2011/45 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
BioShape Holding B.V.
 
tegen
 
de hoofdredacteur van NRC Handelsblad
 
Bij brief van 30 november 2010 met diverse bijlagen heeft BioShape Holding B.V. te Neer (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (hierna: verweerder). Vervolgens heeft klaagster meegedeeld gebruik te willen maken van de mogelijkheid tot bemiddeling door de Raad. In een brief van 4 maart 2011 met een bijlage heeft H. Steketee, adjunct-hoofdredacteur, op de klacht en het verzoek tot bemiddeling gereageerd. Naar aanleiding daarvan heeft klaagster haar standpunt nader uiteen gezet in een e-mail van 25 maart 2011. Daarop heeft Steketee geantwoord in een brief van 7 april 2011. Ten slotte heeft de secretaris van de Raad bij brief van 18 april 2011 aan partijen bericht dat het niet opportuun wordt geacht een verdere poging tot bemiddeling te ondernemen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 mei 2011. Namens klaagster zijn daar mr. W.L. Hermans (bestuursvoorzitter) en V.H.Th.L. Paes (commissaris) verschenen. Aan de zijde van verweerder waren voornoemde Steketee en D. van Eijk, redacteur, aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op 21 september 2010 is in NRC Handelsblad een artikel verschenen onder de kop “Bioshape trekt spoor van vernieling”. De intro van het artikel luidt:
 “Bioshape uit Neer had grootse plannen met biodiesel uit Tanzania, maar stevent nu af op een bankroet – een spoor van omstreden houtkap, gedupeerde boeren en misleide geldschieters achterlatend.”
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
“Een groot plan voor de productie van schone energie in Nederland, gelanceerd door het in Neer gevestigde bedrijf Bioshape, is verworden tot een voorbeeld van controversieel misbruik van natuurlijke rijkdommen in Afrika. Bioshape verkeert nu in surseance, na 7 miljoen euro te hebben verkwist aan een bio-brandstofproject in Tanzania dat nooit van de grond is gekomen.”
en
“Maar uiteindelijk had het geld dat door grote investeerders als handelsbank Kempen & Co. en stroom- en gasleverancier Eneco op tafel was gelegd, geen ander resultaat dan dat er tropisch regenwoud werd gekapt en plaatselijke boeren werden onteigend.”
en
“De zaken lijken vanaf het allereerste begin verkeerd te zijn gegaan. ,,Bioshape is erin geslaagd land te verkrijgen met behulp van lokale autoriteiten, die de regels over de huur van land doorbraken”, legt Stanislaus Nyembea, een expert van de organisatie Lawyer Environmental Action Network, uit. (…)
,,Slechts 40 procent van de door Bioshape betaalde vergoedingen is naar de boeren gegaan. De rest ging naar het districtskantoor, dat plaatselijke dorpen had overgehaald om aan de deal mee te doen”, zegt Nyembea. ,,Ik mag officieel niet zeggen dat het een geval van omkoping was, maar het districtskantoor had geen legitiem recht om een deel van het bedrag in ontvangst te nemen.”
Directeur Hermans reageert: ,,We hebben in totaal 490.000 euro aan de lokale autoriteiten gegeven, die dit geld onder de dorpelingen moesten verspreiden. We weten niet wat er daarna is gebeurd.””
en
“Behalve de plaatselijke boeren werden ook de aandeelhouders misleid doordat gedane beloften niet werden nagekomen. Bioshape had aangekondigd dat de plantage aan het eind van het eerste jaar duizend hectare zou meten, maar het hele proces is vertraagd door extra kosten.
,,De raad van bestuur van het bedrijf was bang dat de aandeelhouders zich zouden terugtrekken uit de onderneming”, aldus Annick Miya-Verstraelen, voormalig hoofd van de afdeling Duurzaamheid en Toezicht van Bioshape. ,,In november 2008, toen ik al niet meer voor het bedrijf werkte, kwam ik erachter dat op de website van Bioshape stond dat de proefplantage 350 hectare zou meten, terwijl het in werkelijkheid nog niet eens 100 hectare was. (…)”
Directeur Hermans: ,,We hebben gewoon een fout gemaakt. Nadat we de gps-meting hadden verricht, beseften we dat we ons in het aantal hectares hadden vergist.”
Maar Miya-Verstraelen houdt staande: ,,Er werden regelmatig aangepaste rapporten over de omvang van de plantage naar de raad van bestuur in Nederland gestuurd, dus er was geen vergissing mogelijk.” Deze krant beschikt over kopieën van deze rapporten.”
en
“In 2009 heeft REM, een Britse organisatie die het gebruik van natuurlijke hulpbronnen wereldwijd in de gaten houdt, een onderzoek uitgevoerd, waaruit blijkt dat Bioshape illegaal hout heeft gekapt en verkocht.
Plaatselijke autoriteiten hebben bevestigd dat de houtkap zonder voorafgaande toestemming heeft plaatsgevonden. Het bedrijf heeft de vergunning pas verkregen en de noodzakelijke royalty’s pas aan de overheid afgedragen, nadat de houtkap was ontdekt. REM drong erop aan Bioshape ter verantwoording te roepen voor zijn illegale activiteiten. (…)
