2011/40 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
M.A. Kaatee
 
tegen
 
B. Middelburg en de hoofdredacteur van Het Parool
 
Bij brief van 30 december 2010 met een bijlage heeft M.A. Kaatee (hierna: klager) een klacht ingediend tegen B. Middelburg en de hoofdredacteur van Het Parool (hierna: verweerders). Hierop hebben verweerders bij brief van 1 februari 2011 laten weten niet op de klacht te zullen reageren.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 maart 2011, waar klager is verschenen, vergezeld door mw. P. Jourdan.
 
Bij brief van 16 maart 2011 heeft de adjunct-secretaris van de Raad aan klager verzocht om een kopie van de schriftelijke verklaring van de burgemeester van Amsterdam – waaraan klager ter zitting heeft gerefereerd – dat een specifieke passage in de gewraakte publicatie niet van de gemeente afkomstig is.
Klager heeft hierop per brief van 23 maart 2011 aangegeven dat het de voorkeur verdient dat de Raad zelf verzoekt aan de burgemeester of de betreffende informatie afkomstig is van de gemeente en of de inhoud door hen wordt betwist. Klager wijst er in zijn brief op dat aan verweerders kan worden verzocht van wie de informatie in de passage afkomstig is.
Hierop heeft de adjunct-secretaris van de Raad per brief van 30 maart 2011 laten weten dat een procedure bij de Raad zich er niet voor leent om feitenonderzoek buiten partijen om te verrichten.
Daarop heeft klager per brief van 6 april 2011 de mogelijkheid geboden inzage te geven in de correspondentie, onder de voorwaarde dat de brieven niet aan verweerders worden verstrekt.
Per brief van 13 april 2011 heeft de adjunct-secretaris van de Raad daarop aangegeven dat het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek hiertoe geen ruimte biedt.
Daarop heeft klager per brief van 19 april 2011 nogmaals benadrukt dat ook aan verweerders kan worden verzocht om de betreffende informatie. Bij zijn brief heeft klager een kopie van de verklaring van de gemeente Amsterdam gevoegd, maar de tekst is daarin deels onleesbaar gemaakt.
Ten slotte heeft de adjunct-secretaris van de Raad de briefwisseling overgelegd aan verweerders en de mogelijkheid geboden hierop te reageren. Verweerders hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
 

DE FEITEN
 
Op 24 december 2010 is op de voorpagina van Het Parool een ankeiler verschenen met de tekst “Duistere zaken in de Molensteeg” en het chapeau “De crimineelste straat”.
 
Op pagina 3 is een artikel van de hand van Middelburg opgenomen onder de kop “Molensteeg crimineelste straat”. Het artikel opent met:
“Het is eigenlijk een straatje van niks. De Molensteeg, hartje rosse buurt, is maar een meter of vijftig lang. Het telt slechts zeventien panden. Desondanks is het de crimineelste straat van Amsterdam.”
Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
“Van de zeventien panden waaruit de Molensteeg bestaat, worden er door de gemeente (…) bovendien vijftien bestempeld als criminogeen: of het pand wordt geëxploiteerd in een branche die gevoelig is voor criminele invloeden, of die exploitatie is doelwit van strafrechtelijk, fiscaal of gemeentelijk onderzoek. “Bij maar twee panden is volgens ons wat dat betreft niets aan de hand,” aldus een woordvoerder.”
 
