2011/52 ongegrond niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Cinjee Advies
 
tegen
 
H. Drost, hoofdredacteur van AssurantieMagazine
 
Bij brief van 25 mei 2011 met acht bijlagen heeft M. Dekker-Cinjee, namens Cinjee Advies te Sliedrecht (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen H. Drost, hoofdredacteur van AssurantieMagazine (hierna: verweerder). Vervolgens heeft de secretaris van de Raad klaagster bij brief van 26 mei 2011 verzocht nader te motiveren waarom zij zich ten aanzien van de publicaties uit de periode 24 december 2009 tot en met 12 november 2010 niet binnen de termijn van zes maanden tot de Raad heeft gewend. Klaagster heeft daarop geantwoord in een e-mailbericht van 30 mei 2011. Ten slotte heeft H. Drost op de klacht gereageerd in een brief van 9 juni 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 juni 2011. Namens klaagster zijn daar verschenen dhr. P. Cinjee, commercieel directeur, en dhr. F. de Bruijn, manager systeembeheer. Aan de zijde van verweerder waren voornoemde Drost en mw. K. Visser, bedrijfsjurist Kluwer, aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op de website van AssurantieMagazine zijn over klaagster de volgende artikelen verschenen:
  • op 24 december 2009: “Investeerder kan 15% rente krijgen van slokop Cinjee”
  • op 1 oktober 2010: “ASR klaagt Cinjee aan wegens ‘onacceptabele wildwesttaferelen”, “Perikelen rond Cinjee veel gelezen op AM Web” en “Cinjee-effect”
  • op 11 november 2010: “Van Gool: ‘Gekocht door Cinjee? Welnee!’”
  • op 12 november 2010: “Vurige discussies over beloning intermediair”
  • op 7 april 2011: “AFM legt dwangsom op aan Cinjee”. In dit artikel wordt onder meer
    het volgende vermeld:
    “De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft een last onder dwangsom opgelegd aan Cinjee Advies. Het Sliedrechtse bedrijf voldoet niet aan informatieverzoeken en is daarom verplicht de dwangsom van € 1.000 te betalen voor elke dag dat dit verzuim aanhoudt. (…) Uit het sanctiebesluit valt op te maken dat de AFM tussen juni en december een onderzoek heeft uitgevoerd bij Cinjee. Op 31 januari is ter plaatse (onaangekondigd) vervolgonderzoek geweest. Begin maart is daarop een verzoek gevolgd om nadere informatie over de liquiditeit van de onderneming, de jaarrekening (…). Op die informatie zit de toezichthouder nog altijd te wachten. Een wel ingediend “stappenplan omtrent individuele leningovereenkomsten” is door de AFM vooralsnog niet goedgekeurd.”
  • op 6 mei 2011: “Opnieuw liquiditeitsproblemen bij Cinjee”. Dit artikel luidt als volgt:
    “Cinjee Advies schort de maandelijkse betalingen aan voormalig eigenaren van door Cinjee gekochte assurantieportefeuilles op. Bovendien moeten medewerkers van het Sliedrechtse intermediairbedrijf nog enkele weken wachten op uitbetaling van hun salaris over de maand april. “Met de opgelegde dwangsom heeft de AFM heel veel zand in onze raderen gestrooid”, erkent de directie de acute problemen.
    “De publicatie van die dwangsom door de AFM heeft ons in de problemen gebracht”, stelt directielid Eelko Kooistra. Cinjee gaat tegen de opgelegde dwangsom bezwaar aantekenen en denkt erover de toezichthouder aan te spreken op de aangerichte imagoschade.
    Verkopers van portefeuilles en daarmee houders van winstrechten van Cinjee krijgen de komende drie maanden geen geld. “Professionele adviseurs” zullen met de ondernemers gaan praten over een herstructurering; het wegvallen van de volmachtinkomsten maakt aanpassing van de koopovereenkomsten noodzakelijk.
