2011/5 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Panorama
 
Bij brief van 16 september 2010 heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Panorama (hierna: verweerder). Vervolgens heeft klager bij brief, door de Raad ontvangen op 19 oktober 2010, nog een bijlage overgelegd. Ten slotte heeft klager bij schrijven van 5 november 2010 zijn klacht nader toegelicht.
Mw. R. Kalkman, juridische zaken Sanoma Uitgevers, heeft namens verweerder op de klacht geantwoord in een brief van 18 november 2010.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 december 2010. Klager is daar niet verschenen. Namens verweerder was V. Olling, chef redactie Panorama, aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op 25 augustus 2010 is in Panorama een artikel van de hand van H.J. Korterink verschenen onder de kop “’Ik krijg de doodsteek!’” met het chapeau “Greg Remmers, voor uitlevering, lucht zijn hart”. De intro van het artikel luidt:
“In juni werd Greg Remmers opgepakt, peetvader van de Nederlandse onderwereld en vader van de veelbesproken Jesse. Panorama wist hem in de gevangenis te bereiken en voor het eerst in zijn leven praat hij nu met de pers. Om duidelijk te maken dat er geen enkele reden is om hem uit te leveren aan Italië wegens een grote cocaïnezaak.”
Over klager is onder het kopje “700 kilo coke” het volgende vermeld:
“De eerste link naar Nederlandse betrokkenheid was dat de Italiaan [X] uit [woonplaats] in het dossier opdook. Hij zou bekendstaan als een lid van de beruchte Camorra en hij zou de contacten met Nederland moeten leggen om daar een partij te slijten.
Remmers: “Die [X] heb ik in 2006 een paar keer ontmoet. De man heeft een heleboel kinderen, hij was dringend op zoek naar woonruimte, ik was makelaar in Amstelveen en heb in die periode van vier maanden een paar keer contact gehad met hem en die […], die dus op die foto staat bij het Mercure Hotel. Het ging over woonruimte, niet over drugs.””
Voorts is onder het kopje “’Ik had geen vliegtuig!’” over klager vermeld:
“Remmers: “Voor zover ik het nu begrijp is mijn naam genoemd in een telefoongesprek vanuit een Fiat Ulysse, in Italië. Ik weet niet door wie, het zou die [X] kunnen zijn, maar er zijn meer mensen die mij kennen. (…)” Uit het Italiaanse dossier wordt in grote lijnen duidelijk waar de vier Nederlanders van worden verdacht.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat in het artikel zijn naam en woonplaats zijn vermeld, zonder dat verweerder hiervoor toestemming heeft gevraagd. [woonplaats] is een kleine plaats en iedereen kent elkaar. Het artikel heeft een negatieve invloed op de leefsituatie van het gehele gezin, vooral voor de schoolgaande kinderen van klager. Klager en zijn gezin voelen zich door de vermelding van klagers naam en woonplaats ten onrechte gecriminaliseerd. Volgens klager is derhalve zijn privacy ongerechtvaardigd aangetast en heeft verweerder daarmee de grenzen van zorgvuldige journalistiek overschreden.

Verweerder stelt voorop dat voor de publicatie geen toestemming of instemming van klager nodig was. Voorts wordt klager naar aanleiding van een interview met Remmers slechts zijdelings genoemd, waarbij enkel zijn voornaam met de eerste letter van zijn achternaam zijn vermeld.
Verder stelt verweerder dat Korterink de vermelding van klager heeft gebaseerd op informatie die naar voren is gekomen tijdens openbare zittingen van de rechtbank Amsterdam, waarbij hij aanwezig is geweest. De zittingen betroffen een verzoek van justitie in Italië aan Nederland om uitleveringen van diverse personen – waaronder Remmers en klager – op verdenking van strafbare feiten. De strekking van het artikel is dat voor alle verdachten geldt dat de gronden waarop Italië om uitlevering heeft verzocht uiterst dun zijn en dat het zeer de vraag is of de verdachten schuldig zijn aan enige vorm van betrokkenheid bij wat hen wordt verweten. Tijdens de zitting kwam naar voren dat uit het dossier blijkt dat de Italiaanse justitie klager ervan verdenkt connecties te hebben met de Camorra. Voor de vermelding van klagers naam bestaat dus een deugdelijke grondslag. Tevens is helder tot uitdrukking gebracht – door gebruik van het woord ‘zou’ – dat het slechts om een verdenking gaat. Verder wordt klager alleen met voornaam vermeld in een citaat uit het interview met Remmers, waaruit blijkt dat het contact tussen hen uitsluitend woonruimte betrof.
Verweerder meent dat ten aanzien van klager geen gegevens zijn gepubliceerd, waardoor hij buiten de kring van personen bij wie hij bekend is, eenvoudig zou kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd. Bovendien bestaat voor de vermelding van klager een deugdelijke grondslag, aldus verweerder.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
Kern van de klacht is dat de privacy van klager onevenredig is aangetast nu zijn naam en woonplaats in het artikel zijn vermeld.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. De journalist behoeft geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
 
Verder overweegt de Raad dat de journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie.
Bovendien dient een journalist te voorkomen dat hij gegevens in woord en beeld publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd. (zie punten 2.4.1. en 2.4.6. van de Leidraad van de Raad)
 
De wijze waarop klager in het artikel is aangeduid – met de vermelding van zijn voornaam, de initiaal van zijn achternaam en zijn woonplaats – is in het kader van berichtgeving over strafzaken journalistiek gebruikelijk en niet ontoelaatbaar. In het algemeen kan daarmee worden voorkomen dat een betrokkene eenvoudig kan worden geïdentificeerd. (vgl. RvdJ 2006/82)
 
De Raad acht het niet aannemelijk dat klager buiten de kring van personen bij wie hij al bekend was, in het artikel zal worden herkend. Naar het oordeel van de Raad is derhalve geen sprake van een ongerechtvaardigde aantasting van klagers privacy.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 2 februari 2011 door mr. drs. G.J. Wolffensperger, waarnemend voorzitter, mw. E.J.M. Lamers, A. Mellink MPA, mw. F. Santing en mr. C.A. Streefkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.