2011/51 deels gegrond onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad
 
Bij brief van 17 mei 2011 met twee bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad (hierna: verweerder). Vervolgens heeft klager bij brief van 23 mei 2011 met twee bijlagen zijn klacht aangevuld. In een brief van 26 mei met twee bijlagen heeft T. Rooms, hoofdredacteur a.i., op de klacht geantwoord. Klager heeft zijn klacht voorts verder aangevuld bij brief van 26 mei 2011 met twee bijlagen. Daarop heeft Rooms nog geantwoord in een brief van 15 juni 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 juni 2011, in aanwezigheid van klager. Verweerder is daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 14 mei 2011 is in het Brabants Dagblad een artikel verschenen, van de hand van D. van der Meijden, onder de kop “Rapportage over landmeting wijst uit: geen ‘landjepik’ in [plaatsnaam]”. Het artikel vangt aan met de volgende passage:
“Familie Y aan de […]weg in [plaatsnaam] heeft niet in het geniep ‘landjepik’ gepleegd op de grond van de buurman X. Dat blijkt uit een rapportage van de landmeter die de kadastrale kaart nog eens heeft nagemeten.
X heeft al verschillende rechtszaken aangespannen tegen zijn buurman. En bij de laatste zitting beschuldigde hij Y van ‘landjepik’.”
Het artikel bevat verder een reactie van de bedoelde buurman van klager, waaronder:
“Y is het ‘chagrijn’ en ‘gefiep’ van zijn buurman helemaal zat. ,,Hij roept elke keer maar wat in de rechtbank. En dan moeten wij weer dure dingen ondernemen en laten onderzoeken. Maar gelukkig heeft hij nog niet één van de zes aangespannen zaken gewonnen. Het nieuwe bestemmingsplan is er uiteindelijk gekomen, de bouwvergunning ook, we hebben het dus toch allemaal gekregen.””
 
In reactie op dit artikel heeft klager op 16 mei 2011 een ingezonden brief gestuurd aan de afdeling Lezersservice van het Brabants Dagblad. Nadat klager telefonisch contact heeft gehad met de redactie, heeft hij zijn brief nogmaals per e-mail toegezonden op 19 mei 2011 aan redacteur Van der Meijden. In zijn e-mailbericht heeft klager zijn brief nader toegelicht. In zijn toelichting heeft hij onder meer geschreven:
“Bijgaand doe ik u toekomen naar aanleiding van ons telefoongesprek van vanochtend, mijn reactie in pdf-vorm (…). Ik leg u in deze brief uit dat er nimmer sprake is geweest van landjepik, doch alleen van een door Y ruim een jaar lang in stand gehouden onzekerheid of met een overduidelijk verplaatst erfteken nog wel DE erfgrens gerespecteerd kon worden. (…) Ik vraag u in deze ingezonden brief om een wederwoord. Tevens nodig ik u uit om met eigen ogen te zien hoe de nu reeds driemaal door het kadaster (1987, 2004 en 2011) alweer bevestigde perceelgrens zichtbaar gemaakt is met een aan de erftekens bevestigde strakgetrokken witte draad. (…) Bij dit al is het ook nog goed om te weten, dat Y op 28 april 2011 een omgevingsvergunning heeft aangevraagd bij de gemeente Boxtel voor verplaatsing van zijn garage. De aanvraag is vandaag door de gemeente gepubliceerd. (…) Het is niet de eerste keer, dat het spel niet open wordt gespeeld. Ik verwijs u wat betreft mijn mening over het thema ‘seniorenwoning’, zoals dat door de Y in het artikel wordt verteld, naar de laatste alinea van mijn ingezonden brief. (…) Hoe dan ook, u weet nu hoe de vork in de juiste steel zit. Uw lezers gunnen wij ook graag om de waarheid, en niets dan de waarheid te weten. Graag ben ik bereid het mij geboden wederwoord toe te lichten.”
 