Op pagina 6 en 7 van de editie is een vervolgartikel van de hand van Middelburg opgenomen onder de kop “Een steeg waar de misdaad nooit slaapt”. Het artikel opent met:
“In de Molensteeg worden op straat verhoudingsgewijs de meeste geweldsdelicten gepleegd en ook áchter de gevels is het niet pluis: vijftien van de zeventien panden worden door de gemeente bestempeld als criminogeen. ‘Vrouwenhandel gedijt hier veel beter.’”
Na een beschrijving van de historie van de Molensteeg is in het artikel de volgende passage opgenomen:
“In het hele Wallengebied is permanent cameratoezicht van de politie: op tal van strategische plekken staan camera’s die registreren wat er op straat gebeurt. (…) Eens in de zoveel tijd levert dat een top drie aan black spots op. Over de periode van 1 januari 2009 tot juli dit jaar eindigde de camera op de locatie Warmoesstraat-Lange Niezel als eerste, met 218 geweldsdelicten. Tweede werd de camera op de locatie Molensteeg-Oudezijds Achterburgwal met 187 delicten. (…). In absolute getallen eindigde de Molensteeg dus ‘slechts’ als tweede. “Maar relatief als eerste,” zegt wijkteamchef Piet Kelder. De camera op de locatie Warmoesstraat-Lange Niezel is namelijk op beide straten gericht. Die op de locatie Molensteeg-Achterburgwal staat echter uitsluitend op de slechts vijftig meter lange steeg.”
Het artikel bevat verder de volgende passages:
“Maar niet alleen waar het geweldsincidenten op straat betreft, ook achter de gevels, zoals dat heet, neemt de Molensteeg een leidende positie in. Wat er achter die gevels allemaal gebeurt, wordt door de gemeente onder meer geregistreerd bij de toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob), waarmee vergunningen kunnen worden geweigerd of ingetrokken als sprake is van dubieuze exploitatie.”
Verderop:
“Mede op grond van aldus verkregen informatie komt de gemeente tot een verbijsterende conclusie: in de Molensteeg is bijna geen normaal pand te vinden. Met vrijwel elk pand is wel wat mis, hetzij met de eigendom, hetzij met de exploitatie (zie kader). “Van de zeventien panden zijn vijftien wat wij noemen criminogeen,” zegt een woordvoerder van het Coördinatieteam Wallen van stadsdeel Centrum. “Dan is er daadwerkelijk iets mis, of er is sprake van wat wij risicovolle exploitatie vinden. Bij maar twee panden is volgens ons wat dat betreft niets aan de hand.””
Het artikel eindigt met:
““De Molensteeg illustreert op indringende wijze waarom er op de Wallen moet worden ingegrepen,” zegt wethouder Lodewijk Asscher, verantwoordelijk voor Coalitieproject 1012. “Er zitten veel te veel branches die gevoelig zijn voor criminaliteit dicht op elkaar, en dan krijg je een wirwar van hele en halve criminaliteit: vrouwenhandel, witwaspraktijken, illegale woningverhuur, bordelen onder schijnbeheer, noem maar op. In zo’n schemergebied gedijt vrouwenhandel ook veel beter.” De Molensteeg moet dan ook, vindt Asscher, net als de rest van de Wallen ‘terug naar de menselijke maat’. “Ik heb niets tegen prostitutie. Maar ik ben wel vastbesloten een van de mooiste en oudste stukken van de stad te ontdoen van gewetenloze criminelen en vrouwenhandelaren.” Desnoods is de wethouder bereid een paardenmiddel in te zetten: onteigening van vastgoed.”
 
Bij het artikel is een kader geplaatst onder de kop “Who is who in de Molensteeg”. Daarin wordt aandacht besteed aan de eigenaren en exploitanten van de zeventien panden in de Molensteeg. Over het pand van klager wordt het volgende opgemerkt:
“Het pand is eigendom van een besloten vennootschap die tegenwoordig RL Properties heet (voorheen Gebouw Royal Properties bv) onder de directie van Marcel Kaatee. In het pand zit een lucratieve gokautomatenhal, die in de jaren zeventig werd opgezet door ‘Koning van de Wallen’ Joop de Vries; later kwamen vastgoed en exploitatie in handen van achtereenvolgens Willem Holleeder en Willem Endstra en in 2003 van Kaatee.
Nadat Holleeder begin 2006 was aangehouden wegens afpersing van Endstra, werd Kaatee strafrechtelijk vervolgd als Holleeders ‘minister van Financiën’. Eind 2007 werd Kaatee veroordeeld tot vijf maanden cel omdat hij kennelijk namens Holleeder bij Endstra een kwart miljoen had opgehaald, afkomstig van afpersing. In 2009 sprak het gerechtshof hem vrij.
De gemeente Amsterdam is van oordeel dat er ondanks die vrijspraak nog altijd groot gevaar bestaat dat Kaatee de exploitatievergunning voor de automatenhal misbruikt voor witwasserij en is voornemens de vergunning te weigeren op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob).”
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Klager stelt dat in de berichtgeving wordt gesuggereerd dat de activiteiten die plaatsvinden in de panden in de Molensteeg dubieus zijn. In de berichtgeving komt volgens hem naar voren dat met ieder pand wat mis is met betrekking tot eigendom of exploitatie, waarbij alle eigenaren of exploitanten de revue passeren. Gezien deze beschuldigingen was er dan ook alle reden om bij hen wederhoor toe te passen, aldus klager. Hij stelt dat door verweerders aan de eigenaren of exploitanten geen kans is geboden om te reageren op de berichtgeving. In de publicatie wordt uitsluitend de overheid als bron gebruikt en is er geen enkele belanghebbende eigenaar of exploitant die aan het woord komt. Hoewel verweerders beschikken over de relevante contactgegevens van klager en zijn advocaat hebben zij hiervan geen gebruik gemaakt, aldus klager. Verweerders fungeren volgens hem als verlengstuk van de gemeentelijke overheid.
Ter zitting benadrukt klager dat verweerders niet aan waarheidsvinding hebben gedaan, terwijl een journalist dit wel zou moeten nastreven. Volgens hem bevat de berichtgeving tal van onjuistheden en wordt er een eenzijdig beeld geschetst. De berichtgeving bevat volgens klager tendentieuze koppen.
Klager betwist dat Holleeder eigenaar is geweest van despeelautomatenhal of van vastgoed aan de Molensteeg 1. Daarnaast valt het exploiteren van een speelautomatenhal niet meer lucratief te noemen, gelet op de verliezen die hij en zijn branchegenoten de laatste jaren hebben geleden.
Ter zitting deelt klager mee dat er een klachtenprocedure tegen de gemeente loopt wegens het uitlekken van het Bibob-voornemen naar de media. In deze procedure is door de gemeente naar voren gebracht dat de passage waarin door de gemeente Amsterdam is gesteld dat er nog altijd een grote kans bestaat op misbruik van de exploitatievergunning van de speelhal voor witwasserij, niet afkomstig is van het stadsdeel. Klager is van mening dat verweerders bewust onjuiste informatie hebben gebruikt in de berichtgeving.
Verder ontbreken in de berichtgeving de nodige nuances, aldus klager. Hij wijst erop dat in de Molensteeg 3 geen kledingboetiek, maar een kunstgalerie is gevestigd. In de Molensteeg 16 en 18 zit geen timmerbedrijf of laagwaardige horeca, maar een goed Chinees restaurant.
Klager meent dat niet duidelijk is wat onder de term geweldsincidenten wordt verstaan. Volgens hem betreft de stelling dat de Molensteeg het grootste aantal geweldsdelicten kent derhalve een oneervolle en mogelijk onterechte kwalificatie. Ter zitting benadrukt klager dat de meeste incidenten zich ‘s nachts afspelen wanneer zijn speelautomatenhal is gesloten en dus in zoverre geen criminaliteit aantrekt.
Klager benadrukt dat de berichtgeving schadelijk is voor de genoemde bedrijven en personen. Hij stelt dat de waarde van hun bezittingen door de negatieve publiciteit is gedaald. Ter zitting brengt klager naar voren dat deze personen niet om publicatie hebben verzocht. Hij meent dat dergelijke schade mogelijk beoogd is door verweerders, nu klager geen andere reden kan verzinnen voor de uitgebreide reportage over de Molensteeg.
Klager is van mening dat de onjuistheden hadden kunnen worden voorkomen indien verweerders zorgvuldig wederhoor hadden toegepast. Ter zitting benadrukt klager dat de feiten dan in een ander daglicht geplaatst hadden kunnen worden. Zijn visie wordt gedeeld door de ondernemers die gevestigd zijn in de Molensteeg.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat verweerders klager ten onrechte geen gelegenheid tot wederhoor hebben geboden, waardoor het artikel tendentieus is en onjuistheden bevat.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist waarheidsgetrouw behoort te berichten. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. De journalist behoeft geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punten 1.1. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
 

