2011/53 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad 
 
Bij brief van 19 april 2011 met twee bijlagen heeft mr. Th. ten Velde, advocaat te Tilburg, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad (hierna: verweerder). Hierop heeft T. Rooms, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 11 mei 2011 met een bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 10 juni 2011. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 15 november 2010 is op de website van het Brabants Dagblad/Tilburg-stad een artikel verschenen onder de kop “Cel geëist tegen overvallers ‘dealer’”.
De intro van het artikel luidt:
“Tegen twee mannen die op 7 augustus een gewapende overval zouden hebben gepleegd op een woning aan het Tilburgse [straatnaam] ([wijk]), zijn maandag gevangenisstraffen geëist. Een 34-jarige man uit Gent hoorde voor de rechtbank in Breda drie jaar cel tegen zich eisen; een 26-jarige inwoner van Amsterdam drieënhalf jaar waarvan één jaar voorwaardelijk.”
Dit artikel bevat verder de volgende passages:
“Alle betrokkenen hebben verschillende versies van wat er in het huis is gebeurd. “Ik kom er niet helemaal uit hoe het nu precies zit”, zei officier van justitie Y. Setten dan ook. Ze gaat ervan uit dat de bewoner van het huis aan [straatnaam] in drugs handelde, hoewel die dat zelf ontkent.”
Verderop:
“De 26-jarige Amsterdammer is volgens de officier degene die de Tilburgse drugsdealer een pistool tegen het hoofd heeft gezet. Zelf ontkent hij dat. Hij zegt dat hij alleen maar van plan was de handelaar op te lichten: hij wilde drugs kopen met vals geld.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat in het artikel ten onrechte staat vermeld dat hij drugsdealer is. Hij wijst erop dat hij tijdens de zitting van de rechtbank inzake het proces S. in de rechtszaal aanwezig was en de officier van justitie hem nooit als drugsdealer heeft aangeduid. Ook uit het proces-verbaal van de openbare zitting op 15 november 2010 blijkt niet dat de officier klager heeft beschuldigd van drugshandel of hem heeft aangeduid als drugsdealer. Het is dan ook onjuist dat uit de berichtgeving blijkt dat de officier van justitie deze mening was toegedaan.

Dat de verdachten in de strafzaak klager ter zitting een drugsdealer hebben genoemd doet hier niet aan af. Zo zouden de verdachten een onjuiste tip gehad kunnen hebben waardoor zij bij klager aan de verkeerde deur stonden. Ook zouden de verdachten klager kunnen hebben omschreven als dealer om het beeld te schetsen dat zij geen onschuldige burger in hun woning hebben overvallen.
Lezers hechten volgens klager veel waarde aan de berichtgeving en twijfelen daardoor niet aan de juistheid van de bewering dat klager een dealer zou zijn. De woningoverval heeft volgens klager veel aandacht gekregen en heeft een gevoel van onveiligheid met zich meegebracht. Ondanks dat de naam van klager niet staat vermeld in de berichtgeving, weet de buurt hierdoor toch wie beschuldigd wordt.
Als gevolg van het artikel wordt klager in zijn buurt ten onrechte als ‘drugsdealer’ aangekeken. Het betreft een buurt waar iedereen elkaar kent. Buurtbewoners mijden hem en stellen zich radicaal anders op, aldus klager. Deze bewoners denken volgens hem namelijk dat het gevaar nog niet geweken is. Het feit dat in de berichtgeving wordt gesuggereerd dat klager zelf in het drugscircuit verkeert, voegt extra leed toe. Daarbij merkt klager op dat hij juist zelf slachtoffer was van een traumatische overval.
Verweerder heeft volgens klager de impact van de berichtgeving miskent. Hij meent dat er sprake is van vrijwel onomkeerbare reputatieschade. Dit is volgens klager des te kwalijker, omdat hij ook nog zijn eigen traumatische ervaringen van de overval moet verwerken.
Klager is zelden met justitie in aanraking geweest, maar heeft nu een stempel opgedrukt gekregen door verweerder. Gelet op het vorenstaande heeft klager om rectificatie verzocht waarbij het proces-verbaal is bijgevoegd. Verweerder heeft dit echter geweigerd.
 
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de journalist uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen mocht afleiden dat justitie klager als drugsdealer beschouwt dan wel dat klager redelijkerwijs als drugsdealer kan worden aangemerkt. Hard bewijs bestaat hier echter niet voor, omdat er bijvoorbeeld geen geluidsopnames bestaan van de zitting, aldus verweerder.
Het bevreemdt verweerder echter dat klager slechts één proces-verbaal heeft overgelegd. Uit het proces-verbaal van de openbare zitting op 15 november 2010 in de zaak G. volgt dat de officier heeft gezegd dat voor haar vaststaat dat de overvaller drugs wilde kopen. Nergens uit het proces-verbaal blijkt dat sprake is van een vergissing omtrent het adres. Klager was in de ogen van justitie de verkoper. Deze uitlatingen ter zitting rechtvaardigen de conclusie dat het hier gaat om een drugsdealer, aldus verweerder. Het behoort volgens hem niet tot de taak van een journalist om hier verder onderzoek naar te doen. Het verzoek om rectificatie is aldus op juiste gronden afgewezen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat in de berichtgeving ten onrechte naar voren komt dat de officier van justitie van mening is dat klager in drugs handelde.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist waarheidsgetrouw bericht. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. (zie punt 1.1. van de Leidraad van de Raad)
 
De Raad overweegt dat de gewraakte berichtgeving betrekking heeft op een tweetal openbare zittingen van die dag. Volgens het proces-verbaal in de zaak S. heeft verdachte S. ter zitting verklaard dat hij bij klager drugs wilde kopen.
Uit het proces-verbaal van de zitting in de zaak G. blijkt onder meer dat verdachte G. heeft verklaard dat hij M. heeft aangeraden om voor drugs naar klager te gaan. Voorts volgt uit dit proces-verbaal dat de officier tijdens het requisitoir heeft gemeld dat voor haar vaststaat dat M. drugs wilde kopen en dat de handeling gericht was op de diefstal van drugs.
 
Uit bovenstaande feiten en omstandigheden mag worden aangenomen dat de verdachten drugs bij klager wilden kopen dan wel klager van zijn drugs wilden beroven, zodat niet valt in te zien dat verweerder klager in het artikel niet als drugsdealer mocht aanduiden op de wijze zoals hij heeft gedaan. Voor een rectificatie bestaat aldus geen grond.
 
Een en ander leidt tot de conclusie dat verweerder met het gewraakte artikel geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 17 augustus 2011 door mr. V.G.H. Lebesque, voorzitter, mr. T.E. Klein, drs. G.J.P. Kloosterhuis, A. Mellink MPA en mw. drs. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, adjunct-secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.