2011/49 ongegrond niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
H. Talens en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia
 
Bij brief met diverse bijlagen, door de Raad ontvangen op 23 maart 2011, heeft X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen H. Talens en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia (hierna: verweerders). Hierop heeft A. Vis, hoofdredacteur, mede namens H. Talens geantwoord in een brief van 19 april 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 mei 2011. Klaagster is daar verschenen, vergezeld door mr. P.F. Wolbers, advocaat te Delden, die het standpunt van klaagster heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Aan de zijde van verweerders zijn voornoemde Vis en Talens, verslaggever, verschenen.
 
DE FEITEN
 
In De Twentsche Courant Tubantia zijn de volgende artikelen, deels van de hand van Talens, verschenen:
  • op 29 augustus 2009: “De firma List & Bedrog”
  • op 31 juli 2010: “Over de rug van de gewone man” met het chapeau “De hebzucht van Rob L.
  • op 24 november 2010 op de voorpagina:  “Kozijnhandelaar zit vast in ziekencel”. Dit bericht bevat onder meer de volgende passage:
    “L. en twee anderen worden verdacht van grootschalige oplichting met kozijnen. Gisteren werd een regiezitting gehouden.”
  • op 24 november 2010 op pagina 2: “Detentie valt verdachte zwaar”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passage:
    “De derde verdachte, [X] (35) uit […], is eerder al vrijgelaten en meldde gisteren bij de rechtbank dat ze door ‘persoonlijke omstandigheden’ niet in staat was geweest zich op haar zaak voor te bereiden. Een sterfgeval in de familie en de opname van haar partner in het ziekenhuis speelde haar emotioneel parten.
    De drie zouden zich ten onrechte hebben voorgedaan als financieel deskundigen. Ze boden veelbelovende constructies aan die niet opleverden wat werd voorgespiegeld. Ingelegde gelden verdwenen spoorloos. Een gedupeerde ging voor 80.000 euro het schip in.
    Consumenten werden verleid kozijnen vooruit te betalen op een zogenoemde depotrekening die door de verdachten werd leeggehaald, meestal zonder dat een tegenprestatie werd geleverd.
    De frauduleuze handelingen hebben zich afgespeeld tussen oktober 2004 en 28 juni dit jaar, toen het drietal werd opgepakt. Betrokken firma’s zijn [onderneming A], [onderneming B] en [onderneming C] uit […].”
  • op 19 februari 2011: “Kozijnhandelaar ontkent”. Het artikel opent met:
    “Kozijnenhandelaar Rob L. (56) uit […] had, volgens zijn advocaat, niets te maken met de financiële afwikkeling van de verkoop van kozijnen en gaf ook geen leiding aan [onderneming A] en [onderneming B].”
    Verder bevat het artikel de volgende passage:
    “Rob L. uit […] en Rene de V. (50) uit […] worden verdacht van oplichting met financieringen, verkoop van kozijnen die wel werden betaald maar niet werden geleverd en van valsheid in geschrifte. Rob L. heeft zich volgens de tenlastelegging ten onrechte voorgedaan als financieel deskundige. Hij bewoog slachtoffers tot het aangaan van schulden en op grond van valse gegevens tot afgifte van vele tienduizenden euro's. De bedragen zouden op lucratieve renterekeningen of in lijfrentepolissen worden gestort, wat niet gebeurde. Ook verdwenen grote sommen naar een zogeheten bouwdepot van waaruit kozijnen zouden worden betaald. Het geld verdween echter in de zakken van Rob L., Rene de V. en [X] (36) uit […], de aanstaande van L. Zij wordt verdacht van betrokkenheid bij de malversaties. Het trio zou zeven ton achterover hebben gedrukt.
    [X] zou met L. betrokken zijn geweest bij [onderneming C] uit […] dat een aantal kozijnen niet leverde, maar wel liet betalen. Iets soortgelijks deed zich voor bij [onderneming D] uit […] dat op haar naam staat.”
Voorts zijn op de website van De Twentsche Courant Tubantia de volgende artikelen, deels van de hand van Talens, verschenen:
  • op 28 december 2009: “Puinhoop bij failliete firma’s”
  • op 29 juni 2010: “Twentse kozijnhandelaren opgepakt”
  • op 30 juli 2010: “[…] Rob L. was nog wel zo’n aardige man”
  • op 17 augustus 2010: “Twee Twentse kozijnhandelaren nog vast”
  • op 23 november 2010: “Kozijnhandelaar in ziekenhuisgevangenis”
  • op 26 november 2010: “Kozijnhandelaar Rene de V. blijft in cel”
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat haar privacy in meerdere publicaties is geschonden. Verder hebben verweerders volgens haar ongestoelde uitlatingen gepubliceerd over [onderneming A] en [onderneming B]. De naam van klaagster is door deze onwaarheden – die tot stand zijn gekomen op basis van niet getoetste informatie – geschaad. Voorts stelt klaagster dat een rechtgeaard journalist in deze kwestie wederhoor had moeten toepassen, maar dat zij daarvoor nooit is benaderd.
Klaagster meent dat verweerders alles uit de kast hebben getrokken om in de berichtgeving een zo negatief mogelijk beeld neer te zetten van haar partner en dat ook zij hierin op journalistiek onverantwoorde wijze is meegesleurd. Zo is zij in de berichtgeving van 31 juli 2010 weggezet als ‘Breitling-babe’ en ‘Sister in Crime’. Ter zitting merkt klaagster in dit verband op dat zij nimmer een Breitling-horloge heeft gedragen.
