2011/50 toegewezen

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van
 
mr. F. IJspeerd
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 4 maart 2011 (RvdJ 2011/15) betreffende zijn klacht tegen
 
de hoofdredacteur van Binnenlands Bestuur
 
Per brief van 16 maart 2011 met diverse bijlagen heeft mr. F. IJspeerd (hierna: verzoeker) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 4 maart 2011 inzake de klacht van verzoeker tegen de hoofdredacteur van Binnenlands Bestuur (hierna: verweerder). Bij brief van 3 mei 2011 met vijf bijlagen heeft verzoeker zijn verzoek nader toegelicht. E. van Zwam, hoofdredacteur, heeft in een brief van 16 mei 2011 op het verzoek geantwoord. Verzoeker heeft daarop gereageerd bij brief van 22 mei 2011 met twee bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 mei 2011, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Bij brief van 29 november 2010 met diverse bijlagen heeft verzoeker een klacht ingediend tegen verweerder betreffende een publicatie op de website www.binnenlandsbestuur.nl, gedateerd op 27 augustus 2010, met de kop “Gemeentemedewerker chanteert VNG met Wob”. In de berichtgeving wordt – kort samengevat – aandacht besteed aan de verzoeken die verzoeker op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) heeft gedaan. In de berichtgeving zijn de naam van verzoeker en diens woonplaats vermeld. Daarnaast is vermeld voor welke gemeente verzoeker werkzaam is.
 
Bij uitspraak van 4 maart 2011 heeft de Raad de klacht van verzoeker ongegrond verklaard, waarbij de Raad onder meer het volgende heeft overwogen:
“Kern van de klacht is dat verweerder journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld door het verzoek van klager om anonimisering van de publicatie niet te honoreren.
In het gewraakte artikel wordt aandacht besteed aan een groot aantal Wob-verzoeken dat door klager is ingediend en de daaruit voortvloeiende reactie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Het staat een journalist vrij over een dergelijk onderwerp te berichten en daarbij de achtergrond van de kwestie te schetsen. De journalist behoeft immers geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
In dit geval is van belang dat uit de door verweerder overgelegde stukken is gebleken dat klager met het plaatsen van diverse berichten op het internet over dezelfde kwestie – zowel voor als na de gewraakte publicatie – bewust de openbaarheid heeft gezocht.
De Raad is voorts van oordeel dat het vermelden van de persoonlijke gegevens van klager, mede gezien de achtergrond van de kwestie, journalistiek relevant kan worden geacht. Aldus bestaat in dit geval geen grond voor het oordeel dat verweerder de belangen van klager bij de bescherming van diens privacy onvoldoende heeft afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend, door klagers verzoek om anonimisering van het artikel af te wijzen. Niet kan worden geconcludeerd dat de privacy van klager door de instandhouding van de publicatie disproportioneel is geschaad. Dat dit klager niet welgevallig is, kan daaraan niet afdoen. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad)”
en voorts:
“Verder heeft klager gesteld dat hij het rapport over hoe gemeenten omgaan met fraudestatistieken heeft geschreven als gemeente-ambtenaar en dat zijn handelen na weigering van de VNG om het rapport te bespreken met het ministerie van Sociale Zaken – het indienen van Wob-verzoeken – een zuivere privé-aangelegenheid was. Klager heeft betoogd dat verweerder op onheuse wijze heeft getracht nieuws te creëren door het Wob-verzoek bewust te verbinden aan het feit dat klager gemeente-ambtenaar is. In dat verband overweegt de Raad dat er een dusdanig verband bestaat tussen beide acties dat niet gesproken kan worden van het acteren in verschillende kwaliteiten; bij het eerste als ambtenaar, bij het tweede als burger. Aldus bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder op dit punt journalistiek ontoelaatbaar heeft gehandeld.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Verzoeker meent dat in de uitspraak van de Raad onjuist is vermeld dat hij heeft gesteld dat hij het rapport betreffende bijstandsfraudestatistiek als gemeenteambtenaar zou hebben geschreven. Ook verweerder heeft dit in zijn verweerschrift ten onrechte naar voren gebracht en zich daarbij op het standpunt gesteld dat verzoeker aldus geen recht zou hebben op privacy. Verzoeker stelt dat dit standpunt onjuist is en benadrukt dat een integere journalist de waarheid dient te vertellen. Hij wijst erop dat in zijn rapport juist duidelijk is vermeld dat hij de publicatie op persoonlijke titel heeft geschreven.
Volgens verzoeker zou zijn werkgever alle reden hebben gehad hem te ontslaan wanneer hij het rapport als ambtenaar zou hebben geschreven om vervolgens als burger de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) te chanteren. Hij heeft – gezien zijn positie als ambtenaar – de Wob-verzoeken bewust op persoonlijke titel ingediend en nergens vermeld dat hij ambtenaar is. Verzoeker wijst erop dat hij slechts voor zijn broodwinning ambtenaar is bij de gemeente IJsselstein.
Voorts stelt verzoeker dat het gewraakte artikel het niveau van een roddelblad heeft. De kop doet volgens hem vermoeden dat hij als gemeenteambtenaar chantage zou hebben gepleegd. Dit is in strijd met de werkelijkheid en met de in het colofon opgenomen passage dat Binnenlands Bestuur een onafhankelijk weekblad is, aldus verzoeker.
In zijn aanvullende brieven van 3 en 22 mei 2011 wijst verzoeker nog op een publicatie in Binnenlands Bestuur van 22 december 2010 met de kop “(Ex-)ambtenaar zette gemeente eerder onder druk”. Volgens verzoeker is in dit artikel (dat is gebaseerd op een interview dat hij zonder voorwaarden vooraf aan Binnenlands Bestuur heeft gegeven) ten onrechte bericht dat hij zou zijn ontslagen. Verzoeker constateert dat verweerder niet in staat is gebleken om met zijn verantwoordelijkheid tot waarheidsgetrouwe verslaglegging om te gaan. Hij meent dat verweerder hem eenzijdig probeert af te schilderen als enfant terrible.
 
