2011/36 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Martinair Holland N.V.
 
tegen
 
J. de Vreede, R. Boere, H. van Zon en de hoofdredacteur van AD
 
Bij brief van 16 maart 2011 met zeven bijlagen heeft mr. M.Ch. Kaaks, advocaat te Amsterdam, namens Martinair Holland N.V. te Schiphol (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen J. de Vreede, R. Boere, H. van Zon en de hoofdredacteur van AD (hierna: verweerders). Hierop heeft mr. O.G. Trojan, advocaat te Den Haag, namens verweerders geantwoord in een brief van 12 april 2011 met twee bijlagen. Ten slotte heeft klaagster nog drie bijlagen overgelegd bij brief van 13 april 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 april 2011, waar namens klaagster voornoemde mr. Kaaks, mr. B. Eggen (bedrijfsjurist) en mw. S. van de Velde (director reputation management)zijn verschenen. Mr. Kaaks heeft het standpunt van klaagster toegelicht aan de hand van een notitie. Aan de zijde van verweerders zijn voornoemde mr. Trojan, Ch. Ruesink (algemeen hoofdredacteur) en J. de Vreede (redacteur) verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 14 februari 2011 is in AD een artikel van de hand van De Vreede verschenen onder de kop “Echte oorzaak ramp Faro in doofpot” met de onderkoppen “Nieuw onderzoek: niet een rukwind, maar piloten waren de oorzaak vliegramp” en “’Cruciale gegevens uit zwarte doos achtergehouden’”.
Het artikel opent met:
“De vliegramp in het Portugese Faro, die in december 1992 aan 56 mensen het leven kostte, is niet veroorzaakt door slecht weer, maar door fouten van de bemanning. Cruciale informatie is uit het officiële onderzoek weggelaten om zo de piloten en Martinair buiten schot te houden.”
Verder bevat het artikel de volgende passage:
“Dat is de conclusie van een nieuw, onafhankelijk onderzoek in opdracht van nabestaanden die al jaren twijfelen aan de officiële toedracht. Volgens het officiële Portugese onderzoek verongelukte het toestel door een te steile daling in combinatie met een harde zijwind. De officiële Nederlandse versie is dat het toestel werd overvallen door onverwachte, heftige windvlagen.
Deze conclusies blijken niet uit de data van de zwarte doos of uit cockpitgesprekken. Onafhankelijk vliegtuigexpert Harry Horlings stelt dat niet de wind schuldig is, maar dat de bemanning grote fouten maakte. Zo hadden de piloten op vier momenten moeten besluiten tot een doorstart, onder meer omdat de landingsbaan blank stond. Het vliegtuig week te veel af van de aanvliegroute en was niet stabiel bij de landing. De piloten corrigeerden onvoldoende voor zijwind, vlogen te langzaam en maakten fouten met de automatische piloot.”
Horlings, luitenant-kolonel b.d. van de luchtmacht, vermoedt dat ‘bewust belangrijke gegevens zijn weggelaten’ uit het officiële rapport. Zo ontbreken in het rapport cruciale laatste seconden uit de zwarte doos en is data mogelijk aangepast.
De inmiddels opgeheven Raad voor de Luchtvaart zou hebben geprobeerd zaken te schrappen uit het Portugese rapport, meent de onderzoeker. Horlings: „Het lijkt dat grote moeite is gedaan om te bewerkstelligen dat de vliegers en daarmee de vliegmaatschappij niets te verwijten zou zijn.””
 
Het artikel wordt vervolgd met een publicatie onder de kop “‘Niet de piloot, maar de natuur moest de schuld krijgen’” en de onderkop “Vliegtuigexpert Horlings denkt dat cruciale info bewust is weggelaten”.
 
Daarnaast is op 14 februari 2011 een commentaar van de hand van Van Zon afgedrukt onder de kop “Raad heeft wat uit te leggen over Faro”. Het commentaar opent met:
“De aanhouder wint. De nabestaanden van de geruchtmakende vliegramp bij Faro in 1992 hebben dat weer eens bewezen. Van meet af aan hadden zij grote moeite met de conclusies van de onderzoeken naar het ongeluk waarbij 56 mensen zijn omgekomen.