Vervolgens is op 20 mei 2011 een artikel in het Brabants Dagblad verschenen, eveneens van de hand van Van der Meijden, onder de kop “Ruzie over landjepik gaat verder”. Het artikel luidt als volgt:
“X en Y, woonachtig aan de […]weg in [plaatsnaam], blijven in conflict over waar de grens ligt tussen twee percelen grond van de families. Op een stuk land liet Y al een woning bouwen. De bouw van een garage staat nog op de planning, tegen de perceelsgrens van X.
Familie Y dacht dat het na de komst van een landmeter wel over zou zijn met het conflict over welk land ‘mijn en dijn’ is. Maar X beweert dat zij het bij het rechte eind heeft en heeft de advocaat van Y laten weten dat op sommige delen van de grond de perceelsgrens wordt overschreden. X: ,,Overduidelijk is een van de zuidelijke erftekens verzet. Op andere plekken langs de erflijn was ik in overtreding. Maar ik heb die leidingen weggehaald.” Y zegt dat hij in het gelijk staat en dat de landmeter niet anders constateert dan wat al in de boeken stond bij opmetingen in 1987 en 2004. X geeft ondertussen aan dat hij het kwalijk vindt dat zijn buurman een seniorenwoning heeft laten bouwen die hij heeft verkocht. ,,Y werd in de bestemmingsplanprocedure gunstig beoordeeld door het argument een seniorenwoning te maken. Maar dus niet voor hemzelf, blijkt nu.””
 
Bij e-mailbericht van 24 mei 2011 heeft klager vervolgens een ingekorte versie van zijn ingezonden brief aan de redactie gestuurd met de kop “Landjepik in [plaatsnaam]? Van de zotte!; Boerenbedrog! ’t Is een schande!” De eerste alinea van deze brief luidt:
“Op 14 en 20 mei jongstleden publiceert het Brabants Dagblad over ‘landjepik in [plaatsnaam]’. Wat u (uit de mond van ‘onze’ ‘buren’ aan de […]weg) optekent, staat haaks op uw Leidraad Ethisch Handelen: één bron, geen wederhoor, ongeverifieerd, tendentieus, nieuwscreatie, onwaarheden, onjuist citeren, eigen verbeelding, privacy-aantasting, etc. Mijn ingezonden brief van 16 mei publiceert u niet; de inhoud misbruikt u voor uw artikel van de 20e.”
In zijn begeleidend schrijven heeft klager verzocht de tekst en opmaak van zijn brief te handhaven en de brief te publiceren op zaterdag 28 mei in de Meierij-katern.
 
Op 26 mei 2011 is de ingezonden brief van klager geplaatst in de rubriek ‘Brieven’ onder de kop “Landjepik? Boerenbedrog!”.  Daarbij zijn de term ‘privacy-aantasting’ en de laatste zin uit de eerste alinea geschrapt.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat in het artikel van 14 mei 2011 ten onrechte zijn naam en herleidbare adresgegevens zijn vermeld, terwijl het een privé-kwestie betreft. Voorts wijst klager erop dat wederhoor de onjuiste voorstelling van zaken in het artikel had kunnen voorkomen. Ter zitting stelt klager dat het hem met name gaat om het gebruik van de term ‘landjepik’. Volgens hem is geen sprake van een dispuut, maar van een meningsverschil, waarbij het gaat om het verkrijgen van duidelijkheid over de exacte locatie van de erfgrens.
Met betrekking tot het artikel van 20 mei 2011 stelt klager dat daarin misbruik is gemaakt van zijn ingezonden brief. Klager voert aan dat hij de brief aanvankelijk had gezonden naar de lezersredactie. Toen de brief niet werd geplaatst heeft hij telefonisch contact opgenomen met redacteur Van der Meijden. Volgens klager meldde deze dat de brief nog niet was ontvangen, waarna hij de brief per e-mail aan Van der Meijden heeft toegestuurd. Ter zitting deelt klager desgevraagd mee dat hij in het telefoongesprek expliciet aan Van der Meijden kenbaar heeft gemaakt dat het hem er om te doen was dat zijn brief alsnog werd geplaatst. In het artikel van 20 mei is vervolgens het tegendeel van de door hem aangereikte en verifieerbare informatie gepubliceerd. Er zijn zaken bewust uit hun verband gehaald, er is verslag gedaan van onwaarheden en hem zijn woorden in de mond gelegd die hij niet heeft geuit, aldus klager.
Hij wijst erop dat hem pas in de middag van 20 mei – dus ná het verschijnen van het artikel van die dag – per e-mail kenbaar is gemaakt dat zijn ingezonden brief te lang was. Om die reden heeft hij een nieuwe versie opgesteld die aan alle door het Brabants Dagblad gestelde eisen voor dergelijke brieven voldoet. Zo bevatte de tweede versie van zijn ingezonden brief minder dan 200 woorden. Klager heeft aanvankelijk laten weten prijs te stellen op een zekere anonimiteit, maar is uiteindelijk akkoord gegaan met de vermelding van zijn naam onder de brief. Aan zijn verzoek om de brief op zaterdag 28 mei te publiceren is geen gehoor gegeven. Maar erger is volgens klager, dat de brief slechts deels is gepubliceerd en dat is weggelaten wat verweerder niet welgevallig was. Zo is niet gepubliceerd dat klager verweerder kwalijk neemt dat bij eerdere publicaties zijn privacy is geschonden. En ook de vermelding dat hij het verweerder kwalijk neemt dat zijn brief van 16 mei niet is gepubliceerd, maar dat de inhoud ervan voor een artikel van de 20e mei is misbruikt, is geschrapt. Daarnaast wijst klager erop dat de door hem aangereikte titel slechts deels is gebruikt en dat de door hem aangebrachte aanhalingstekens niet zijn overgenomen. Ter zitting voert klager aan dat nu hij zich heeft gehouden aan de regels van het Brabants Dagblad, hij mocht verwachten dat de brief ook volledig werd gepubliceerd. En als dan al besloten wordt tot het schrappen van een aantal zinnen, dan had verweerder in elk geval contact moeten opnemen om te verifiëren of de schrijver van de brief daarmee akkoord was, aldus klager ter zitting.
Klager concludeert dat verweerder al met al op meerdere punten in strijd heeft gehandeld met de eigen ethische leidraad en blijk heeft gegeven van onzorgvuldige journalistiek.
 
