2011/43 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden
 
Bij brief van 22 februari 2011 met twee bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden (hierna: verweerder). Vervolgens heeft P. Sijpersma, hoofdredacteur, bij e-mail van 6 april 2011 aan de Raad bericht dat de chef verslaggeverij Drenthe in gesprek is gegaan met klager en dat hij verwacht dat de zaak in der minne kan worden geschikt. Aangezien partijen er uiteindelijk niet in zijn geslaagd te komen tot een voor beide partijen bevredigende oplossing van de kwestie, heeft verweerder bij brief van 2 mei 2011 met een bijlage op de klacht gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 mei 2011. Klager was daar aanwezig vergezeld door zijn vader, die het standpunt van klager heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Aan de zijde van verweerder is E. van Dijk, adjunct-hoofdredacteur, verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 10 november 2010 is in Dagblad van het Noorden een artikel verschenen onder de kop “Kinderporno op laptop conciërge” met de subkop “Officier eist werkstraf tegen [woonplaats]enaar”. Het artikel, dat gaat over een strafzaak tegen klager, bevat verder onder meer de volgende passages:
“Het bekijken van kinderporno is een 36-jarige [woonplaats]enaar duur komen te staan. De man is hierdoor zijn baan als hoofdconciërge van een school kwijtgeraakt.”
en
“De man bracht vorig jaar in augustus zijn laptop naar de ict-afdeling van zijn werk. De computer had hij van zijn werkgever in bruikleen en was door een virus erg traag geworden. Op de computer doken 63 afbeeldingen met kinderporno op. Tijdens een huiszoeking troffen de agenten op de computer van de vriendin van de [woonplaats]enaar nog eens 184 kinderpornoplaatjes aan. Die computer gebruikte de man zolang de laptop van zijn werkgever in de reparatie was. Hij was niet op zoek naar kinderporno, beweerde de man tijdens de zitting. De relatie met zijn vriendin verliep op dat moment slecht. Reden voor hem om pornosites te bezoeken. “Kinderporno kwam toevallig mee. Ik klikte die plaatjes aan, schrok en gooide alles direct weg”, legde de man uit. De officier geloofde het verhaal van de [woonplaats]enaar niet.”
Het slot van het artikel luidt:
“De school schorste de man. “In afwachting van dit proces, maar ze hebben me voordien al ontslagen”, klonk de [woonplaats]enaar zuur. “Alsof dit nog niet voldoende was, mijn relatie liep ook nog eens op de klippen”.
Uitspraak: 23 november.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat het artikel tendentieus, grievend en misleidend is en diverse onwaarheden bevat. Zo wordt onder meer de indruk gewekt dat hij bewust naar kinderporno heeft gezocht en gekeken, maar dat is niet juist; hij is daarmee onbewust geconfronteerd. Verder is geen sprake geweest van een huiszoeking en is niet vastgesteld dat nog eens 184 kinderpornoplaatjes op de computer van zijn vriendin zijn gevonden. Voorts stelt klager dat het slot van het artikel, waarin hij wordt geciteerd, grievend en subjectief is. Bovendien wordt daarin ten onrechte geïmpliceerd dat zijn relatie kapot is gelopen door de strafzaak. Volgens klager is hij door de publicatie ernstig in zijn naam en imago geschaad.
Klager meent verder dat verweerder zeer nalatig is geweest, door geen melding ervan te maken dat hij uiteindelijk is vrijgesproken en er geen hoger beroep is ingesteld, zodat het vonnis onherroepelijk is geworden. Volgens klager had verweerder op zijn minst na de publicatie van 10 november 2010 een rectificatie moeten plaatsen, waarin hem recht werd gedaan.
Ter zitting heeft klager nader uiteen gezet hoe het contact met de krant is verlopen. Hij heeft zich eerst telefonisch tot de krant gewend, waarbij hem werd meegedeeld dat hij binnen een week zou worden teruggebeld. Omdat dat niet gebeurde, heeft hij na een week opnieuw gebeld en contact gehad met de krant. Toen hem uiteindelijk werd meegedeeld dat de krant niets voor hem kon betekenen, heeft hij de onderhavige klacht bij de Raad ingediend. Daarna heeft de chef van de redactie Drenthe hem opnieuw benaderd met de vraag of de kwestie niet kon worden opgelost. Klager heeft toen een voorstel voor een herstelbericht ontvangen, waarmee hij niet akkoord ging. Naar zijn mening zou in het bericht ook aandacht moeten worden besteed aan het feit dat het gewraakte artikel onwaarheden bevatte en tendentieus was. Hij heeft vervolgens een tegenvoorstel gedaan, waarmee de krant helaas niet instemde. Uiteindelijk heeft klager in een e-mail van 14 april 2011 aan de krant voorgesteld zijn tekstvoorstel te herformuleren, maar daarop heeft hij niets meer vernomen.
Ter onderbouwing van zijn standpunten verwijst klager naar het vonnis van de Rechtbank Assen van 23 november 2010, waarin ook de tenlastelegging is opgenomen, en zijn e-mailcorrespondentie met de redactie. Verder wijst klager erop dat de verslaggeefster voor het einde van de zitting de rechtszaal heeft verlaten en dus niet alles zelf heeft waargenomen.
Ter zitting deelt klager desgevraagd mee dat hij zijn bezwaren tegen de publicatie pas na ongeveer drie maanden heeft kenbaar gemaakt, omdat hij zich eerst met zijn ontslagprocedure heeft bezig gehouden, hetgeen de nodige spanningen heeft opgeleverd.
Naar aanleiding van het aanbod van Van Dijk om desgewenst een groter verhaal te publiceren, stelt klager dat daarmee de hele kwestie weer wordt opgerakeld, terwijl hij alles zo snel mogelijk wil vergeten. In dat verband wijst klager er voorts op dat tót de gewraakte publicatie alleen een klein groepje intimi van de kwestie op de hoogte was, terwijl hij ná de publicatie overal daarop wordt aangesproken.
 
