis hebben kunnen nemen van het Bibob-besluit. In dat geval heeft een woordvoerder van het stadhuis de geheimhoudingsplicht geschonden door verweerders te informeren.
Anderzijds blijkt uit de inhoud van het besluit dat verweerders de integrale inhoud niet kennen. Dit kan volgens hem zijn oorzaak vinden in speculatie van verweerders of door onjuiste voorlichting door de ‘woordvoerder van het stadhuis’. Klager acht het in dat geval merkwaardig dat verweerders zonder het besluit te kennen zijn klachtenbrief betwisten. Hij meent dat de stelligheid waarmee verweerders achter de berichtgeving staan onterecht is. Hij benadrukt dat reeds vanaf 2006 sprake is van onzorgvuldige, onjuiste en eenzijdige berichtgeving door verweerders. Klager meent dat verweerders hem reeds veroordeelden op de dag van zijn arrestatie. De onherroepelijke vrijspraak, het toekennen van een schadevergoeding, de opheffing van het beslag op de panden, hebben verweerders nimmer geleid tot het toepassen van wederhoor. Over zijn vrijspraak hebben verweerders negen maanden lang gezwegen, aldus klager. Hij stelt dat verweerders blijven vasthouden aan de conclusies die zij jaren geleden hebben getrokken.
 
Verweerders stellen dat zij volledig achter de berichtgeving staan en betwisten hetgeen klager stelt. Zij voeren echter geen verweer in de procedure omdat klager parallel aan de procedure bij de Raad gerechtelijke stappen aanhangig zegt te maken bij de rechtbank. Verweerders menen dat klager in zijn klacht slechts selectief put uit het Bibob-besluit van de gemeente en de briefwisseling tussen de advocaten. Zij menen dat het geraden zou zijn wanneer klager deze stukken zou inbrengen. In de briefwisseling tussen de advocaten wordt ingegaan op de klacht dat geen wederhoor is toegepast.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
2.      verweerders hebben ten onrechte geen wederhoor toegepast.
 
Ad 1.
De Raad stelt voorop dat de journalist waarheidsgetrouw behoort te berichten. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. De journalist behoeft geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punten 1.1. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
 
In de berichtgeving komt naar voren dat de overheid klager ziet als stroman van Holleeder en hem zijn vergunningen ontneemt in het kader van de Wet Bibob.
 
Uit hetgeen door klager is overgelegd is voldoende aannemelijk geworden dat het besluit van de gemeente tot weigering van de vergunningen zijn oorzaak vindt in de financieringsrelatie die klager heeft met Paarlberg. Klager heeft verder gemotiveerd aangevoerd dat voor de beschuldiging omtrent de relatie met Holleeder geen grond bestaat omdat hij onder meer onherroepelijk is vrijgesproken. Uit de berichtgeving wordt niet duidelijk op welke verifieerbare feiten of bronnen deze beschuldiging is gebaseerd.
 
Door over de kwestie te berichten zoals zij hebben gedaan, hebben verweerders naar het oordeel van de Raad derhalve ten onrechte de indruk gewekt dat de oorzaak van de weigering van de gemeente ligt in de relatie van klager met Holleeder. Gelet op de mogelijke impact van deze beschuldiging had het in de rede gelegen als verweerders evenwichtiger en meer genuanceerd over deze relatie hadden bericht door deze informatie over de visie van de overheid elders te verifiëren. Niet is gebleken dat een dergelijke verificatie heeft plaatsgevonden.
 
Naar het oordeel van de Raad is aldus sprake van tendentieuze en journalistiek onzorgvuldige berichtgeving. Op dit punt is de klacht gegrond.
 
Ad 2.
De Raad overweegt dat de kern van de gewraakte publicatie bestaat uit het feit dat de gemeente weigert een exploitatievergunning af te geven. Dit zou blijken uit informatie van de gemeente.
 
Verweerders mochten naar het oordeel van de Raad uitgaan van de juistheid van deze mededeling door de gemeente, hetgeen overigens ook niet is betwist. Het beginsel van wederhoor geldt immers niet voor berichtgeving van feitelijke aard, terwijl niet is gebleken dat de gewraakte publicatie klagers belang zodanig raakt dat wederhoor niettemin was geboden. (zie punt 2.3.4. van de Leidraad van de Raad)
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover dit ziet op het gebruik van de kwalificatie ‘stroman van topcrimineel Willem Holleeder’. Voor het overige is de klacht ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 27 september 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, T.R. Harkema, mw. J.R. van Ooijen en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.