2011/61 ongegrond niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
het Ministerie van Volksgezondheid in Suriname
 
tegen
 
H. Boerboom en Radio Nederland Wereldomroep (RNW)
 
Bij brief van 15 juni 2011 met twee bijlagen heeft drs. M. Eersel, directeur volksgezondheid, namens het Ministerie van Volksgezondheid in Suriname te Paramaribo (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen H. Boerboom en de hoofdredacteur van Radio Nederland Wereldomroep (RNW) (hierna: verweerders). Hierop heeft H.G.J. de Vos, hoofd redactie Cariben, geantwoord in een brief van 3 augustus 2011 met twee bijlagen.  
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 augustus 2011. Namens klaagster is daar verschenen mr. M.A. Castelen, advocaat te Utrecht, die de klacht heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie met bijlagen. Namens verweerders is voornoemde De Vos verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 14 april 2011 is op de website van Radio Nederland Wereldomroep een artikel verschenen onder de kop “Ongeluk Nickerie: ‘Ernstige inschattingsfout chirurg Diakonessenhuis’”. De intro van dit artikel luidt:
“Niet de directeur, maar de medische staf van het Diakonessenhuis in Paramaribo heeft ernstige fouten gemaakt bij de afhandeling van een ernstig verkeersongeluk in Nickerie. Dat blijkt uit een nog vertrouwelijk onderzoek van het Surinaamse ministerie van volksgezondheid, dat in het bezit is van de Wereldomroep.”
Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
 “Levensbedreigend
De dienstdoende chirurg,[X] , die door zijn Nickeriaanse collega werd geïnformeerd over de levensbedreigende situatie, verzuimde dit echter door te geven aan zijn directeur, Gangaram Panday. Die zag, na overleg met waarnemend directeur Lila van het SZN, op basis van de bij hen aanwezige informatie, om financiële redenen af van opname van de patiënt.”
Verderop:
 “Ernstige verwijten
Maar uit het interne onderzoek, in opdracht van minister Waterberg van volksgezondheid gemaakt door Drs. Th. Hiemcke, blijkt dat de cruciale fout ligt bij de dienstdoende chirurg die verzuimde om de ernst van de situatie door te geven aan zijn directeur. Reden daarvan is volgens het rapport de weigering van de medische staf van het DH om met de directeur te communiceren.”
 
Later op de avond is op de website van Radio Nederland Wereldomroep een artikel verschenen onder de kop “‘Kritieke situatie volksgezondheid door falend beleid’”. De intro van dit artikel luidt:
“De al jaren onwerkbare situatie tussen medische staf en directie van het Diakonessenhuis, die mede aanleiding was voor het overlijden van een patiënt in februari, is volgens een intern onderzoek van het ministerie slechts een onderdeel van de deplorabele toestand waarin de Surinaamse gezondheidszorg zich momenteel bevindt.”
Vervolgens:
“Dat blijkt uit een rapport, gemaakt in opdracht van het ministerie van volksgezondheid, door Drs. Th. Hiemcke. Het verslag ligt al vanaf 15 maart op het bureau van minister Celsius Waterberg. Het is niet openbaar gemaakt maar wel in bezit van de Wereldomroep.
Naast de analyse van de afhandeling van het verkeersongeval (…) uit het rapport harde kritiek op het beleid van de overheid. “(…) Het falend financieel beleid van opeenvolgende regeringen heeft tot deze kritieke situatie geleid.””
en:
Zware extra last
De minister, in wiens opdracht het rapport is gemaakt, en die tijdens de regering Venetiaan ook al minister was op hetzelfde departement, krijgt er in het rapport stevig van langs. “Indien de overheid tijdig had gezorgd voor goede financiële verhoudingen in de ziekenhuizen was dit leed en nog veel onbekend verdriet onze samenleving bespaard gebleven,” schrijft Hiemcke.”
Het artikel eindigt met:
“Minister Waterberg was niet voor een reactie bereikbaar.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat verweerders een goede verificatie en correcte duiding van bronnen hebben nagelaten. Volgens haar is door deze werkwijze schade toegebracht aan klaagster.
De berichtgeving heeft volgens klaagster betrekking op één deelonderzoek naar aanleiding van een situatie waarbij een patiënt overleed nadat een ziekenhuisopname in Paramaribo uitbleef. In de berichtgeving wordt volgens haar ten onrechte gesuggereerd dat het gaat om het enige onderzoek naar de situatie. De berichtgeving had volgens haar juist betrekking op één van de vele deelonderzoeken die hebben plaatsvonden.
De conclusies van de onderzoeker waarover in de gewraakte berichtgeving wordt geschreven staan haaks op de bevindingen van andere onderzoekers. Naar aanleiding daarvan onderzoekt het ministerie momenteel waarom dit het geval is. De suggestie die bij het publiek wordt gewekt dat het een onderzoek in opdracht van de Minister van Volksgezondheid betreft, is niet juist, aldus klaagster. Zij benadrukt ter zitting dat het een extern onderzoek betreft.
Met de berichtgeving hebben verweerders de indruk gewekt dat Hiemcke de enige onderzoeker is en dat zijn conclusies onomstotelijk vaststonden, terwijl dit niet het geval is. Tevens is volgens klaagster ten onrechte in de berichtgeving de naam van de patiënt en de dienstdoende chirurg genoemd. De chirurg wordt daarbij als schuldige aangemerkt voor de dood van de patiënt. De chirurg is volgens klaagster aangetast in zijn goede naam en eer. Ter zitting merkt zij op dat uit de rapportage niet blijkt dat de schuld uitsluitend lag bij de chirurg.
Zij stelt dat slechts wordt geconcludeerd dat de chirurg van zijn bevoegdheid gebruik had moeten maken om de patiënt op te nemen.
Voorts is volgens klaagster het ministerie in diskrediet gebracht. Verweerders wekken de indruk dat het ministerie in gebreke bleef, doordat het bewuste onderzoek al een maand op het bureau van de minister zou liggen, aldus klaagster. Het deelverslag van Hiemcke is echter opgesteld in opdracht van de directeur van het ministerie en per e-mail naar haar verzonden. Het verslag heeft derhalve niet een maand op het bureau van de minister gelegen. Ter zitting benadrukt klaagster dat de directeur reeds bezig was met het innemen van een standpunt. De vertraging vindt zijn oorzaak in onduidelijkheid over de vraag of voldoende onderzoek naar de omstandigheden is gedaan. De directeur van het ministerie had daarbij van de minister de opdracht gekregen om aan de hand van verschillende rapporten een eindverslag met conclusies op te stellen. Ten tijde van de berichtgeving was door deze werkwijze nog geen eindverslag gereed. Volgens klaagster stagneerde door de commotie in verband met de gewraakte berichtgeving bovendien de uiteindelijke rapportage.
 
