2011/37 toegewezen

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van
 
I. de Groot en de hoofdredacteur van AD De Dordtenaar
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 9 februari 2011 (RvdJ 2011/9) betreffende de klacht van
 
C.W.M. Melisse
 
Bij brief van 24 februari 2011 heeft P. de Jonge, hoofdredacteur AD, namens I. de Groot en de hoofdredacteur van AD De Dordtenaar (hierna: verzoekers) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 9 februari 2011 inzake de klacht van C.W.M. Melisse (hierna: klager) tegen verzoekers. Klager heeft per brief van 10 maart 2011 op het verzoek gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 april 2011, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.
 
Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. De zaak is behandeld door de voorzitter en resterende leden.
 
DE FEITEN
 
Bij brief van 15 oktober 2010 met diverse bijlagen heeft C.W.M. Melisse een klacht ingediend tegen I. de Groot en de hoofdredacteur van AD De Dordtenaar betreffende een publicatie op 24 september 2010 onder de kop “Dordtenaar wil zijn bejaarde ouders via rechter huis uitzetten”, een publicatie op 25 september 2010 onder de kop “Succesvolle zoon wil bejaarde ouders het huis uitzetten” en een publicatie op 9 oktober 2010 onder de kop “Rechtbank geeft zoon gelijk: ouders moeten huis uit” en het vervolgartikel onder de kop “’Ze zijn beter af in bejaardenhuis’”. In de berichtgeving wordt – kort samengevat – aandacht besteed aan het feit dat klager via de rechtbank probeert zijn hoogbejaarde ouders uit hun huis te plaatsen.
 
Bij uitspraak van 9 februari 2011 heeft de Raad de klacht van klager gegrond verklaard, waarbij de Raad onder meer het volgende heeft overwogen:
“De Raad overweegt dat verweerders in de publicatie van 24 september 2010 verslag hebben gedaan van de kort geding-zitting in de procedure tussen klager en diens ouders en daarbij de standpunten van de partijen in die procedure hebben weergegeven. Die publicatie kan derhalve worden beschouwd als een rechtbankverslag, waarbij het beginsel van hoor en wederhoor – behoudens bijzondere omstandigheden – niet aan de orde is. (…) In de publicatie van 9 oktober 2010 is bericht over de uitspraak in het kort geding.
Hoewel het artikel van 25 september 2010 in zekere zin onderdeel uitmaakt van een reeks publicaties – nu in al die publicaties wordt bericht over het geschil tussen klager en diens ouders – wijkt dit artikel in zijn aard en inhoud duidelijk af van de andere publicaties. In het gewraakte artikel hebben verweerders zich niet beperkt tot een – min of meer zakelijke – weergave van hetgeen partijen in de kort geding-procedure hebben aangevoerd, maar hebben zij de ouders van klager in de gelegenheid gesteld uitgebreid hun visie op het conflict te geven, waarbij zij hun zoon in een zeer negatief daglicht stellen. Aangezien klager in het rechtbankverslag van 24 september 2010 niet op vergelijkbare wijze aan het woord is gelaten, kan – anders dan verweerders hebben aangevoerd – het artikel van 25 september 2010 niet als het wederhoor van klagers ouders op uitlatingen van klager worden beschouwd.
In het gewraakte artikel laten de ouders van klager zich op zeer diffamerende wijze uit over hun zoon. Zij beweren onder meer dat klager in de – delicate – kwestie ‘over lijken gaat’. De Raad is van oordeel dat de lezer zich moeilijk aan de indruk zal kunnen onttrekken dat klager moreel verwerpelijk heeft gehandeld. Verweerders hadden de uitlatingen van de ouders van klager dan ook niet behoren te publiceren zonder vooraf wederhoor bij klager toe te passen, hetgeen zij hebben nagelaten.”
 