En terecht, blijkt nu. Ruim achttien jaar later halen zij hun gelijk na eigen onderzoek. Niet de natuur, maar de vliegers van het toestel van Martinair valt een hoop te verwijten. Daarmee vegen ze de vloer aan met de Portugese en Nederlandse onderzoeken van toen. De bevindingen van nu zijn schokkend: in beide gevallen is er met informatie gemanipuleerd. Er is bewust toegewerkt naar een conclusie die bemanning en vliegmaatschappij buiten schot zou houden. Harde zijwind en turbulentie zouden de oorzaken zijn. Daarbij zijn zelfs gegevens van de zwarte dozen genegeerd. Die gegevens bewezen het tegendeel. Op basis van de nieuwe informatie is het niet meer dan terecht dat de nabestaanden Martinair alsnog voor de rechter slepen. Maar ook in ‘onderzoeksland’ moet de onderste steen boven komen.”
 
Een dag later, op 15 februari 2011, is in het AD een artikel van de hand van Boere en De Vreede verschenen onder de kop “‘Martinair bood ons geld om te zwijgen’” en het chapeau “Nabestaanden Faro-ramp voelden zich onder druk gezet”. Het artikel opent met:
“Martinair heeft druk uitgeoefend op nabestaanden van de Faro-ramp om te stoppen met eigen onderzoek of het stellen van kritische vragen. Dat beweert de familie Vroombout, die ruim achttien jaar probeert alle feiten over de vliegramp in 1992 boven tafel te krijgen.”
Verder bevat dit artikel de volgende passage:
“Volgens de familie stond een contactpersoon van Martinair een jaar na de ramp onverwacht voor de deur met het aanbod van ‘vijf ton in guldens’ of ‘een riante woning’. „Daar zijn we niet op ingegaan. We zeiden dat we alleen de waarheid wilden horen. Toen stond de man binnen vijf minuten weer buiten,” zegt Iem Vroombout. „Het voelde heel duidelijk dat ze wilden dat we stopten met kritisch zijn.”
 
Dit artikel wordt vervolgd onder de kop “Voor de waarheid over ‘Faro’ en voor dochter Brenda” en het chapeau “Iem en Corrie Vroombout opgelucht na achttien jaar strijd om ware toedracht van ramp”.
Naast dit artikel is een commentaar van de hand van Van Zon afgedrukt onder de kop “Laakbare reacties op ‘Faro’”. Het commentaar opent met:
“Luchtvaartmaatschappij Martinair heeft na het ongeluk met een van zijn vliegtuigen bij Faro in 1992 druk uitgeoefend op overlevenden en nabestaanden om te zwijgen. Dit laakbare gedrag geeft extra voeding aan de noodzaak de onderste steen over deze ramp boven te krijgen.”
Het commentaar eindigt met:
“Achttien jaar later lijkt het erop dat elke betrokken partij probeert haar straatje schoon te vegen of omtrekkende bewegingen maakt. Daar is de waarheidsvinding in deze ernstige zaak absoluut niet mee gediend.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat op twee opeenvolgende dagen een aantal zeer prominente publicaties aan de Faro-ramp is gewijd. Deze artikelen hebben volgens haar op beide dagen een groot deel van de voorpagina en van de tweede en derde pagina van de krant gevormd. Klaagster stelt dat bij de totstandkoming van de publicaties verweerders zijn gedreven door vooringenomenheid, eenzijdigheid en sensatiezucht. De beweringen in de publicaties zijn voor haar zeer schadelijk. Verweerders hebben onvoldoende oog gehad voor de effecten voor haar reputatie, aldus klaagster. Verweerders hebben te veel gehecht aan de primeur om de bevindingen uit de analyse als eerste te kunnen brengen, aldus klaagster. Ter zitting wijst zij erop dat de publicaties in samenhang met elkaar moeten worden bezien.
