2011/59 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
drs. J.W.M. Veerenhuis-Lens
 
tegen
 
P. Sijpersma, hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden
 
Bij brief van 28 mei 2011 met één bijlage heeft drs. J.W.M. Veerenhuis-Lens te Vlagtwedde (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden (hierna: verweerder). Vervolgens heeft klager bij brief van 17 juni 2011 zijn klacht nader toegelicht. In een e-mail van 27 juni 2011 heeft P. Sijpersma, hoofdredacteur, op de klacht geantwoord.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 juli 2011. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 28 mei 2011 is in Dagblad van het Noorden in de rubriek ‘Commentaar’ een artikel verschenen van de hand van Sijpersma onder de kop “Hollandse mooiprater”. Het artikel opent met:
“Johannes Veerenhuis-Lens, statenlid voor de Partij voor het Noorden, zei dat hij ‘na een doorwaakte nacht en een verkwikkend bad’ had geweten wat hem te doen stond. Doorwaakte nacht. Verkwikkend bad. Dan weet je het wel. Een Hollandse mooiprater.”
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
“Triest, als je er over nadenkt, dat het de Partij voor het Noorden niet is gelukt een goeie opvolger voor Teun Jan Zanen te vinden. Zanen was een beste vent, maar hij hád het niet. Er moest nu iemand komen met de gave van het woord, een man of vrouw van het volk, zeg maar. Er moest nu iemand komen met de gave van het woord, een man of vrouw van het volk, zeg maar.
Het werd een communicatieadviseur. Dat had toch al een waarschuwing moeten zijn, zou je denken. Een man die verstand heeft van publiciteit, prachtig, altijd handig, nee zelfs een vereiste voor iemand die de politiek in wil. Maar types die voor het communiceren hebben doorgeleerd: wat kunnen ze meer dan vlot praten? Waar staan ze eigenlijk voor?
Blijkbaar hebben de keuzeheren van de Partij voor het Noorden bij die vragen niet stilgestaan. Dus kozen ze voor de vrolijke en vriendelijke Veerenhuis, die het zo mooi kon vertellen. Dat hij import was, telde niet. De apartheid is afgeschaft en dat de import in Noord-Nederland het heft in handen neemt zijn we wel gewend. Zo lang hij maar hart voor het Noorden had.
Allemaal fout gedacht.”
en
“Nu zit er een rare man in de staten van Groningen die tegen zijn zin Jan Nagel steunde en ‘ter compensatie’ van die gewetensbreuk uit zijn eigen partij stapt. Die compensatie kende hij zichzelf toe. Zie je wel vaker, mensen die zichzelf belonen omdat ze menen dat ze iets verdiend hebben. Daar is een woord voor. Diefstal.”
en
“Nu zit er een man in de staten die alleen voor zichzelf spreekt. Politicus zonder partij; als hij het woord neemt, zal de statenzaal leeglopen.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij door de publicatie in zijn persoonlijk belang is geschaad en het zijn functioneren als politicus belemmert. In het artikel wordt de indruk gewekt dat sprake is van ongelegitimeerde zetelroof. Daar wordt zelfs de term ‘diefstal’ voor gebruikt. Volgens klager wordt hij hierop aangesproken door relaties en kiezers.
Klager licht toe dat hij zich kandidaat heeft gesteld voor de Provinciale Statenverkiezingen. Na een verschil van mening over de koers van de partij, partij-interne problemen en de inadequate aanpak daarvan heeft klager zijn lidmaatschap van de Partij voor het Noorden opgezegd, maar heeft hij de zetel behouden. De term ‘zetelroof’ wordt gebruikt voor het bezet houden van een zetel nadat een politicus de fractie waarin hij is verkozen, heeft verlaten. Van enige relatie met de term ‘diefstal’ is geen sprake, aldus klager. Hij wijst erop dat de van toepassing zijnde Verordening de afsplitsing expliciet legitimeert, evenals het voortzetten van het lidmaatschap van de Provinciale Staten als zelfstandige fractie.
Verder wijst klager erop dat de zin “Maar types die voor het communiceren hebben doorgeleerd: wat kunnen ze meer dan vlot praten?” onjuist is. Klager merkt op dat hij geen studie in de communicatie-richting heeft gevolgd, maar een studie rechtsgeleerdheid heeft afgerond. Door de denigrerende toon van het artikel is haast sprake van (een poging tot) ‘politieke karaktermoord’, aldus klager.
Ten slotte stelt hij dat verweerder hem niet de gelegenheid heeft geboden tot het geven van een weerwoord.
 
Verweerder is van mening dat een politieke positie zoals die van klager met zich brengt dat kritische artikelen over hem geschreven kunnen worden. Klager behoort daar tegen te kunnen en dient hiermee rekening te houden op het moment dat hij een dergelijke functie aanneemt.
Volgens verweerder is geen sprake van een beschuldiging van onrechtmatig handelen. Wel acht hij de handelwijze van klager moreel en politiek verwerpelijk, en dat heeft hij opgeschreven. Verweerder acht het handelen van klager onbegrijpelijk en ongeloofwaardig: de facto heeft klager de Partij van het Noorden gekaapt, nu de partij slechts één zetel bezat. De koninklijke weg was geweest, als klager deze zetel had terug gegeven.
Verweerder heeft zijn opinie in een commentaar beschreven. Wederhoor is daarbij niet noodzakelijk. Had klager zich na publicatie gemeld met een verzoek tot een weerwoord, dan was hem dat royaal gegeven. Klager heeft dat echter niet gedaan, maar heeft zich direct tot de Raad gewend.
  
BEOORDELING VAN DE KLACHT
  
De Raad stelt voorop dat het een journalist vrij staat over een bepaald feit zijn mening te verkondigen, mits duidelijk is dat het om zijn persoonlijke opvatting gaat (zie punt 1.4. van de Leidraad van de Raad). Daarnaast hoeft een hoofdredacteur in een hoofdredactioneel commentaar, dat zijn persoonlijke mening over een bepaald onderwerp behelst, niet alle aspecten over het door hem besproken onderwerp te behandelen (vgl. RvdJ 2004/58).
 
Naar het oordeel van de Raad is het voor de lezer duidelijk dat de publicatie een redactioneel commentaar behelst, dat de persoonlijke mening van verweerder bevat. De vergelijking met diefstal is in dit geval acceptabel nu daarmee kennelijk is beoogd duidelijk te maken dat klager iets heeft gehouden dat volgens verweerder aan een ander toebehoort. Daarbij acht de Raad het aannemelijk dat ook het publiek de handelwijze van klager zal opvatten als een vorm van zelfverrijking. Overigens komen in het artikel geen kwalificaties of vergelijkingen voor die journalistiek ontoelaatbaar zijn. Dat klager het artikel als denigrerend heeft opgevat, is daarvoor onvoldoende. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat klager – gelet op zijn zelfgekozen publieke rol en zijn positie in het publieke debat – zich een mate van kritische en polemische bejegening moet laten welgevallen. In dit licht bezien acht de Raad de publicatie aanvaardbaar. (vgl. onder meer RvdJ 2009/53)
 
Ten slotte overweegt de Raad dat het beginsel van wederhoor niet geldt voor publicaties die kennelijk een persoonlijke mening bevatten. Desalniettemin kan een dergelijke publicatie iemands belang zodanig raken dat wederhoor geboden is, maar daarvan is hier – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – geen sprake (zie punt 2.3.4. van de Leidraad)
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 24 augustus 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, mw. drs. J.X. Nabibaks, mw. H.M.M. Nietsch en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.