    In november verstrekte SAA een lening van € 0,5 mln ter verkleining van “een kortstondig liquiditeitsprobleem” bij Cinjee. “We geven ze de ruimte om de komende maanden te overbruggen; we helpen ze de winter door”, zo drukte SAA-directeur Ton Rombouts dat destijds uit. De afgelopen weken werden diverse assurantieondernemers nog benaderd om een lening aan Cinjee te verstrekken tegen tot liefst 12% oplopende jaarrentes. “We hebben hun ooit bij verkoop een goede prijs geboden en altijd aan al onze verplichtingen voldaan. We hebben ze gevraagd iets terug te doen; sommigen doen dat, anderen niet”, aldus Kooistra.” 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat verweerder in de berichtgeving haar bedrijfsvoering met een wantrouwende ondertoon, soms tendentieus en soms doorspekt met regelrechte leugens heeft neergezet. Zij legt uit hoe het bedrijf is ontstaan en wat het bedrijf volgens haar uniek maakt. Volgens klaagster ontstonden de problemen toen het bedrijf waarmee zij op grote schaal zaken deed de volmachtrelatie beëindigde. Na een langdurig aanhoudende conflictsituatie over die contractbreuk is de zaak in maart dit jaar geschikt, aldus klaagster. Gedurende de conflictsituatie is er echter veelvuldig gepubliceerd met de nodige negatieve uitwaaiereffecten als gevolg. Volgens klaagster is die negatieve publiciteit terug te voeren op verweerder.
Volgens klaagster is verweerder vooringenomen in zijn beoordeling van zaken, waardoor de berichtgeving subjectief is en regelmatig resulteert in leugens. Bovendien kiest verweerder nagenoeg constant tendentieuze koppen. Daardoor wordt de naam van klaagster bewust geschaad. Ter zitting wijst klaagster erop dat verweerder geen publicaties wijdt aan positieve ontwikkelingen binnen het bedrijf. Volgens klaagster zou verweerder zich bewust moeten zijn van hetgeen hij aanricht. Nadat klaagster verweerder in 2010 heeft gedreigd met een rechtszaak, is afgesproken dat verweerder in het vervolg vooroverleg zou plegen en wederhoor zou verzoeken. Sindsdien heeft klaagster diverse keren reacties ingediend die niet of slechts deels werden verwerkt. Volgens klaagster is dat een teken dat verweerder kennelijk niet in zijn persoonlijke hetze tegen het bedrijf te stoppen is.
In dit kader wijst klaagster op het artikel van 6 mei 2011. Op dat moment had klaagster op aanraden van haar accountant gespecialiseerde adviseurs aangetrokken voor een herstructurering van bestaande schulden, die in vertrouwelijk overleg met schuldeisers moest worden doorgevoerd. Dit tere onderwerp kon uiteraard niet voortijdig en ongenuanceerd op straat komen te liggen, aldus klaagster. Toen verweerder dit toch zou melden, is hem verzocht dat niet te doen, omdat het stuk onjuistheden bevat en omdat klaagster er belang bij had de betrokken belanghebbenden eerst zelf voor een persoonlijk gesprek uit te nodigen. Ondanks dat verzoek lag de zaak toch binnen een kwartier ongenuanceerd en op diverse punten zelfs volledig fout op straat.
Klaagster stelt verder dat sprake is van een leugenachtige publicatie van een op de AFM-website gepubliceerde dwangsom wegens het volgens de AFM te laat aanleveren van een document, waarover volgens mailverkeer met de AFM een interpretatieverschil bestaat. De desbetreffende publicatie van verweerder is zeer overhaast verricht, zonder enig overleg met klaagster, en bevat fouten op diverse fronten. Zou hierover direct wederhoor zijn toegepast, dan had klaagster een en ander kunnen uitleggen.
Verder brengt klaagster ter zitting naar voren dat de artikelen feitelijk juist zijn, maar dat de wijze van berichtgeving voor haar bijzonder schadelijk is. Slechts éénmaal binnen een reeks van tien artikelen is positief over haar bericht, aldus klaagster. Zij wijst op een aantal voorbeelden in de gewraakte artikelen waaruit volgens haar blijkt dat sprake is van tendentieuze berichtgeving. Daarbij komt dat de berichtgeving steeds leidt tot een anoniem forum vol met rottigheid en leugens, aldus klaagster.

