2011/39 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
M. Visser en de hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad/Helderse Courant
 
Bij brief van 23 maart 2011 met acht bijlagen heeft mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Amsterdam, namens X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen M. Visser en de hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad/Helderse Courant (hierna: verweerders). Hierop heeft P. Hovestad, adjunct hoofdredacteur HDC Media, namens verweerders geantwoord in een brief van 14 april 2011 met vier bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 29 april 2011. Klaagster is daar verschenen, vergezeld door voornoemde Duijvelshoff, haar ouders en partner. Van de zijde van verweerders waren voornoemde Visser en Hovestad aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op 16 maart 2011 is op de voorpagina van het Noordhollands Dagblad/Helderse Courant een artikel verschenen van de hand van Visser onder de kop “Juf tapet leerling vast aan de stoel” met het chapeau “Leerkracht krijgt berisping. De intro van dit artikel luidt:
“De directie van basisschool ’t Tuselant heeft de leerkracht van groep 4/5 een schriftelijke berisping gegeven. De juf tapete tot twee keer toe een jongetje uit haar klas vast aan zijn stoel.”
Het artikel bevat verder onder meer de volgende passages:
“Ook liet ze de knaap, samen met drie andere kinderen, met blote handen wc-papier uit een toiletpot halen, omdat deze ‘verstopt’ zou zijn geraakt toen een van hen er te veel papier in gooide. Annet van der Paard, de moeder van de jongen, doet bij de politie aangifte van kindermishandeling. Ze heeft een klacht ingediend bij Meerwerf, de overkoepelende organisatie van openbare basisscholen, en bij de landelijke Onderwijsinspectie. Volgens haar is er sprake van machtsmisbruik.”
en
“Directeur Henk Uri van Meerwerf weerspreekt de feiten niet. Maar hij stelt in een brief aan de moeder dat er slechts sprake is van ‘onjuist en onhandig pedagogisch handelen’. Daarom volstaat de schoolleiding met een schriftelijke waarschuwing en blijft de juf voor de klas.”
en
“Van der Paard legt zich er niet bij neer en wil dat de juf voor de klas weg wordt gehaald. Volgens haar zat haar zoon met zijn ene been onder zijn billen op de stoel en wilde de juf dat niet hebben. Om ‘het af te leren’ plakte ze hem met stevig duct tape eerst een keer met zijn benen aan de tafel vast en een paar dagen later nog eens aan zijn stoel.”

en
“,,(…)Toen ik haar er op aan sprak maakte ze zich er van af met de opmerking dat het een geintje was geweest. Maar het is twee keer gebeurd. Ze heeft hem langere tijd zo laten zitten. Dat zijn geen geintjes meer.””
Klaagster is de in het artikel bedoelde leerkracht.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Allereerst schetst klaagster de achtergronden van de in het artikel beschreven kwestie. Daarbij benadrukt zij dat zij altijd naar ieders tevredenheid haar werkzaamheden heeft verricht en dat de contacten met de moeder van de jongen al langere tijd moeizaam verlopen.
Klaagster stelt dat Visser de ex-partner is van de moeder van de jongen. Visser had zich daarom behoren terug te trekken van het schrijven van het artikel en dit moeten overlaten aan een collega. Volgens klaagster heeft Visser gefungeerd als spreekbuis van de moeder, hetgeen de schijn van partijdigheid c.q. belangenverstrengeling oproept. Ter zitting merkt klaagster in dit verband op dat het gaat om een voor beide kanten – ouder én docent – emotionele kwestie en dat een journalist daarop acht behoort te slaan.
Voorts stelt klaagster dat het artikel diverse feitelijke onjuistheden bevat. Er was geen sprake van (sterk) grijs duct-tape, maar van (minder sterk) lichtbruin verhuistape. Verder betrof het één voorval, waarbij zij kort na elkaar de jongen aan zijn stoel en de grond tapete. Klaagster benadrukt dat het een grap betrof – waarom ook de betrokken jongen kon lachen – die echter bij de moeder van de jongen in het verkeerde keelgat is geschoten. De moeder heeft vervolgens hemel en aarde bewogen om haar in brede kring in een kwaad daglicht te stellen, aldus klaagster. Volgens haar heeft de moeder Visser benaderd, die vervolgens naar aanleiding van de beschuldigingen van de moeder het gewraakte artikel heeft geschreven.
Klaagster stelt verder dat de directeur van de school, die in het artikel wordt geciteerd, niet door Visser vooraf is gehoord. Daarnaast wordt ten onrechte gesuggereerd dat de moeder en klaagster een gesprek hebben gehad. De moeder wenste echter in het geheel niet met klaagster in gesprek te gaan. Zij meldde slechts dat ze een aangifte ging indienen.
Ter zitting heeft klaagster haar klacht nog uitgebreid. Zij stelt dat zij in het artikel herkenbaar is gemaakt, doordat is vermeld dat het zou gaan om de leerkracht van groep 4/5. Lezers kunnen gemakkelijk op internet, via de website van de school, opzoeken dat zij die leerkracht is. Volgens klaagster is door de berichtgeving haar privacy onevenredig aangetast.
Klaagster betoogt dat het eenzijdige artikel verstrekkende, negatieve gevolgen voor haar heeft, vooral nu het bericht door verschillende media is overgenomen.
 