De vliegramp in Faro betreft één van de ernstigste vliegrampen in de Nederlandse geschiedenis. De oorzaken van de vliegramp zijn onderzocht door zowel de Portugese als de Nederlandse luchtvaartautoriteiten, waarbij de resultaten in 1994 zijn verschenen.
De aanleiding van de artikelen betrof volgens klaagster de bekendmaking van een nieuw en kritisch rapport over de oorzaken van de vliegramp van Faro. Volgens klaagster is dit rapport verschenen op verzoek van een letselschadeadvocaat die het echtpaar Vroombout vertegenwoordigt. Het echtpaar Vroombout heeft destijds de ramp overleefd maar hun dochter verloren bij de crash. Klaagster stelt niet op de hoogte te zijn geweest van het onderzoek en dat derhalve de gewraakte publicaties voor haar volkomen onverwacht verschenen. Pas twee weken na het wederhoor heeft de voornoemde letselschadeadvocaat het rapport aan haar toegezonden, aldus klaagster.
Volgens klaagster wordt in de publicaties van 14 februari 2011 de suggestie gewekt dat het officiële onderzoek opzettelijk is gemanipuleerd om de piloten en haar onderneming buiten schot te houden. Verweerders hebben daarbij in de kop van de voorpagina ten onrechte beweringen als feiten gepresenteerd. Klaagster meent dat zij hierdoor in een kwaad daglicht is gesteld, zonder dat overigens wordt gemeld of zij zich passief of actief heeft opgesteld bij de manipulatie.
Klaagster stelt dat de beschuldiging dat cruciale informatie uit het officiële onderzoek naar de vliegramp bewust is achtergehouden, ongefundeerd en niet onderbouwd is. De Portugese, Amerikaanse en Nederlandse luchtvaartautoriteiten en de vliegtuigfabrikant hebben volgens klaagster aan het officiële onderzoek meegewerkt en klaagster heeft destijds volledige medewerking aan de onderzoeken verleend. De suggestie dat klaagster bij manipulatie van het onderzoek betrokken was of heeft willen bewerkstelligen dat informatie die voor haar belastend was in het onderzoek zou worden verzwegen, vindt volgens haar geen steun in de feiten. Ter zitting wijst klaagster erop dat de gemiddelde lezer de beschuldigingen zal opvatten als verwijten richting klaagster. Volgens haar vinden verweerders dit zelf ook, omdat klaagster als enige voor publicatie om een reactie werd gevraagd.
Volgens klaagster blijkt uit de berichtgeving onvoldoende dat - zoals vermeld op de eerste pagina van het rapport Horlings - het onderzoek door de voormalige luchtmachtofficier slechts een beperkte analyse betreft waarbij wordt uitgegaan van dezelfde feiten maar een andere mening wordt verkondigd. Ter zitting wijst klaagster erop dat nieuwe inzichten tot afwijkende interpretaties kunnen leiden, en dat dit niet hoeft te betekenen dat er sprake was van een doofpot. Daarnaast betwist klaagster dat het onderzoek onafhankelijk is uitgevoerd. Volgens haar is door verweerders geen zelfstandig onderzoek verricht. Daarnaast hebben zij het rapport van Horlings niet naast het officiële rapport gelegd. De publicaties zijn volgens klaagster geheel gegrond op de lezing van het voornoemde echtpaar en op het rapport met de analyse van freelance vliegtuigexpert en consultant Horlings. Ter zitting wijst klaagster erop dat ook in de officiële onderzoeken het handelen van de bemanning is genoemd als oorzaak van de ramp, hetgeen eenvoudig online in Wikipedia en op de website van het Aviation Safety Network te vinden was. Klaagster wijst erop dat de piloot strafrechtelijk is vervolgd in Portugal.
Met het commentaar van Van Zon op 14 februari 2011 hebben verweerders het publiek ervan willen overtuigen dat de analyse van Horlings de enige juiste is en er grond voor de gepubliceerde beschuldigingen bestaat, aldus klaagster. Zij acht het ontluisterend dat bij de commentatoronbekend was dat klaagster niet beschikte over het rapport, terwijl hij in zijn opinie laakte dat partijen hun straatje probeerden schoon te vegen. Volgens klaagster zijn door verweerders overhaast, zonder goed onderzoek en zonder enige reserve beschuldigingen gepubliceerd. Klaagster wijst erop dat ook in een commentaar zorgvuldig met de feiten moet worden omgegaan.