Verweerder stelt dat de klacht aangaande het artikel van 14 mei 2011 reeds door klager is ingediend op het moment dat hij daarover nog volop in gesprek was met de redactie. In het gesprek met Van der Meijden is klager de gelegenheid geboden zijn visie te geven op de kwestie. Naar aanleiding van dat contact is het artikel van 20 mei 2011 gepubliceerd. Bovendien is op 26 mei 2011 de door klager ingezonden brief gepubliceerd. Dat dit laatste wat tijd in beslag heeft genomen, had te maken met het feit dat met klager gecommuniceerd moest worden over het inkorten van de brief en de door klager gewenste anonimiteit, aldus verweerder. Volgens hem is niet onzorgvuldig en/of tegen de basisregels van de journalistiek gehandeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bevat de volgende onderdelen:
  1. Het artikel van 14 mei 2011 bevat ten onrechte de naam en herleidbare adresgegevens van klager.
  2. Ten aanzien van het artikel van 14 mei is ten onrechte geen wederhoor toegepast, waardoor een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven.
  3. Ten onrechte is bij het artikel van 20 mei 2011 gebruik gemaakt van de eerste versie van klagers ingezonden brief.
  4. Ten onrechte is bij de publicatie van de tweede versie van klagers ingezonden brief een aantal zinnen geschrapt.
Ad 1.
De Raad overweegt dat verweerder reeds eerder aandacht heeft besteed aan een procedure tussen klager en de gemeente inzake de wijziging van een bestemmingsplan betreffende de gronden van klagers buren. In die berichtgeving zijn de naam en herleidbare adresgegevens van klager vermeld. In dat verband overweegt de Raad dat in het algemeen geen bezwaar bestaat tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen in verslagen van een civielrechtelijke of bestuursrechtelijke procedure. (zie punt 2.4.10. van de Leidraad van de Raad)
 
Hoewel in het artikel van 14 mei 2011 niet opnieuw verslag wordt gedaan van de hiervoor bedoelde bestuursrechtelijke procedure, kan de publicatie worden aangemerkt als een vervolg op die eerdere berichtgeving. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerder daarom niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld door in het artikel van 14 mei 2011 opnieuw de naam en herleidbare adresgegevens van klager te vermelden. Van een onevenredige aantasting van klagers privacy is geen sprake.
 