Ook wijst zij erop dat verweerder contact heeft opgenomen met personeelsleden om hen lastig te vallen met insinuerende vragen en dat verweerder hautain heeft gereageerd op een brandbrief van de ondernemingsraad van klaagster.
Klaagster betoogt dat verweerder bewust heeft gekozen voor stelselmatige beschadiging van haar goede naam door tendentieuze berichtgeving.
Ten aanzien van haar ontvankelijkheid stelt klaagster dat zij in eerste instantie dacht dat het volledig negeren de beste weg was. Zij is nu tot het inzicht gekomen dat de leugens van verweerder haar enorme schade berokkenen. Daarom acht klaagster het noodzakelijk dat ze teruggrijpt op oudere publicaties, om daarmee te bereiken dat verweerder alles rectificeert. Klaagster verzoekt de Raad daarom haar klacht integraal te behandelen.
 
Verweerder stelt voorop dat klaagster in haar klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard, voor zover die betrekking heeft op publicaties die ouder zijn dan zes maanden.
Voor het overige betwist verweerder dat hij bewust tendentieuze, eenzijdige en leugenachtige koppen plaatst. Volgens verweerder is het journalistiek gebruikelijk om koppen scherp aan te zetten en vinden de koppen hun grond in de berichtgeving. Hij stelt voorts dat de artikelen, waaronder de koppen, geen onwaarheden bevatten. Verder wijst hij erop dat hij regelmatig berichten heeft geplaatst waarin klaagster aan het woord is gekomen. Die berichten maken echter geen deel uit van de klacht.
Verweerder meent dat de berichten waarheidsgetrouw zijn. Nergens wordt gesuggereerd dat klanten slecht af zijn bij klaagster. Bovendien is een aantal artikelen vooraf aan klaagster voorgelegd. Klaagster heeft daarbij nimmer geklaagd over de gestelde reactietermijn en heeft regelmatig gebruik gemaakt van de mogelijkheid te reageren. Voor zover de daarbij naar voren gebrachte correcties feitelijke informatie betroffen, zijn die steeds in de publicaties verwerkt. Volgens verweerder is hij niet gehouden om niet-onderbouwde verzoeken van klaagster om van publicatie af te zien, te honoreren.
Ten aanzien van het artikel over de door de AFM opgelegde dwangsom wijst verweerder erop dat dit bericht van de website van de AFM is overgenomen. Via die site is het bericht dus al overal leesbaar. Na het plaatsen van het artikel is direct met klaagster contact opgenomen. Haar reactie is drie uur later op de website van verweerder geplaatst. Verweerder benadrukt dat klaagster het mogelijk niet eens is met de dwangsom, maar dat zij niet stelt dat het artikel feitelijke onjuistheden bevat.
Verweerder bevestigt dat hij contact heeft gehad met personeelsleden van klaagster, en wel nadat medewerkers contactgegevens aan hem ter beschikking hadden gesteld. Hij heeft in die contacten altijd kenbaar gemaakt dat hij journalist is en indien medewerkers niet wensten te reageren, zijn zij niet verder benaderd. Verweerder erkent voorts dat hij op een brief van de ondernemingsraad heeft gereageerd en daarbij heeft betoogd dat hij zich aan alle normen van zorgvuldigheid en waarheidsgetrouwheid heeft gehouden.
Met betrekking tot het forum wijst verweerder erop dat reacties op publicaties actief worden gecontroleerd. Plaatsingen die in strijd zijn met de gedragsregels of anderszins van bedenkelijke aard zijn, worden pro-actief verwijderd. De afgelopen zes maanden is van klaagster geen verzoek ontvangen om specifieke plaatsingen te verwijderen.
Verweerder is van mening dat de artikelen over klaagster niet leugenachtig, eenzijdig of tendentieus zijn. Evenmin is het de intentie van verweerder om klaagster schade te berokkenen.
Ter zitting wijst verweerder erop dat hij in januari nog op bezoek is geweest bij klaagster en dat vervolgens een interview met de directie heeft plaatsgevonden. Op basis daarvan is een positief artikel gepubliceerd waarin aandacht is besteed aan de toekomstblik van klaagster. Van bewuste negatieve aandacht aan klaagster is dan ook geen sprake, aldus verweerder.
 
