2011/55 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X, Y en kinderen Y
 
tegen
 
mw. K. Geurtsen, I. van Woerden en de hoofdredacteur van HP/De Tijd
 
Bij brief van 11 april 2011 met vier bijlagen heeft X een klacht ingediend tegen mw. K. Geurtsen, I. van Woerden en de hoofdredacteur van HP/De Tijd (hierna: verweerders). Bij brief van 3 mei 2011 hebben Y en zijn kinderen zich bij de klacht gevoegd (hierna: gezamenlijk met voornoemde X, klagers). Bij e-mailbericht van 29 mei 2011 hebben de kinderen van Y zich bij de klacht gevoegd en is de klacht uitgebreid met betrekking tot de berichtgeving van 22 april 2011. Ten slotte hebben klagers nog een bijlage overgelegd bij e-mailbericht van 6 juni 2011. Verweerders hebben niet op de klacht gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 10 juni 2011 in aanwezigheid van voornoemde X en Z, zoon van Y. Verweerders zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
In de editie van HP/De Tijd, week 14 van 8 april 2011 is een artikel verschenen van de hand van Geurtsen en Van Woerden met de kop “De rabbi, de declaraties en de ‘spookstudenten’” met het chapeau “Niet kosjer”. Op de cover van deze editie wordt het artikel aangekondigd met de kop “Nederlands duurste rabbijn. Y: 2,5 miljoen subsidie voor een grote auto en een hogeschool waar niemand afstudeert.”

De intro van het artikel luidt:
“Miljoenen euro’s aan subsidie kreeg het Nederlands-Israëlitisch Seminarium om rabbijnen op te leiden, maar sinds 1960 is er geen een afgestudeerd. Waar het overheidsgeld dan wel heen ging? Onder andere naar de onkosten van mediarabbijn Y. ‘Dit gaat echt te ver. We moeten schoon schip maken.’”
Dit artikel bevat de volgende passage:
“Als we onze tipgevers, prominenten uit de joodse gemeenschap, mogen geloven, is dat broodnodig. Driekwart jaar geleden benaderden ze HP/De Tijd, onafhankelijk van elkaar, met tips over fraude bij het NIS. […] Zowel overheidsgeld als geld uit de joodse gemeenschap wordt misbruikt. Onze bronnen hebben het over ‘spookstudenten’ en over ‘onterecht uitgeschreven diploma’s’ bij het door het Rijk gesubsidieerde seminarium. Daarnaast zou rector Y exorbitante kosten maken. Daarvoor wordt, aldus bronnen, overheidsgeld gebruikt dat is bestemd voor het opleiden van rabbijnen en orthodox-joodse docenten.”
en
“Laten we eerst kijken naar de hoofdzaken. De eerste is deze: sinds 1960 heeft het Nederlands-Israëlitisch Seminarium op Y na geen enkele rabbijn afgeleverd.”