Ad 2.
De Raad stelt voorop dat de journalist waarheidsgetrouw behoort te berichten. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. De journalist behoeft geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punten 1.1. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
 
Daarnaast past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. Het beginsel van wederhoor geldt niet voor berichtgeving van feitelijke aard. Desalniettemin kan een dergelijke publicatie iemands belang zodanig raken dat wederhoor geboden is. (zie punten 2.3.1. en 2.3.4. van de Leidraad)
 
De Raad constateert dat het artikel van 14 mei 2011 betrekking heeft op een door een landmeter opgestelde rapportage aangaande de erfgrens tussen de gronden van klager en de gronden van diens buurman. Ten behoeve van een feitelijke publicatie over een dergelijke rapportage bestond op zich voor verweerder geen noodzaak voor hoor en wederhoor.
Echter, verweerder heeft niet louter feitelijk bericht over de resultaten van de bedoelde rapportage. Hij heeft tevens de buurman van klager om een reactie gevraagd en die reactie in het artikel opgenomen. De wijze waarop de betrokken buurman zich over de kwestie en klager heeft uitgelaten is van dien aard dat daarmee een gekleurd beeld over de kwestie en een onnodig negatief beeld over klager is ontstaan.
 
Naar het oordeel van de Raad had het toepassen van wederhoor bij klager tot een genuanceerder en meer evenwichtig beeld over de kwestie kunnen leiden. Door dit achterwege te laten heeft verweerder in dit geval de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
Ad 3.
Niet in geschil is dat voorafgaande aan de publicatie van 20 mei 2011 telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen klager en redacteur Van der Meijden. Naar aanleiding van dat contact heeft klager op 19 mei de eerder door hem aan de lezersredactie verzonden brief gemaild aan Van der Meijden. In dat e-mailbericht heeft klager zijn brief nader toegelicht.
 
Ter zitting heeft desgevraagd klager aangevoerd dat hij aan Van der Meijden heeft duidelijk gemaakt dat hij slechts publicatie van zijn ingezonden brief voor ogen had. Uit hetgeen door verweerder is gesteld, maakt de Raad op dat Van der Meijden het telefoongesprek heeft aangemerkt als een gelegenheid voor klager om zijn visie op de kwestie naar voren te brengen, waarbij het hem vrijstond klagers visie – los van diens ingezonden brief – te publiceren.

De Raad constateert dat partijen kennelijk een verschillende indruk hadden over de strekking van het telefonisch contact. De Raad heeft onvoldoende inzicht in hetgeen tussen partijen daadwerkelijk is besproken. Onder deze omstandigheden kan hij zich dan ook niet uitlaten over de vraag of verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door delen van de ingezonden brief en/of tijdens het telefoongesprek door klager verstrekte informatie te gebruiken in de publicatie van 20 mei 2011. De Raad onthoudt zich daarom op dit punt van een oordeel.
 
Ad 4.
De Raad stelt voorop dat het de redactie vrij staat ingezonden brieven en andere reacties van een naschrift te voorzien of niet te plaatsen, tenzij plaatsing geboden is vanwege bijzondere omstandigheden. Wijziging en inkorting zijn toegestaan zolang de inhoudelijke essentie en de toonzetting behouden blijven. (zie punt 5.2. van de Leidraad)
 
Dat een ingezonden brief het door een redactie vooraf gesteld maximum aantal woorden niet overschrijdt, laat de vrijheid tot inkorting of wijziging onverlet.
 
Naar het oordeel van de Raad is de inhoudelijke essentie van de ingezonden brief van klager – waaronder de omstandigheid dat hij kritiek heeft op de werkwijze van verweerder – door de aangebrachte wijzigingen niet aangetast. Gelet op de eerdere contacten met klager en gezien het uitdrukkelijk verzoek van klager om de tekst en opmaak van zijn brief te handhaven, had het verweerder gesierd als hij vooraf contact met klager had opgenomen om hem in kennis te stellen van de voorgenomen aanpassingen van de brief. Dat verweerder dat heeft nagelaten is echter onvoldoende voor de conclusie dat hij op dit punt journalistiek ontoelaatbaar heeft gehandeld. Dit onderdeel van de klacht is derhalve ongegrond.

BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op het achterwege laten van wederhoor bij de publicatie van 14 mei 2011 (onderdeel 2.).  De Raad onthoudt zich van een oordeel voor zover de klacht betrekking heeft op het gebruik van de door klager ingezonden brief door verweerder voor het artikel van 20 mei 2011 (onderdeel 3). Voor het overige is de klacht ongegrond (onderdelen 1. en 4.).    
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Brabants Dagblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 2 augustus 2011 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, H. Blanken, M.C. Doolaard, ir. B.L. Hooghoudt en mw. J.R. van Ooijen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.