Directeur Hermans zegt: ,,We hebben alles legaal gedaan, er is geen enkel bewijs voor deze beschuldigingen.””
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat de kop en lead tendentieus zijn en niet worden gedekt door het artikel. Verder bevat de publicatie diverse feitelijke onjuistheden, aldus klaagster. Zo wordt ten onrechte beweerd dat sprake is van illegale verwerving van land. Volgens klaagster heeft alle landverwerving volledig legaal plaatsgevonden via het Tanzanian Investment Center (TIC), het loket waar buitenlandse investeerders zich dienen te melden voor dit soort zaken. Klaagster heeft alle documentatie daartoe voorhanden. De verdeling van de gelden tussen de diverse overheden en burgers is in regels en procedures vastgelegd; van omkoping is geen sprake geweest. Ter zitting voegt Hermans hieraan toe dat de beschuldiging van de geciteerde expert, inhoudend dat regels zouden zijn doorbroken, is weerlegd door overlegging van documenten.
Klaagster betwist voorts dat de aandeelhouders en Raad van Commissarissen verkeerd zijn geïnformeerd. Zij waren precies op de hoogte van de correcte gang van zaken en de voortgang van het project. Ten aanzien van de misrekening van het land wijst klaagster erop dat het een perceel van 400 hectare bruto betrof, dat niet geheel kon worden beplant. Vanaf de grond was het heel moeilijk om een goede inschatting te maken van de werkelijk beplante oppervlakte. Klaagster dacht dat dit 350 hectare was, maar uit latere gps-metingen bleek het 285 hectare te zijn. Hiervan zijn kaarten gemaakt. De door Miya-Verstraelen genoemde oppervlakte van 100 hectare is dus niet juist. Overigens is Miya-Verstraelen ontslagen wegens disfunctioneren en is de rapportage gemaakt toen zij niet meer in dienst was. Een en ander verklaart wellicht de uitspraken van Miya-Verstraelen, aldus klaagster.
Ter zitting voegt Hermans hieraan toe dat de in het artikel ter zake weergegeven citaten niet in de juiste volgorde van tijd zijn geplaatst, zodat zijn weergegeven reactie – een citaat uit een telefoongesprek – niet klopt. Hermans benadrukt in dat verband dat het stuk niet als zodanig voor wederhoor aan hem is voorgelegd. Klaagster betoogt bovendien dat uit de gesprekken die de journalist wèl met haar voerde, niet bleek dat de teneur of conclusie van het artikel zou zijn dat Bioshape met opzet heel verkeerde dingen heeft gedaan.
Er is aan eenzijdige, selectieve waarheidsvinding gedaan en dat heeft BioShape ernstig beschadigd.
Klaagster stelt verder dat zij ten onrechte is beschuldigd van illegale houtkap en houtverkoop. Alle transporten met hout zijn op diverse plaatsen gecontroleerd en klaagster kan aantonen dat zij beschikt over de benodigde vergunning. Het gaat bovendien niet om regenwoud maar een tussenvorm tussen bosachtig landschap en savanne.
Daarnaast is volgens klaagster onder meer onjuist dat dorpelingen niets of te weinig hebben ontvangen bij de verkoop van de grond, dat zij beschermde landschappen zou willen verwijderen voor de aanleg van de plantage, dat de broeikasbesparing niet wetenschappelijk is onderbouwd en dat de mensen in Tanzania niet zouden profiteren van haar activiteiten.
Volgens klaagster heeft zij de redactie op de onjuistheden aangesproken, waarbij zij haar standpunten heeft onderbouwd met documentatie. Zij heeft de redactie herhaaldelijk uitgenodigd om de zaken op haar kantoor te controleren, maar op die uitnodiging is de redactie niet ingegaan. Wat klaagster betreft heeft verweerder niet aan waarheidsvinding gedaan. De documentatie is te veel – kasten vol met stukken van officiële instanties – om per e-mail aan verweerder toe te sturen. Ter zitting voegt Hermans hieraan toe dat zij ook de auteur van het stuk diverse malen hebben uitgenodigd om op het kantoor van klaagster stukken te komen inzien. De journalist heeft dat echter niet gedaan, maar heeft wel de moeite genomen bronnen in Tanzania te raadplegen.
Klaagster betoogt dat de handelwijze van verweerder een verklaring vormt voor de tendentieuze kop en lead van het artikel, die haar zeer hebben geschaad. Volgens klaagster is zij als een halve milieudelinquent afgeschilderd, terwijl het een goed bedoeld initiatief betrof. Met name de toon van het artikel en de gang van zaken hebben klaagster zeer gegriefd en zij meent dat verweerder daarin niet voldoende zorgvuldig heeft gehandeld.
Ter zitting wijst Paes er nog op dat wordt gewerkt aan een doorstart en dat verweerder daarover zou kunnen publiceren op basis van eigen bevindingen.
 