en
“Irene Zwiep, hoogleraar Hebreeuws aan de Universiteit van Amsterdam en lid van de Academische Raad van het NIS (die erop let dat het seminarium de eigen kwaliteit goed bewaakt), vat het als volgt samen: “Het NIS ligt al eeuwen te slapen.” Emeritus hoogleraar onderwijsgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit Nan Dodde heeft zich verdiept in het joodse onderwijs en zegt: “Het bestaansrecht van het NIS is nul.” De uitspraken liegen er niet om. En dat terwijl de rector van het NIS de bekendste rabbijn is van Nederland: Y, een vroom en gerespecteerd man die in talloze media-optredens gevat en welbespraakt het orthodox-joodse standpunt verkondigt en die allerlei connecties heeft in de landelijke politiek. Dat brengt ons bij de hoofdzaak drie: het gegeven dat uitgerekend dit boegbeeld van orthodox-joods Nederland intern onder vuur ligt. We lezen in uitgelekte e-mails en notulen dat er sprake is van ‘slecht functioneren’ en zelfs van ‘fraude bij het NIS’.”
en
“En dan nu naar rabbijn Y, die 4 juni aanstaande zijn dertigjarig jubileum viert bij het NIS. Volgens onze bronnen worden er niet alleen lokalen en docenten bekostigd met het subsidiegeld, maar ook flinke declaraties van de rector. “Het gaat naar torenhoge telefoonrekeningen en een leaseauto voor Y’ gezin,” vertelt bron A, een actief lid van de joodse gemeenschap in Amsterdam.
Bron B, een joodse prominent en goede bekende van het NIS, bevestigt dit en laat ons Y [zijn] arbeidsovereenkomst inzien. Het is één contract voor twéé instellingen: Y is voor 40 procent in dienst bij het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap en voor 60 procent bij het seminarium.(…) Het NIK beloofde Y bijvoorbeeld een leaseauto waarin hij een goed deel van zijn twaalfkoppige gezin kwijt kon en 45.000 kilometer mee mocht rijden. (…) En dat terwijl hij in de tijd dat hij rolschaatsen zou onderbinden al op zijn werk kon zijn. Het seminarium was zo dus de melkkoe van het kerkgenootschap.”
en
“Maar voordat het gesprek plaats vindt, blijkt dat de joodse gemeenschap inmiddels doorheeft met welk onderzoek we bezig zijn. Een anonieme beller ventileert uitvoerig beschuldigingen aan het adres van rabbijn Y. Ook al beloven we de beller anonimiteit, hij wil ons niet vertellen wie hij is. Pogingen om zijn tips te checken, lopen op niets uit.
Anderen proberen ons er juist van te overtuigen dat we betrokken zijn geraakt bij een ‘hetze’ tegen Y. Die blijkt namelijk recentelijk te zijn gestegen tot de hoogste rabbinale rang. Niet iedereen in de joodse gemeenschap is daar blij mee, en HP/De Tijd zou gebruikt worden om Y zwart te maken.”
 
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
 “Al rijdt de rabbijn in een Rolls-Royce, niemand kan ons dat verbieden. Wij krijgen een vast bedrag en hoe wij dat besteden is aan ons.”
en
“Hebben Y [zijn] vrouw en kinderen inderdaad aan het NIS ‘gestudeerd’ en kregen ze daar studiefinanciering voor? “Daar mag ik als rector geen mededelingen over doen”, bromt Y. “Laat ze dat maar zelf vertellen. Ik vraag of ze contact met jullie willen opnemen.” […] Later zal Y namens zijn vrouw mailen dat ze wel aan het NIS gestudeerd heeft, maar geen studiefinanciering ontving. Alle kinderen hebben er ook gestudeerd, meldt hij, maar of zij studiefinanciering ontvingen, laat hij in het midden.”
 

Op 15 april 2011 is in HP/De Tijd een vervolgartikel geplaatst, eveneens van de hand van Geurtsen en Van Woerden, onder de kop “Dóód- en dóódziek”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passage:
“Waar de tien kinderen van rabbijn Y niet op het artikel wilden reageren toen HP/De Tijd daarom vroeg, klommen ze wel in de pen voor een gezamenlijke brief aan het Nieuw Israëlitisch Weekblad (NIW). Zij hebben, schrijven ze, ‘geschokt’ kennisgenomen van het artikel, dat ‘onderdeel is van een decennialange hetze tegen onze vader’.”
 
Op 22 april 2011 is in HP/De Tijd van de hand van Geurtsen een artikel geplaatst met de kop “De rabbijn, het geld en de werkster.” Dit artikel bevat de volgende passage:
“‘He’s a bad man, a baaad man!’ Ditmaal is het de Filippijnse werkster van synagoge Kehilas Ja’akow, Thelma Velardo, die bij HP/De Tijd haar hart uitstort over rabbijn Y. Het coververhaal van twee weken geleden waarin werd beschreven hoe Y [zijn] seminarium wel subsidiegeld ontving maar sinds 1960 slechts één rabbijn afleverde, houdt de joodse gemoederen nog steeds bezig.”
en
“Waar gaat het over? Velardo heeft maanden schoongemaakt in de synagoge waar Y rabbijn is en twee van zijn zoons bestuurder zijn, zonder betaald te krijgen.”
en
“Wat vindt Y ervan? “Ik heb hier niets mee te maken. Dit speelde een jaar geleden en ik ben niet de werkgever van deze vrouw.””
 