HET STANDPUNT VAN VERZOEKER
 
Verzoekers stellen dat de Raad essentiële argumenten niet in zijn oordeel heeft betrokken. Volgens hen is in het oordeel ten onrechte overwogen dat in de berichtgeving op 24 september 2010 de standpunten van beide partijen tijdens de rechtszitting zijn weergeven. De ouders van klager zijn volgens verzoekers echter niet op de rechtszitting verschenen en hebben zich daar niet verweerd. Verzoekers stellen dat in de berichtgeving derhalve uitsluitend de visie van klager naar voren is gekomen. De ouders konden daardoor niet op de uitspraken van klager reageren, aldus verzoekers.
Volgens hen worden de ouders in de berichtgeving op 24 september 2010 neergezet als mensen die elke medewerking zouden weigeren en voor wie de woonsituatie niet ideaal en risicovol zou zijn. Zij menen dat de kern van de boodschap in deze berichtgeving is dat de ouders niet meer in staat zouden zijn om op zichzelf te wonen. Verzoekers hebben daarop geoordeeld dat door de berichtgeving de belangen van de ouders dusdanig geraakt werden dat wederhoor geboden was. Volgens hen was het niet mogelijk om de reactie van de ouders in de berichtgeving op 24 september 2010 te verwerken. Om die reden is volgens verzoekers de publicatie op 25 september verschenen. Verzoekers stellen het onredelijk te vinden dat de Raad de eenzijdige berichtgeving op 24 september 2010 wel acceptabel acht, maar van mening is dat met het op de volgende dag verschenen wederhoor grenzen zouden zijn overschreden.
Daarbij menen verzoekers dat het vanzelfsprekend is dat dit wederhoor in zijn aard en inhoud afwijkt van de publicatie op 24 september 2010, omdat de ouders reageerden op een onevenwichtig verslag van een dag tevoren.
De Raad stelt in zijn uitspraak vast dat klager alsnog in de gelegenheid gesteld had moeten worden om op de bevindingen te reageren, aldus verzoekers. Zij wijzen er echter op dat  klager een aanbod voor een dergelijk gesprek heeft afgeslagen. Verzoekers stellen dat klager daarmee heeft afgezien van de mogelijkheid tot een vervolgpublicatie en weerwoord. Het is volgens verzoekers opmerkelijk dat klager volhardde in zijn klacht bij de Raad. Zij begrijpen niet hoe de Raad tot zijn oordeel heeft kunnen komen.
 