In de gewraakte publicaties worden feiten en omstandigheden gemeld die op zichzelf niet ter discussie staan. Voor zover deze vermelde omstandigheden volgens klager ongenuanceerd of onjuist zijn vermeld, overweegt de Raad dat verweerders kennelijk gebruik hebben gemaakt van bronnen bij politie en de gemeente. Zij mochten daarom in beginsel uitgaan van de juistheid van de door deze bronnen aan hen verschafte informatie. (vgl. RvdJ 2010/51)
 
Daarnaast past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. Het beginsel van wederhoor geldt niet voor berichtgeving van feitelijke aard. Desalniettemin kan een dergelijke publicatie iemands belang zodanig raken dat wederhoor geboden is. (zie punten 2.3.1. en 2.3.4. van de Leidraad)
 
De Raad overweegt dat de insteek van de publicaties het hoge criminaliteitscijfer in de Molensteeg betreft. In de berichtgeving wordt daarbij een verband gelegd met de geschiedenis en problemen rondom eigendom, exploitatie en de activiteiten die in algemene zin in de diverse panden in de steeg worden ontplooid. Nu deze berichtgeving de problemen feitelijk en in algemene zin omschrijft, waren verweerders in het onderhavige geval niet verplicht om gelegenheid te bieden tot wederhoor aan klager. Het beginsel van wederhoor geldt immers niet voor berichtgeving van feitelijke aard, terwijl onvoldoende is gebleken dat de gewraakte publicatie klagers belang zodanig raakt dat wederhoor niettemin was geboden.
 
Voor zover de klacht zich richt tegen het kader “Who is who in de Molensteeg”, dat wel direct betrekking heeft op klager, overweegt de Raad dat klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat de burgemeester van Amsterdam aan hem zou hebben laten weten dat de in het artikel vermelde stelling betreffende misbruik van de exploitatievergunning niet afkomstig is van het stadsdeel. Op basis van het aangevoerde kan de Raad zich geen indruk vormen van de context waarin deze zinsnede is gebezigd. Daarnaast is de berichtgeving van dusdanig feitelijke aard, dat ook hierbij het niet geboden was wederhoor toe te passen.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 7 juni 2011 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, mw. drs. R.T. Kervezee, mw. E.J.M. Lamers en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, adjunct-secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.