Verweerders stellen dat in de berichtgeving niet wordt gesuggereerd dat het onderzoek het enige onderzoek was, noch dat het om een definitief rapport ging. Ter zitting merken zij op dat in de berichtgeving wordt geschreven over ‘een rapport’ en niet over ‘het rapport’. De naam van de patiënt was volgens hen algemeen bekend. Deze patiënt is daarbij slachtoffer en geen verdachte in de zaak, aldus verweerders. Zij stellen dat de naam van de chirurg is genoemd in de berichtgeving omdat hij in twee publicaties reeds de schuld van het overlijden van de patiënt elders had neergelegd. In de kleine Surinaamse gemeenschap was derhalve bekend dat hij bij de zaak betrokken was. Ter zitting merken verweerders op dat de inhoud van het rapport bekend was bij de gemeenschap. Zij stellen dat de chirurg in diskrediet is gebracht door het onderzoek en niet door de publicatie.
Voorts blijkt volgens hen juist uit het onderzoek dat het ministerie in gebreke is gebleven. Verweerders merken op dat het derhalve niet de persoonlijke mening van verweerders betreft. Zij benadrukken dat de minister verantwoordelijk is voor het onderzoek. Dat het definitieve rapport niet vijf maanden op het bureau van de minister heeft gelegen maar op het bureau van de directeur is niet relevant.
Dat de uiteindelijke rapportage stagneert ligt buiten de verantwoordelijkheid van verweerders. Zij merken op dat dit had kunnen worden voorkomen door onder meer een snel handelen van klaagster. Ter zitting stellen verweerders dat zij meerdere malen hebben geprobeerd telefonisch contact te zoeken met de minister, maar dat deze pogingen op niets zijn uitgelopen.
 
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID voor zover de klacht is gericht tegen het vermelden van de naam van [X].
 
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek, moet een klaagschrift worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt.
 
De klacht heeft deels betrekking op de omstandigheid dat in de berichtgeving een beschrijving wordt gegeven van een chirurg en hij in zijn privacy en de goede naam is aangetast. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken van omstandigheden die grond bieden voor het oordeel dat klaagster een rechtstreeks belang heeft bij een oordeel van de Raad hieromtrent. De Raad acht klaagster dan ook in dit onderdeel van haar klacht niet-ontvankelijk.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
De Raad overweegt allereerst het volgende. Klaagster heeft ter zitting in de pleitnota haar klacht willen uitbreiden en meerdere bijlagen ter ondersteuning overgelegd. De uitbreiding van een klacht dient echter – in het kader van een behoorlijke klachtenbehandeling – tijdig voorafgaand aan de zitting schriftelijk te geschieden. Zowel de partijen als de Raadsleden dienen zich immers op de behandeling van een klacht deugdelijk te kunnen voorbereiden. De Raad zal de pleitnota met bijlagen, voor zover dat ziet op uitbreiding van de klacht, dan ook alleen als informatie behorend bij de oorspronkelijke klacht betrekken. (vgl. RvdJ 2011/32)
 
Kern van de klacht is dat verweerders tendentieus en onjuist hebben bericht, doordat de suggestie is gewekt dat er sprake is van één onderzoek van het ministerie en klaagster daarbij heeft nagelaten adequaat op dit rapport te reageren.
 
De Raad overweegt dat verweerders in de publicatie “Ongeluk Nickerie: ‘ernstige inschattingsfout chirurg’” geen zorg hebben gedragen voor een volledig beeld van de context van de onderzoeken. Hoewel hierdoor tot op zekere hoogte een eenzijdig beeld is ontstaan, valt echter niet in te zien hoe klaagster hierdoor in haar belangen wordt geschaad. De vermelding in het artikel ‘Kritieke situatie volksgezondheid door falend beleid’ dat het onderzoeksrapport al geruime tijd op het bureau van de minister ligt, moet – gezien de achtergrond van deze uitdrukking – niet letterlijk worden opgevat. Het feit dat het rapport reeds geruime tijd beschikbaar is, is een vermelding van feitelijke aard die voldoende steun vindt in de feiten.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
Voor zover de klacht betrekking heeft op de berichtgeving rondom Berger, is klaagster niet-ontvankelijk. Voor het overige is de klacht ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 21 september 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, T.R. Harkema, mw. J.R. van Ooijen en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.