Verweerders stellen dat de redacties van het Noordhollands Dagblad lokaal werken en met beide benen in de gemeenschap staan. Er zijn altijd verbanden te ontdekken tussen de redacties en het nieuws waarover zij schrijven. Wie boze opzet zoekt in de berichtgeving van verweerders, vindt altijd een dwarsverband en een vermeend motief. Visser heeft geen relatie met de moeder, is niet de vader van de betrokken leerling, niet getrouwd geweest met de moeder, heeft geen samenlevingscontract met haar gehad en heeft nooit met haar samengewoond. Ter zitting verklaart Visser desgevraagd dat de relatie met de moeder ruim een jaar geleden is beëindigd.
Verweerders betreuren de insinuatie die uit de klacht spreekt. Het betrof een nieuwswaardig incident en het artikel is pas gepubliceerd nadat de school het incident wereldkundig had gemaakt. De school liet bij alle ouders een brief bezorgen en verweerders hebben de inhoud van die brief gebruikt. Ze hadden daarmee dus twee kanten van het verhaal. Daarnaast heeft de moeder van de jongen een brief van de directeur ontvangen. Uit die brief is de directeur van de school ‘geciteerd’. Ook als het artikel niet door Visser zou zijn geschreven, zou dat inhoudelijk hetzelfde zijn geworden. Verder blijkt uit de follow-ups dat Visser prima in staat is over het incident te berichten. Verweerders wijzen er verder op dat de school nader heeft kunnen reageren en niet om rectificatie heeft verzocht.
Ter zitting delen verweerders desgevraagd mee dat zij niet hebben overwogen om klaagster vooraf te benaderen, omdat eerdere ervaringen in vergelijkbare gevallen hebben geleerd dat dat niet op prijs zou worden gesteld.
Ter zake van de uitbreiding van de klacht ter zitting inzake het privacy-aspect, heeft Hovestad kenbaar gemaakt dat hij daartegen geen bezwaar heeft en graag een oordeel van de Raad over dat aspect verlangt. Hij stelt op dat punt dat het bericht voldoende is geanonimiseerd. Als niet zou zijn vermeld dat het een leerkracht van groep 4/5 betrof, was hij wellicht door andere leerkrachten op de berichtgeving aangesproken.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bevat de volgende onderdelen:
  1. verweerders hebben geen openheid van zaken gegeven omtrent de relatie tussen Visser en de moeder van de leerling, waardoor (een schijn van) belangenverstrengeling is ontstaan;
  2. er is niet waarheidsgetrouw over de kwestie bericht, waardoor een onnodig negatief beeld van klaagster is geschetst;
  3. ten onrechte is gesuggereerd dat de directeur van de school voor de publicatie van het artikel met verweerders heeft gesproken;
  4. de privacy van klaagster is onevenredig aangetast.
 