HET STANDPUNT VAN KLAGERS
 
Klagers stellen dat verweerders in de publicatie niet waarheidsgetrouw hebben bericht en de door hen als feiten opgevoerde insinuaties de lezer geen controleerbaar beeld bieden. Doordat de berichtgeving is overgenomen door verschillende dagbladen is de goede naam en de eer van het Nederlands Israëlitisch Seminarium en Y disproportioneel is aangetast. Het bestaansrecht van het Seminarium, als hoger en wetenschappelijk theologische onderwijsinstelling, kan volgens klagers niet ter discussie worden gesteld.
De publicatie legt op eenzijdige en tendentieuze wijze de nadruk onevenredig op rabbijn Y, hetgeen het belang van de publicatie ‘misbruik van overheidsgeld’ op geen enkele wijze dient. Y heeft geen enkele bevoegdheid ten aanzien van de besteding van de verleende subsidiegelden. Klagers stellen dat verweerders hiervan op de hoogte waren, maar toch hebben doen voorkomen alsof de rabbijn de verantwoordelijkheid droeg. Tevens wekt de publicatie de indruk dat Y ten laste van overheidsgeld voor hem en zijn gezinsleden exorbitante kosten zou hebben gemaakt en dat hij onheuse declaraties vergoed heeft gekregen. Volgens klagers worden deze beschuldigingen onvoldoende onderbouwd. Zij menen dat ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat Y van zijn werkgever een auto heeft gekregen waar zijn gehele gezin in kan plaatsnemen. De in de gewraakte berichtgeving gepubliceerde gegevens uit zijn arbeidsovereenkomst zijn onrechtmatig verkregen en dienden geen belang, aldus klagers. Voorts waren de journalisten ervan op de hoogte dat de genoemde post op de jaarrekening van het Seminarium geen declaraties van de rabbijn maar de kosten van zijn secretariaat betrof.
 
De beschuldiging dat Y slecht functioneert en deels verantwoordelijk is voor fraude is niet onderbouwd. Daarnaast is de vermelding ‘Niet kosjer’ onder de foto van Y onnodig kwetsend.
In de publicatie wordt gerefereerd aan een anonieme beller die beschuldigingen aan het adres van Y zou hebben geuit, zonder dat hier verder aandacht aan wordt besteed. Klagers stellen dat met de publicatie van deze beschuldigingen slechts is beoogd de goede naam van Y aan te tasten. Ter zitting merken zij op dat deze beschuldigingen hun oorsprong kennen in interne geschillen. De journalisten hebben zich van anonieme bronnen bediend, waarvan zelfs de redactie de identiteit niet kent.
Inhoudelijk wordt ten onrechte beweerd dat Y studenten heeft ingeschreven om hen zodoende aan studiefinanciering te helpen. Ditzelfde geldt voor de bewering dat familieleden van Y studiefinanciering kregen zonder dat zij echt aan het Seminarium studeerden.
Met betrekking tot deze beschuldigingen is onjuist wederhoor toegepast. Klagers merken op dat het Seminarium inhoudelijk heeft ontkend dat er sprake is van fraude, misbruik van overheidsgeld, spookstudenten, ten onrechte uitgeschreven diploma’s, te weinig studenten die afstuderen en creatief boekhouden. Daarbij is onder meer gewezen op het feit dat er dertig studenten zijn afgestudeerd, waaronder zes rabbinale studenten. Ook is het beleid van en verantwoording aan het Ministerie van Onderwijs toegelicht. Er is gemeld dat de instelling een goed functionerende examencommissie kent en ieder jaar financieel en inhoudelijk wordt gerapporteerd aan het Ministerie. Deze jaarverslagen zijn openbaar en zijn daarnaast goedgekeurd door een accountant. Klagers zien deze verweren echter niet terug in de gewraakte berichtgeving. Volgens hen wordt op sarcastische en ongeloofwaardige wijze slechts een klein deel weergegeven van de informatie die door klagers is verstrekt.
Ten aanzien van het artikel van 22 april 2011 merken klagers op dat Y geen enkele invloed heeft op het management van de synagoge en dus ook niet op het salaris van de werkster in de synagoge. Ook behoort het in het artikel genoemde 06-nummer niet aan toe aan de zoon van Y.
 