Klaagster stelt dat zij op 13 februari 2011 op de hoogte werd gesteld van het bestaan van het onderzoek en de gewraakte publicatie van de volgende dag. Gezien de publicatiedatum van het rapport zijn verweerders echter waarschijnlijk reeds langere tijd met het rapport bekend geweest. Het rapport is daarbij niet door verweerders verstrekt aan klaagster. Volgens klaagster is in het contact op 13 februari 2011 meegedeeld dat uit het onderzoek de conclusie kon worden getrokken dat de oorzaak van het ongeluk niet lag bij de weersomstandigheden maar bij de piloten. Doordat klaagster niet op de hoogte was van het onderzoek en vanwege het korte tijdsbestek kon zij geen inhoudelijke reactie geven. Wel is er door klaagster op gewezen dat de ramp is onderzocht door officiële autoriteiten en dat klaagster heeft meegewerkt aan deze onderzoeken. Ter zitting wijst klaagster erop dat op de gebeurtenissen van achttien jaar geleden niet à l’improviste een reactie kan worden gegeven. De door verweerders opgelegde tijdsdruk was volgens haar onredelijk.
De beschuldigingen in de krant van 15 februari 2011 betreffende het onder druk zetten van nabestaanden om te stoppen met eigen onderzoek of het stellen van kritische vragen en het bieden van zwijggeld zijn zeer negatief, diffamerend en onjuist. Volgens klaagster wordt met de publicatie beoogt de doofpottheorie zoals gepubliceerd op 14 februari 2011, extra lading te geven en versterken de publicaties elkaar.
Er zijn nimmer nabestaanden onder druk gezet en er is evenmin zwijggeld aangeboden, aldus klaagster. Zij stelt dat de enige bron voor de beschuldiging het echtpaar Vroombout is. Verweerders hebben ten onrechte geen terughoudendheid betracht bij het raadplegen van het echtpaar als brenger van objectieve feiten. Klaagster stelt dat de dochter van het voornoemde echtpaar bij de ramp is omgekomen. Het daarop volgende verdriet en het rouwproces zijn verwikkeld geraakt in hun geschil met klaagster.
Volgens klaagster hebben verweerders zich blijkens het commentaar daarbij achter de beweringen van het echtpaar geschaard. Uit het dossier blijkt echter dat voor de beschuldigingen geen enkele grond is te vinden, aldus klaagster. Zij stelt ter zitting dat het echtpaar Vroombout aan klaagster om extra geld vroeg voor een ander huis en dat het niet klaagster was die geld bood. Zij wijst erop dat de aanvraag voor dit bedrag destijds niet is gehonoreerd en betreurt dat deze stukken in de procedure naar voren moesten worden gebracht.
Klaagster stelt dat door de eenzijdige en sensationele wijze waarop de beschuldigingen zijn gepubliceerd de berichtgeving als tendentieus kan worden gekenmerkt. Door de vormgeving hebben verweerders de schijn gewekt een grote misstand te hebben onthuld en een gevoel voor verontwaardiging gevoed, aldus klaagster. Zij meent dat hiervoor geen rechtvaardiging bestaat. Klaagster meent dat sprake is van effectbejag nu het echtpaar zo nadrukkelijk op de voorgrond is geplaatst.
Volgens klaagster is het kwalijk dat verweerders in het gesprek op 13 februari 2011 hebben gezwegen over de beschuldigingen van het echtpaar, zoals gepubliceerd in de krant van 15 februari 2011. Uit de artikelen blijkt dat de publicaties al vooraf waren gepland op twee opeenvolgende dagen, terwijl klaagster pas op 14 februari 2011 om 18.30 opnieuw door verweerders is benaderd om een reactie te geven op deze beschuldigingen. Klaagster verzocht toen om extra tijd voor een reactie omdat het gaat om feiten van achttien jaar geleden. Het kostte extra tijd om in de dossiers de communicatie met nabestaanden terug te vinden. Verweerders hebben daarop meegedeeld dat voor dergelijk onderzoek geen tijd zou worden geboden. Inmiddels heeft klaagster de briefwisselingen met het echtpaar Vroombout uit het archief gelicht en ingezien. Voor de beschuldiging aan het adres van klaagster is hierin geen enkele grond te vinden.