Voorts stelt klaagster dat zij in de berichtgeving ten onrechte is neergezet als oplichtster die, als onderdeel van een trio, 700.000 euro zou hebben verduisterd. Bovendien is zij in verband gebracht met een bedrijf waar zij nimmer heeft gewerkt. Wanneer verweerders zich hadden verdiept in de tenlastelegging en de materie, dan hadden zij niet volhardend kunnen stellen dat klaagster één van de drie hoofdverdachten is in de zaak. Ter zitting vult klaagster aan dat er in de berichtgeving geen onderscheid wordt gemaakt tussen de daadwerkelijke rol en de verdenking die op haar zou rusten. Volgens haar blijkt dat niet aan waarheidsvinding is gedaan; nu de waarheid inhoudelijk aan bod komt, zijn verweerders gestopt met publiceren over de zaak. Klaagster stelt dat verweerders haar reeds hebben veroordeeld.
In de meest recente berichtgeving van 19 februari 2011 wordt volgens klaagster wederom een verdraaid beeld gepubliceerd. Tijdens de rechtszitting is niet over klaagster gesproken. In de publicatie die betrekking heeft op de pro-formazitting van René de V. en Rob L. is ten onrechte niet vermeld dat De V. bij verstek verlenging van zijn voorarrest heeft gekregen. Volgens klaagster wordt De V. ten onrechte buiten beeld gelaten. Door de berichtgeving is de lopende rechtszaak negatief beïnvloed, aldus klaagster.
Ter zitting licht klaagster verder toe dat op een zeer voorbarige en ongefundeerde wijze conclusies zijn getrokken. Zo zijn volgens haar alle orders bij [onderneming C] conform afspraken uitgevoerd en doorbetaald. In de berichtgeving komt ten onrechte naar voren dat een aantal kozijnen niet zou zijn geleverd, waarvoor wel is betaald. Ook wordt de conclusie getrokken dat iets soortgelijks zich voordoet bij [onderneming D], terwijl volstrekt onduidelijk is of de verdenking wel is gericht tegen [onderneming D] en welke betrokkenheid klaagster daarbij zou hebben. Verder is ten onrechte gesuggereerd dat geld van een bouwdepot in haar zakken zou zijn verdwenen. Verweerders noemen verder in de berichtgeving haar bedrijfsnaam en privéomstandigheden, hetgeen volgens klaagster tot grote problemen kan leiden.
Klaagster laat weten dat sprake is van dreigementen aan haar adres van gedupeerden die door de berichtgeving denken dat zij er met hun geld vandoor is gegaan. Dit is bezijden de waarheid, hetgeen zal blijken na verloop van het proces. Intussen levert het voor haar persoonlijke en zakelijke schade op. Hierdoor heeft klaagster haar onderneming niet kunnen voortzetten en zijn enkele klanten daadwerkelijk financieel benadeeld. Klaagster vraagt zich af op welke bronnen verweerders zich hebben gebaseerd. Omdat de zakelijke contacten en de portefeuille van klaagster een flinke deuk hebben opgelopen, overweegt klaagster verweerders aansprakelijk te stellen voor de geleden schade.
Klaagster is van mening dat verweerders zich onvoldoende hebben verdiept in de zaak. Zij stelt dat een journalist niet met modder moet gooien. Het standpunt van verweerders dat zij zich hebben gebaseerd op betrouwbare bronnen in familiekringen heeft geleid tot ontsteltenis, omdat overige familieleden van haar partner eveneens persoonlijk zijn geraakt door het artikel en de onwaarheden. Ter zitting merkt klaagster op dat zij het hoogst verdrietig acht dat familie en kennissen uit een latere publicatie moesten vernemen dat klaagster voornemens is om in het huwelijk te treden met haar partner. Zij meent dat deze informatie privé had moeten blijven, omdat zij haar voornemen nog niet aan haar familie had kenbaar gemaakt. Daarnaast had de raadsvrouw van klaagsters partner aan verweerders voorafgaand aan de rechtszitting verzocht om vertrouwelijk met deze informatie om te gaan. In de publicatie van 24 november 2010 zijn verder overige privézaken, waaronder een sterfgeval en de ziekte van haar partner, aangehaald die klaagster en haar familie schaden. Klaagster stelt dat deze problemen in de berichtgeving ook in meer algemene zin omschreven hadden kunnen worden. Klaagster meent dat het verweerders niet alleen gaat om de inhoudelijke kant, maar dat zij uit zijn op een zeker spektakel en het onnodig kwetsen van personen. Hierdoor heeft klaagster vrienden verloren.
Door persoonlijke omstandigheden en door de gevolgen van de gewraakte publicaties heeft klaagster een zware periode achter de rug. Zij stelt hierdoor niet in staat te zijn geweest om zich eerder tot de Raad te wenden. Ter zitting vult klaagster aan dat zij op 28 juni 2010 is aangehouden en dat de voorlopige hechtenis op 12 augustus 2010 is opgeheven. In september 2010 is de broer van klaagster na langdurige ziekte overleden. Daarnaast is de partner van klaagster eind 2010 ernstig ziek geworden. Omdat het een reeks samenhangende artikelen betreft, meent klaagster dat zij haar klacht binnen de gestelde termijn heeft ingediend.
 