Verweerder stelt allereerst dat ook hij van mening is dat hij de uitspraak van de Rechtbank Assen had moeten vermelden. Miscommunicatie met het Algemeen Drents Persbureau – dat de berichtgeving over rechtszaken in Drenthe voor verweerder verzorgt – heeft ertoe geleid dat verweerder heeft verzuimd de uitspraak te vermelden. In de loop van februari 2011 heeft klager contact met de krant gezocht en op het verzuim gewezen. Ter zitting weerspreekt Van Dijk de door klager geschetste gang van zaken. De chef van de redactie Drenthe is inderdaad aanvankelijk vergeten klager terug te bellen. Vervolgens heeft hij echter meerdere malen naar klager gebeld, maar daarop niets gehoord. Daarom was hij in de veronderstelling dat de zaak was afgehandeld. Toen dat niet het geval bleek te zijn, is aan klager een tekst voor een herstelbericht gestuurd. Klager ging daarmee niet akkoord, omdat hij niet alleen wenste dat de uitspraak van de rechter alsnog werd vermeld, maar tevens dat vermeende fouten zouden worden hersteld. Volgens verweerder bestaat echter geen aanleiding tot rectificatie, omdat de onwaarheden die klager in het gewraakte artikel heeft ontwaard, grotendeels afkomstig zijn uit het requisitoir van de officier van justitie. De rechter heeft niet weerlegd of weersproken wat door de officier is gezegd, maar heeft in de feiten geen aanleiding gezien tot een veroordeling. Daarmee is in het midden gebleven of de door de officier geuite beschuldigingen juist of onjuist zijn, aldus verweerder. Hij erkent overigens dat de term ‘huiszoeking’ niet juist is, maar wijst erop dat er wel agenten bij klager thuis geweest zijn, die de computer van klagers vriendin hebben meegenomen.
Ten aanzien van de aan klager toegeschreven citaten stelt verweerder dat de verslaggeefster deze tijdens de zitting uit de mond van klager heeft opgetekend. De bewering dat klager ‘zuur klonk’ komt inderdaad voor rekening van de verslaggeefster, maar is in de gegeven omstandigheden een voor de hand liggende emotie.
Ten slotte meent verweerder dat het ook voor een deel voor rekening van klager komt dat uiteindelijk niet over de vrijspraak is bericht, omdat klager niet akkoord wilde gaan met de aan hem voorgelegde hersteltekst.
Van Dijk voegt hieraan ter zitting nog toe dat hij begrijpt dat de zaak een grote impact heeft voor klager en dat – als klager daarop prijs stelt – de krant bereid is daarover een groter verhaal te publiceren. Desgevraagd deelt Van Dijk verder mee dat de krant niet uit eigen beweging alsnog over de vrijspraak van klager heeft gepubliceerd, omdat de hoofdredactie niet twee keer op de zaak wil terugkomen en daarom eerst de uitspraak van de Raad afwacht.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat verweerder in de publicatie van 10 november 2010 onzorgvuldig over de strafzaak tegen klager heeft bericht en ten onrechte heeft nagelaten nadien te berichten over de uitspraak inzake die strafzaak.
 