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID
 
De Raad stelt voorop dat ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek een klaagschrift moet worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt.
 
Hoewel de klacht is ingediend door klager Bornstein en hij in beginsel bij de gewraakte berichtgeving niet direct betrokken is, hebben Y en kinderen zich in een later stadium gevoegd in de procedure. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat het belang van klagers direct bij de publicatie is betrokken en zij ontvankelijk zijn in hun klacht.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat verweerders op basis van anonieme bronnen onjuist en tendentieus hebben bericht over het Nederlands Israëlitisch Seminarium en rabbijn Y.
De Raad stelt voorop dat de journalist waarheidsgetrouw bericht. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. (zie punt 1.1. van de Leidraad van de Raad)
 
In de berichtgeving is een zeer negatief beeld geschetst over de kwaliteit van het Nederlands Israëlitisch Seminarium en de rol van Y. Op het instituut zouden onvoldoende studenten worden opgeleid en zou sprake zijn van fraude. Y wordt beschuldigd van onterechte verstrekking van studiefinanciering aan zijn familie en het indienen van te hoge declaraties.
 
Klagers hebben in hun klaagschrift en ter zitting gemotiveerd aangevoerd dat met deze aantijgingen geen correct beeld wordt geschetst van de werkelijkheid, hetgeen door verweerders niet is weerlegd doordat zij ervoor hebben gekozen geen verweer te voeren en derhalve de Raad geen informatie hebben verschaft omtrent de wijze waarop de berichtgeving tot stand is gekomen.
 
Uit de publicaties blijkt weliswaar dat verweerders een deel van de berichtgeving hebben gebaseerd op meerdere betrouwbaar te achten bronnen, maar de ernstigste beschuldigingen jegens het Seminarium en Y blijken afkomstig te zijn van anonieme bronnen. Uit de berichtgeving blijkt niet dat de uitlatingen van de anonieme bronnen door verweerders op een grondige wijze op juistheid en volledigheid zijn geverifieerd, waardoor het voldoende aannemelijk is dat een eenzijdig en onvolledig beeld van de gang van zaken op het Seminarium is geschetst. Daarbij worden Y en zijn familie gediskwalificeerd en heeft de berichtgeving voor hen een uitermate tendentieuze, negatieve lading gekregen, terwijl niet is gebleken dat daarvoor voldoende rechtvaardiging bestaat. Uit de publicaties kan worden opgemaakt dat er weliswaar wederhoor is toegepast, doch de Raad acht het, rekening houdend met de context en inhoud van de reacties, onwaarschijnlijk dat de standpunten van klagers op een dusdanige wijze zijn vermeld dat er sprake is van deugdelijk wederhoor.
 
Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de Raad van oordeel dat verweerders grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door over het Nederlands Israëlitisch Seminarium en rabbijn Y en zijn familie te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan. Van verweerders had – gelet op de mogelijke impact van de beschuldigingen – meer zorgvuldigheid en genuanceerdheid mogen worden verwacht.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in HP/De Tijd te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 22 augustus 2011 door mr. V.H.G.. Lebesque, voorzitter, mr. T.E. Klein, drs. G.J.P. Kloosterhuis, A. Mellink MPA en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, adjunct-secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.
 
Bij uitspraak van 19 december 2011 is het verzoek van Z tot herziening van deze uitspraak toegewezen. In zijn uitspraak oordeelt de herzieningskamer dat de klacht van verzoekster alsnog gegrond is verklaard voor zover deze gelijk was aan de andere, reeds in deze uitspraak vermelde klagers. Voor het overige onthoudt de herzieningskamer van een oordeel. (RvdJ 2011/88).