Verweerders wijzen er allereerst op dat klaagster in verband met haar ontvankelijkheid eerst een reden voor de ontheffingsgrond geeft, maar later stelt dat geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd omdat het een reeks artikelen betreft die eindigt met een publicatie binnen de termijn van zes maanden. Verweerders menen dat klaagster slechts zeer algemeen en niet overtuigend heeft aangetoond dat zij niet in staat was bijtijds haar klacht in te dienen. Ter zitting merken verweerders op de persoonlijke omstandigheden van klaagster spijtig te vinden, maar dat zij geen reden zien om inhoudelijk verweer te voeren voor zover de klacht is gericht tegen publicaties die gedateerd zijn vóór 23 september 2010.
Voor zover de klacht zich richt tegen het benoemen van de persoonlijke omstandigheden in het artikel van 24 november 2010, stellen verweerders dat terecht is geduid wat die omstandigheden zijn. Volgens verweerders behoort het tot de taak van een journalist om de lezer zo weinig mogelijk vraagtekens te bezorgen. Wanneer verweerders de omschrijving in het artikel hadden beperkt tot ‘persoonlijke omstandigheden’, had de lezer zich afgevraagd welke omstandigheden dat zouden zijn. Verweerders benadrukken voorts dat klaagster in de publicatie staat omschreven als verdachte en niet als hoofdverdachte. De feiten met betrekking tot de strafbaarheid van klaagster komen uit het persbericht van de bovenregionale recherche en de tenlastelegging. In het persbericht is tevens het bedrag van 700.000 euro genoemd. Ter zitting merken verweerders op dat zij vele gesprekken hebben gevoerd met betrokkenen. Volgens hen wordt klaagster in de berichtgeving niet veroordeeld.
Voor zover de klacht zich richt tegen de publicatie van 19 februari 2011 wijzen verweerders erop dat de eerste alinea betrekking heeft op medeverdachte René de V. en niet op klaagster. Zij beamen dat tijdens de rechtszitting van 18 februari niet over klaagster is gesproken, maar benadrukken dat klaagster en het op haar naam geregistreerde bedrijf [onderneming D] voorkomen in de tenlastelegging. Met betrekking tot deze onderneming zouden onregelmatigheden hebben plaatsgevonden. In het kader van de journalistieke zuiverheid is er reden genoeg om de naam van het bedrijf te melden, al was het maar om verwarring te voorkomen en andere kozijnbedrijven niet te compromitteren, aldus verweerders. Zij betwisten dat zij andere privéaangelegenheden van klaagster hebben vermeld.
Volgens verweerders bestond geen noodzaak klaagster te horen, omdat het verslaggeving betrof van zittingen waar klaagster terecht stond als medeverdachte. Zij merken verder op dat klaagster nooit contact met hen heeft gezocht om haar ongenoegen kenbaar te maken. De klacht van klaagster kwam dan ook als een verrassing. Ter zitting benadrukken zij in dat verband dat ook met de hoofdredactie contact had kunnen worden gezocht.
Verweerders menen dat zij zuiver hebben gehandeld.
 
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID voor zover de klacht is gericht tegen publicaties vóór 23 september 2010
 
Artikel 2a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek luidt:
  1. Een klaagschrift moet worden ingediend binnen 6 maanden nadat de journalistieke gedraging, waartegen de klacht is gericht, heeft plaatsgevonden.
  2. Een klaagschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn door het secretariaat van de Raad voor de Journalistiek is ontvangen.
  3. Indien een klaagschrift niet tijdig is ingediend, is de klager in zijn klacht niet-ontvankelijk.
  4. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend klaagschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de klager in verzuim is geweest.