Klager stelt dat de conclusie van verzoekers niet correct is en de aangevoerde argumenten niet essentieel en onjuist zijn. In het verzoekschrift wordt ten onrechte gesuggereerd dat zijn visie naar voren is gekomen tijdens de rechtszitting op 23 september 2010, aldus klager. De behandeling betrof volgens hem een verstekzitting waarbij door de rechter slechts enkele summiere vragen werden gesteld. Klager benadrukt dat na afloop van de zitting geen verdere vragen zijn gesteld door verzoekers.
Klager wijst erop dat verzoekers eerder hebben aangevoerd dat de ouders zelf naar hen hebben gebeld. Het standpunt van verzoekers dat het niet mogelijk was om de reactie van de ouders in de berichtgeving op 24 september 2010 te verwerken, lijkt hem derhalve incorrect.
Volgens klager worden zijn ouders niet gediskwalificeerd door de berichtgeving van 24 september waarin staat dat zij iedere medewerking zouden weigeren en de woonsituatie risicovol zou zijn. In het bericht  is volgens hem  niet gemeld dat zijn ouders niet meer in staat zijn om op zichzelf te wonen, en dat hun woonsituatie niet meer ideaal en risicovol zou zijn. Zijn ouders delen volgens klager deze mening, nu zij in een e-mailbericht op 28 september 2009 hebben laten weten dat zij het niet langer verantwoord vonden om in een vrije woning te wonen. Uit de stukken blijkt volgens klager daarnaast dat de ouders geen medewerking verleenden om het huis te verlaten. Klager deelde de opvatting van zijn ouders vanwege de ziekte van zijn moeder en het feit dat zijn vader werkt met gevaarlijke apparatuur.
Klager meent dat zijn ouders geen zelfstandigheid wordt ontnomen omdat zij in een seniorenwoning geheel zelfstandig wonen en dat het een veiligere situatie betreft.
Klager stelt pas kennis te hebben genomen van de berichtgeving op 7 oktober 2010, waarop klager een brief heeft geschreven naar zijn ouders. Volgens klager heeft daarop de volgende dag contact plaatsgevonden met verzoekers, waarin door hem is verwezen naar de brief die hij heeft verstuurd naar zijn ouders. Op 9 oktober 2010 volgde daarop volgens hem opnieuw tendentieuze en eenzijdige berichtgeving. Daarop heeft correspondentie met verzoekers plaatsgevonden, waarin volgens hem werd gerefereerd aan de voornoemde brief aan zijn ouders. Klager acht het derhalve merkwaardig en onzorgvuldig dat vervolgens in het verweerschrift is aangevoerd dat verzoekers het e-mailbericht met de brief niet hebben ontvangen. Hij wijst erop dat door verzoekers in de correspondentie is geconcludeerd dat het geen zin had om de discussie aan te gaan. Volgens klager is het dan ook onjuist dat hij een aanbod voor een gesprek zou hebben afgeslagen. Op een voorstel tot een gesprek met de chef redactie stelt klager tot tweemaal toe niets meer te hebben gehoord. Hij wijst erop dat hij zijn klacht bij de Raad na een gesprek had kunnen intrekken.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
Het verzoek bevat – samengevat weergegeven – de volgende onderdelen:
1.      in de uitspraak van de Raad is ten onrechte overwogen dat in de berichtgeving op 24 september 2010 de standpunten van beide partijen tijdens de rechtszitting zijn weergegeven;
2.      in de uitspraak van de Raad is ten onrechte geoordeeld dat klager alsnog in de gelegenheid gesteld had moeten worden om op de bevindingen te reageren, terwijl niet is overwogen dat klager een aanbod voor een gesprek heeft afgeslagen.
 
Naar het oordeel van de Raad is door verzoekers voldoende aannemelijk gemaakt dat in de beoordeling van de Raad van 9 februari 2011onjuist staat vermeld dat in de berichtgeving op 24 september 2010 de standpunten van beide partijen ter zitting zijn weergegeven terwijl het een verstekzitting betrof. Aldus is de Raad van oordeel dat de beslissing berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
 
Echter, dit laat onverlet dat de berichtgeving op 24 september 2010 slechts een summiere weergave van het standpunt van klager betreft, terwijl de ouders van klager in de berichtgeving op 25 september 2010 uitgebreid in de gelegenheid zijn gesteld hun visie op het conflict te geven. Daarbij is hun zoon in een zeer negatief daglicht gesteld. In de berichtgeving op beide dagen is klager niet op een zodanige wijze aan het woord gelaten dat hij daarbij de mogelijkheid heeft gekregen om te kunnen reageren op de aantijgingen van zijn ouders.
 
Voorts overweegt de Raad dat klager de bewering van verzoekers dat hij een aanbod voor een gesprek heeft afgewezen, gemotiveerd heeft betwist. Aldus kan niet worden vastgesteld dat klager een aanbod voor een mogelijkheid tot wederhoor heeft afgeslagen.
 
De Raad is van oordeel dat een en ander niet leidt tot een andere beslissing in de klachtzaak. (zie punt 10a lid 7 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek)
 
BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt toegewezen, maar de Raad handhaaft de beslissing van de Raad van 9 februari 2011 te weten dat de klacht tegen I. de Groot en de hoofdredacteur van AD De Dordtenaar gegrond is.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 27 mei 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, H. Blanken, mr. T.E. Klein en mw. H.M.M. Nietsch, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, adjunct-secretaris.