Verweerder stelt dat verzoeker stukken inbrengt van ná de uitspraak van de Raad. Het gaat bovendien om stukken die niet rechtstreeks met de onderhavige kwestie te maken hebben, aldus verweerder. Hij meent dat het herzieningsverzoek geen nieuwe feiten heeft opgeleverd, waardoor een herziening van de uitspraak onnodig is.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker terecht aangevoerd dat in de uitspraak van de Raad van 4 maart 2011onjuist staat vermeld dat verzoeker heeft gesteld dat hij het rapport ‘Bijstandsfraudestatistiek van het CBS: van oud werken naar nieuw werken?’ heeft geschreven als gemeente-ambtenaar. Uit de stukken blijkt niet dat klager dat in eerste aanleg heeft gesteld, terwijl voorts is komen vast te staan dat verzoeker de publicatie heeft geschreven op persoonlijke titel. Aldus is de Raad van oordeel dat de beslissing in zoverre berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
 
In zijn verzoek tot herziening betwist verzoeker echter niet dat hij door het plaatsen van diverse berichten op het internet over de kwestie bewust de openbaarheid heeft gezocht en daarbij zijn persoonlijke gegevens heeft vermeld. Reeds vóór de berichtgeving van verweerder van 27 augustus 2010 was op de website van de VNG een bericht van 24 augustus 2010 geplaatst, waarin over de kwestie is bericht met vermelding van de naam en woonplaats van verzoeker. Uit de door verzoeker overgelegde stukken blijkt voorts dat zijn handelwijze van invloed is geweest op (de perceptie van zijn werkgever van) zijn functioneren als gemeente-ambtenaar. Dit maakt dat de omstandigheid dat verzoeker gemeente-ambtenaar is, een relevante rol speelt in de affaire. De stelling van verzoeker dat hij in deze kwestie slechts als burger en niet als gemeente-ambtenaar heeft geacteerd, miskent dan ook dat zijn functie als gemeente-ambtenaar in deze kwestie wel degelijk van belang was. Het stond verweerder derhalve vrij de functie van klager als gemeente-ambtenaar te betrekken in de berichtgeving op de wijze zoals hij heeft gedaan. Niet is gebleken dat verweerder op onheuse wijze heeft getracht daarmee nieuws te creëren.
 
De herzieningskamer is dan ook van oordeel dat een en ander niet leidt tot een andere beslissing in de klachtzaak. (zie punt 10a lid 7 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek)
 
Voor zover verzoeker heeft gewezen op de publicatie van 22 december 2010 overweegt de herzieningskamer dat die publicatie geen onderdeel uitmaakte van de klacht waarover de Raad in zijn beslissing van 4 maart 2011 heeft geoordeeld en dat een herzieningsprocedure ex artikel 10a van het Reglement zich niet leent voor een uitbreiding van de klacht. Ter beoordeling van de herzieningskamer staat immers slechts of de beslissing van de Raad, waarvan herziening wordt gevraagd, berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De herzieningskamer zal zich over deze publicatie dan ook niet uitlaten.
 
BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt toegewezen, maar de herzieningskamer handhaaft de beslissing van de Raad van 4 maart 2011 te weten dat de klacht tegen de hoofdredacteur van Binnenlands Bestuur ongegrond is.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 29 juli 2011 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, mr. T.E. Klein,M. Ülger en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, adjunct-secretaris.