Vaststaat dat de klacht, voor zover gericht tegen de berichtgeving gedateerd vóór 23 september 2010, niet binnen zes maanden na de publicatiedatum bij de Raad is binnengekomen.

Naar het oordeel van de Raad kunnen de door klaagster aangevoerde omstandigheden niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn. Hoewel de Raad begrip heeft voor de bijzondere persoonlijke omstandigheden van klaagster, bieden die onvoldoende grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding haar redelijkerwijs niet kan worden tegengeworpen. Ook binnen de periode waarin klaagster moeilijkheden ondervond had zij ruim de tijd nadere stappen te ondernemen.
 
Het had op de weg van klaagster gelegen om zich daarover tijdig te laten informeren; zij had bijvoorbeeld een klacht kunnen (laten) indienen onder voorbehoud van aanvullingen.
 
Voor zover de klacht is gericht tegen de berichtgeving vóór 23 september 2010 moet klaagster daarin dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat vervolgens opnieuw artikelen over klaagster zijn verschenen waartegen zij bezwaar maakt, doet daaraan niet af. (vgl. onder meer: RvdJ 2009/27)
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT voor zover gericht tegen publicaties vanaf 23 september 2010
 
De Raad stelt voorop dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens moet bevatten, waardoor het publiek zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit kan vormen. Daar staat tegenover dat een journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. Een journalist zal derhalve steeds een afweging dienen te maken tussen het belang dat met de publicatie is gediend en de belangen die door de publicatie worden geschaad, en zal moeten vermijden dat nodeloos schade wordt toegebracht. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek)
 
Bovendien dient een journalist te voorkomen dat hij gegevens in woord en beeld publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd. (zie punt 2.4.6. van de Leidraad)
 
De vermelding van initialen, leeftijd en woonplaats van verdachten en veroordeelden is gebruikelijk en niet onzorgvuldig. Het is derhalve de vraag of de naamsvermelding van de onderneming van klaagster en de vermelding van de privéomstandigheden al dan niet toelaatbaar zijn.
 
De Raad heeft eerder overwogen dat het niet zonder meer journalistiek onzorgvuldig is indien in een publicatie over een strafzaak de naam van een onderneming wordt vermeld. Indien de desbetreffende onderneming een essentiële rol speelt in de strafzaak kan het van zodanig maatschappelijk belang zijn om de gegevens van die onderneming in de berichtgeving te vermelden, dat het privacybelang van de daardoor eenvoudig te identificeren ondernemer daarvoor moet wijken. (vgl. RvdJ 2007/65)
 
De in de berichtgeving genoemde bedrijven, waarbij klaagster is betrokken, spelen kennelijk een relevante rol in de strafzaak waarover is bericht, nu die ondernemingen zijn genoemd in de tenlastelegging. Voor verweerders bestond dan ook voldoende aanleiding om aan te nemen dat de strafzaak (mede) op die ondernemingen betrekking had. Het is maatschappelijk en journalistiek relevant daarover te berichten op de wijze zoals verweerders in de gewraakte berichtgeving hebben gedaan.
Ten aanzien van het vermelden van de familieomstandigheden en het huwelijksvoornemen is de Raad van oordeel dat verweerders het belang van een volledige berichtgeving op een verantwoorde wijze hebben gediend door weer te geven wat op de openbare rechtszitting ter sprake is geweest. Van een disproportionele aantasting van het privéleven van klaagster is geen sprake.
 
Naar het oordeel van de Raad is overigens niet gebleken dat de berichtgeving ten aanzien van klaagster relevante onvolkomenheden bevat. Verweerders hebben in de berichtgeving voldoende duidelijk gemaakt dat de verslaggeving betrekking heeft op verdenkingen ten aanzien van klaagster c.q. ondernemingen waarbij zij is betrokken, maar dat zij nog niet is veroordeeld. Daarbij hebben verweerders voldoende onderscheid gemaakt tussen de verdenkingen ten aanzien van klaagster en die ten aanzien van de overige verdachten in de strafzaak.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders niet journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld door over klaagster te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan.
 
BESLISSING
 
Klaagster is niet-ontvankelijk in haar klacht voor zover deze is gericht tegen de publicaties gedateerd vóór 23 september 2010.
 
Voor zover de klacht betrekking heeft op de berichtgeving gedateerd ná 23 september 2010 is de klacht ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 29 juli 2011 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. M.J.H. Doomen, mr. T.E. Klein,M. Ülger en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, adjunct-secretaris.