Volgens het vaste oordeel van de Raad is het toelaatbaar dat in het kader van verslaggeving over rechtszaken standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt. (vgl. onder meer RvdJ 2010/27)
Indien de rechtszaak een maatschappelijk beladen onderwerp als het onderhavige betreft – het (vermeend) in het bezit hebben van kinderporno – dient de journalist in zijn berichtgeving echter bijzonder zorgvuldig en terughoudend te zijn.
 
In het gewraakte artikel wordt beweerd dat ‘het bekijken van kinderporno klager duur is komen te staan’. Verder is vermeld dat het zou gaan om 63 afbeeldingen op de computer van klager en nog eens 184 plaatjes op de computer van klagers vriendin, die – aldus de berichtgeving – tijdens een huiszoeking zouden zijn aangetroffen.
Ten tijde van de publicatie had de rechter nog geen uitspraak gedaan over hetgeen klager ten laste was gelegd. Het artikel laat de lezer echter weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat al is vastgesteld dat klager ook daadwerkelijk strafbaar heeft gehandeld.
 
Gelet op de zware beschuldiging en de gevoeligheid van het onderwerp – hetgeen te meer klemt, omdat klager hoofdconciërge was op een school – had het in de rede gelegen als verweerder evenwichtiger en meer genuanceerd over de strafzaak tegen klager had bericht.
Zo had hij bijvoorbeeld niet met stelligheid behoren te vermelden dat sprake was van ‘nog eens 184 kinderpornoplaatjes’ op de computer van klagers vriendin. Het vonnis – met de daarin weergegeven tenlastelegging – biedt in ieder geval voor deze bewering onvoldoende grondslag, nu daarin wordt gesproken over een totaal van 63 foto’s en 1 film. Verder heeft verweerder erkend dat van ‘huiszoeking’ – binnen in een woning zonder toestemming van de bewoner – geen sprake is geweest. Deze onzorgvuldigheid versterkt het negatieve effect van de berichtgeving.
 
De Raad is van oordeel dat verweerder zodanig eenzijdig en suggestief over de strafzaak tegen klager heeft bericht dat hij daarmee journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. (vgl. RvdJ 2007/82 en 2007/9)
 
Verweerder had bovendien uit eigen beweging dienen te berichten over de vrijspraak van klager in de strafzaak, te meer nu in de berichtgeving van 10 november 2010 de indruk is gewekt dat klager het ten laste gelegde strafbare feit daadwerkelijk had begaan en hij vervolgens is vrijgesproken. Naar het oordeel van de Raad valt verweerder niet alleen te verwijten dat hij die uitspraak niet direct – kort na het wijzen van het vonnis op 23 november 2010 – heeft gepubliceerd, maar tevens dat verweerder dit heeft nagelaten nadat hij door klager op zijn verzuim was gewezen.
Dat partijen met elkaar in overleg waren getreden over een op te nemen herstelbericht en dat zij het over de tekst daarvan niet eens werden, ontslaat verweerder niet van zijn verplichting de hiervoor bedoelde onzorgvuldigheden – waaronder begrepen het eerste verzuim de uitspraak van de rechter te publiceren – zo spoedig mogelijk uit eigen beweging recht te zetten. Dat klager inmiddels de onderhavige klacht bij de Raad had ingediend, kan aan het voorgaande niet afdoen.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder, door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld, de grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad van het Noorden te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 5 juli 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, drs. G.J.P. Kloosterhuis, mw. J.R. van Ooijen, mw. M.J. Rietkerk en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.