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID voor zover de klacht is gericht tegen publicaties uit de periode 24 december 2009 tot en met 12 november 2010
 
Artikel 2a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek luidt:
  1. Een klaagschrift moet worden ingediend binnen 6 maanden nadat de journalistieke gedraging, waartegen de klacht is gericht, heeft plaatsgevonden.
  2. Een klaagschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn door het secretariaat van de Raad voor de Journalistiek is ontvangen.
  3.  Indien een klaagschrift niet tijdig is ingediend, is de klaagster in zijn klacht niet-ontvankelijk.
  4. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend klaagschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de klaagster in verzuim is geweest.
Vaststaat dat de klacht voor zover gericht tegen de berichtgeving gedateerd in de periode 24 december 2009 tot en met 12 november 2010, niet binnen zes maanden na de publicatiedatum bij de Raad is binnengekomen.
 
Klaagster heeft aangevoerd dat het haar aanvankelijk de beste weg leek om de publicaties te negeren, maar dat zij inmiddels tot het inzicht is gekomen dat het totaal aan publicaties haar schade berokkent. Deze overweging van klaagster kan naar het oordeel van de Raad echter niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid die de termijnoverschrijding rechtvaardigt.
 
Voor zover de klacht is gericht tegen de berichtgeving in de periode 24 december 2009 tot en met 12 november 2010 moet klaagster daarin dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat vervolgens opnieuw artikelen over klaagster zijn verschenen waartegen zij bezwaar maakt, doet daaraan niet af. (vgl. onder meer: RvdJ 2009/27)
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT voor zover die betrekking heeft op de publicaties van 7 april en 6 mei 2011
 
Kern van de klacht is dat verweerder stelselmatig onjuist, tendentieus en onnodig negatief over klaagster heeft bericht. De Raad zal zich tot die kern beperken.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. Het stond verweerder daarom vrij over klaagster en de door de AFM opgelegde dwangsom te berichten. De omstandigheid dat klaagster het niet eens is met de opgelegde dwangsom, maakt dit niet anders. (zie punt 1.2. van de Leidraad van de Raad)
Verder stelt de Raad vast dat de gewraakte artikelen betrekking hebben op een door de AFM opgelegde dwangsom en het effect daarvan op klaagster. Het betreft hier berichtgeving van feitelijke aard. Ook de boven de artikelen geplaatste koppen zijn van feitelijke aard en dekken bovendien de inhoud van de artikelen. Het artikel van 7 april 2011 is gebaseerd op informatie afkomstig van de website van de AFM. Verweerder mocht uitgaan van de betrouwbaarheid van deze bron en van de juistheid van die informatie. In het artikel van 6 mei 2011 is voorts vrijwel direct een reactie van klaagster opgenomen. Ter zitting heeft klaagster erkend dat de artikelen geen feitelijke onjuistheden bevatten.
 
Ten slotte is niet gebleken dat verweerder stelselmatig tendentieus en onnodig negatief over klaagster heeft bericht. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat verweerder heeft aangevoerd dat hij begin dit jaar een interview met de directie van klaagster heeft geplaatst, waarin onder meer aandacht is besteed aan de toekomstblik van klaagster. Klaagster heeft dit niet weersproken.
 
Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING
 
Klaagster is niet-ontvankelijk in haar klacht voor zover deze betrekking heeft publicaties uit de periode 24 december 2009 tot en met 12 november 2010.
 
Voor zover de klacht betrekking heeft op de publicaties van 7 april en 6 mei 2011 is deze ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 2 augustus 2011 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, H. Blanken, M.C. Doolaard, ir. B.L. Hooghoudt en mw. J.R. van Ooijen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.