Ad 1.
De Raad stelt voorop dat een journalist geen misbruik maakt van zijn positie, zijn werk in onafhankelijkheid verricht en (de schijn van) belangenverstrengeling vermijdt. (zie punt 1.5. van de Leidraad van de Raad)
 
Een journalist is derhalve niet alleen gehouden belangenverstrengeling maar ook de schijn ervan te vermijden. Betrokkenen en het publiek moeten immers in staat zijn de werkwijze van een journalist c.q. de daaruit voortvloeiende publicatie op de juiste waarde te schatten.
Verweerders hebben aangevoerd dat de relatie tussen Visser en de moeder van de jongen ruim een jaar geleden is beëindigd. Zij hebben echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in deze zaak – gezien alle omstandigheden – in redelijkheid niet kan worden gesproken van de schijn van belangenverstrengeling. Niet ondenkbaar is dat de voormalige relatie tussen Visser en de moeder ertoe heeft bijgedragen dat een (onnodig) negatief beeld van klaagster is geschetst. Verweerders hadden er daarom in dit geval voor behoren te kiezen om hetzij de kwestie door een collega van Visser te laten verslaan dan wel meer evenwichtig over de kwestie te berichten, bijvoorbeeld door klaagster in het artikel aan het woord te laten. Op dit punt is de klacht derhalve gegrond.
 

Ad 2.
Klaagster heeft gemotiveerd aangevoerd dat verweerders betreffende een relevant aantal aan de orde gestelde zaken niet waarheidsgetrouw hebben bericht. Zij heeft daarbij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij tijdens het incident geen duct-tape heeft gebruikt, dat het één voorval betrof en dat dit (slechts) korte tijd heeft geduurd.
Door over de kwestie te berichten zoals zij hebben gedaan, hebben verweerders ten onrechte de indruk gewekt dat het incident ernstiger is geweest dan feitelijk het geval was en daarmee een onnodig negatief beeld over klaagster geschetst. Naar het oordeel van de Raad is aldus sprake van tendentieuze en journalistiek onzorgvuldige berichtgeving. Op dit punt is de klacht eveneens gegrond. (vgl. punten 1.1., 1.4. en 1.5. van de Leidraad)
 
Ad 3.
Volgens klaagster is ten onrechte de indruk gewekt dat Visser de directeur voorafgaand aan de publicatie heeft gesproken. Verweerders hebben aangevoerd dat zij gebruik hebben gemaakt van de inhoud van de brieven die de directeur heeft gestuurd aan de ouders en de moeder van de jongen. Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders niet journalistiek onaanvaardbaar gehandeld door uit die brieven de directeur te citeren en diens woorden te parafraseren, nu niet is gebleken dat zij dat op onjuiste wijze hebben gedaan. Dit onderdeel van de klacht is ongegrond.
 
Ad 4.
De Raad overweegt dat klaagsters naam niet in het artikel is vermeld. Dat klaagster door de vermelding ‘de leerkracht van groep 4/5’ in combinatie met de naam van de school voor de lezers van de krant algemeen herkenbaar zou zijn, acht de Raad niet aannemelijk. Van een ontoelaatbare schending van klaagsters privacy is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Dat lezers op internet zouden kunnen achterhalen dat klaagster de bedoelde leerkracht is of dat zij wellicht in kleine kring is herkend, kan daaraan niet afdoen. Ook op dit punt is de klacht ongegrond. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad)
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op de schijn van belangenverstrengeling en het onnodig negatieve beeld van klaagster. De klacht is ongegrond voor zover deze betrekking heeft op het ‘citeren’ van de directeur van de school en het schenden van de privacy van klaagster.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 31 mei 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. M.J.H. Doomen, mw. drs. J.X. Nabibaks en mw. J.R. van Ooijen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.