Verweerder stelt voorop dat het verhaal is aangeboden door een freelance journalist met standplaats Brussel, die in het kader van een ander onderzoek op een zijlijn was gestuit die de activiteiten van klaagster betrof. Verweerder heeft de journalist laten weten dat hij in het verhaal was geïnteresseerd, mits goed gedocumenteerd en mits wederhoor werd toegepast bij de directie van klaagster. Dit is gebeurd, waarna het in het Engels geschreven artikel is vertaald en in het economiekatern is gepubliceerd. Ter zitting benadrukt Van Eijk dat uitvoerig wederhoor heeft plaatsgevonden en dat diverse bronnen zijn geraadpleegd. Volgens hem heeft klaagster de journalist er niet van overtuigd dat een reis naar het kantoor van klaagster zinvol was en de journalist heeft ter zake een eigen afweging gemaakt.
Verweerder stelt verder dat hij na de publicatie is benaderd door twee directieleden van klaagster met een reeks van klachten. Van Eijk, toenmalige chef economie, heeft van meet af aan geantwoord dat hij bereid was eventuele feitelijke onjuistheden te corrigeren. Er heeft een uitvoerige mailwisseling plaatsgevonden, die echter niet heeft geleid tot een helder beeld over de onjuistheden die in het artikel zouden staan. Voor verweerder staat één onjuistheid vast, te weten dat geen sprake is van gekapt tropisch regenwoud, maar van gekapt tropisch bos. Dit betreft een vertaalfout, maar is te onbeduidend om afzonderlijk te corrigeren, zeker zolang partijen nog in gesprek waren over een mogelijk omvangrijkere correctie. Ondanks de vele mails die zijn gewisseld, heeft klaagster nimmer een lijst overgelegd van concrete genoemde feiten die onjuist zouden zijn en daarom is geen correctie geplaatst. Volgens verweerder zijn de klachten van klaagster hetzij weerlegd, dan wel te vaag of te onvolledig om aanleiding te vormen voor een correctie.
Ten aanzien van door klaagster genoemde concrete punten stelt verweerder dat zij in het artikel nergens wordt beschuldigd van het illegaal verwerven van land en dat nergens is vermeld dat dorpelingen niets of te weinig hebben ontvangen bij verkoop van de grond. Ter zitting voegt Van Eijk hieraan toe dat over het doorbreken van regels nog steeds ter plekke discussies gaande zijn en dat de reactie van Hermans ter zake is weergegeven.
Dat de aandeelhouders verkeerd zijn geïnformeerd, is door Hermans bevestigd. De vraag is of dit opzet was of slordigheid, maar daarover heeft verweerder geen finale conclusie getrokken. Tegenover de beschuldiging van opzet door Miya-Verstraelen staat het weerwoord van Hermans, aldus verweerder. Ten aanzien van het gebruik van de term ‘misleiding’ voegt Van Eijk ter zitting hieraan toe dat het gaat om een substantiële afwijking van tientallen procenten.
Verder wijst verweerder erop dat niet de krant maar de Britse natuurbeschermingsorganisatie REM klaagster van illegale houtkap heeft beschuldigd. Hermans is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren en die reactie is ook in het artikel opgenomen.
Verweerder betwist voorts dat in de publicatie staat dat klaagster beschermde landschappen zou willen verwijderen. En het is niet de krant maar het Wereldnatuurfonds, dat stelt dat de broeikasbesparing niet wetenschappelijk is onderbouwd. De krant heeft evenmin gesteld dat mensen in Tanzania niet zouden profiteren van de activiteiten van klaagster, maar de vraag opgeworpen of dat het geval is.
Desgevraagd verklaart Steketee ter zitting dat het gaat om een interessante, ingewikkelde kwestie, die in een beperkt bestek is weergegeven. Daarbij is de wijze waarop het stuk is geregisseerd niet dezelfde als de werkwijze van de journalist.
Naar aanleiding van de suggestie om te publiceren over een doorstart van klaagster deelt Steketee mee dat de hoofdredactie op basis van journalistieke afwegingen zal beoordelen of een vervolgpublicatie opportuun is.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat verweerder onjuist en tendentieus over klaagster heeft bericht en dat onvoldoende gelegenheid is geboden voor wederhoor op de strekking van het artikel, namelijk dat BioShape met opzet verkeerd heeft gehandeld ten koste van anderen.
 
In het artikel wordt klaagster beschuldigd van (betrokkenheid bij) ‘dubieuze’ praktijken, zoals omkoping bij de verwerving van land in Tanzania, misleiding van Tanzaniaanse boeren en van aandeelhouders, illegale houtkap en gesjoemel met cijfers over de oppervlakte van de proefplantage en met de milieurapportage.
Hoewel de negatieve kwalificaties voornamelijk afkomstig zijn van met naam en toenaam genoemde bronnen, aan wier deskundigheid en betrouwbaarheid redelijkerwijs niet hoeft te worden getwijfeld, presenteert verweerder in enkele passages zulke beschuldigingen als vaststaande feiten.
In de kop van de publicatie heeft verweerder bovendien het resultaat van klaagsters handelwijze geduid als ‘spoor van vernieling’. Aldus zal de gemiddelde lezer zich moeilijk aan de indruk kunnen onttrekken dat klaagster willens en wetens juridisch en/of maatschappelijk onoorbaar heeft gehandeld. Door de berichtgeving is klaagster dan ook in ernstige mate gediskwalificeerd. Daarbij komt dat het wederhoor van klaagster – bezien in de context – slechts zeer summier is weergeven.
 
Het stond verweerder vrij om een kritisch verhaal over het project van klaagster te publiceren, maar hij had met de door derden geuite beschuldigingen prudenter dienen om te gaan en te berichten.
Dit klemt te meer daar het – aldus de verklaring van Steketee ter zitting – een ingewikkelde kwestie betrof, die in kort bestek is weergegeven. Door niettemin de beschuldigingen aan het adres van klaagster zonder aanvullend onderzoek en met slechts selectieve toepassing van wederhoor als feiten te presenteren, heeft verweerder onnodig negatief en tendentieus over klaagster bericht. Verweerder had dit wellicht kunnen voorkomen door gebruik te maken van het aanbod van klaagster om op haar kantoor documenten te komen inzien. In dit verband stelt de Raad vast dat klaagster ter zitting ten aanzien van een aantal beschuldigingen aannemelijk heeft gemaakt dat de juistheid daarvan allerminst onomstotelijk vaststaat.

Een en ander leidt tot de conclusie dat verweerder door over klaagster te berichten zoals hij heeft gedaan, de grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 8 juli 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, drs. G.J.P. Kloosterhuis, mw. J.R. van Ooijen, mw. M.J. Rietkerk en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.