Klaagster stelt dat verweerders zich door de wijze van publiceren bewust waren van de ernst van de beschuldigingen jegens haar. Voorts blijkt de ernst van de beschuldigingen uit de massale media-aandacht voor het onderwerp. De beschuldigingen vormen een harde aanval op klaagsters integriteit en reputatie. De publicaties zijn volgens haar geschikt om het publiek zonder terughoudendheid van haar afkerig te maken. De hoge morele standaard en grote betrokkenheid van klaagster bij de afwikkeling van de ramp worden daarbij miskend.
Volgens klaagster zullen beschuldigingen die de krant brengt voor waar worden gehouden. Zij benadrukt dat de krant de verplichting heeft waarheidsgetrouw te berichten en onderscheid te maken tussen feiten, beweringen en meningen. Daarnaast dient onderzocht te worden of voor beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Klaagster stelt ten slotte dat het echtpaar Vroombout en hun advocaat niet zonder meer mochten worden gewaardeerd als brengers van objectieve feiten.
 
Verweerders stellen dat zij voldoende afstand hebben bewaard en dat de bevindingen van Horlings en de beweringen van Vroombout geenszins als feiten zijn gepresenteerd. Zij stellen dat klaagster voldoende gelegenheid tot een weerwoord is gegeven en dat zij hebben gehandeld in overeenstemming met journalistieke normen. Van tendentieuze berichtgeving is geen sprake.
Voor de beschuldigingen betreffende vooringenomenheid, eenzijdigheid en sensatiezucht ontbreekt ieder oordeel. Zij wijzen op de nieuwswaardigheid van het rapport, dat volgens hen steun biedt aan de conclusie dat cruciale informatie welbewust is weggelaten. Ter zitting delen verweerders mee dat zij zich bewust waren dat ook andere media het verhaal onderzochten. Het is de taak van de krant om dergelijke misstanden te signaleren. Zij stellen dat het echtpaar Vroombout niet op zoek was naar geld. Verweerders wijzen er ter zitting op dat de beschuldigingen niet slechts beweringen van een geëmotioneerde nabestaande betreffen, maar van een echtpaar dat na achttien jaar eindelijk erin slaagt wetenschappelijke steun te presenteren voor hun gevoel dat de ramp voorkomen had kunnen worden. Volgens hen dient bij berichtgeving daarover een journalist een zekere vrijheid te hebben.
Volgens verweerders is de aanleiding voor de publicaties het rapport van Horlings die als onafhankelijke deskundige op verzoek van het echtpaar Vroombout de beschikbare vluchtgegevens aan een analyse heeft onderworpen. Horlings’ voornaamste conclusies houden in dat niet de weersomstandigheden maar fouten van piloten het ongeval hebben veroorzaakt. Horlings komt daarnaast tot de conclusie dat cruciale informatie is achtergehouden door de toenmalige onderzoeksinstanties.
Verweerders stellen dat zij het rapport hebben ontvangen op de avond van 11 februari 2011 en dit tevens de versiedatum is die op het rapport staat vermeld. Klaagster is wellicht op het verkeerde been gezet door de vermelding van de datum van de eerste versie van het rapport op de voorpagina. Verweerders stellen na bestudering van het rapport hun bevindingen zo spoedig mogelijk te hebben voorgelegd aan klaagster.
Verweerders stellen dat op geen enkele wijze wordt gesuggereerd dat klaagster de hand heeft gehad in het verzwijgen of weglaten van informatie. Klaagster maakt niet duidelijk welke passages deze suggestie zouden wekken. Het enkele feit dat Horlings verwijten maakt aan het adres van de piloten, maakt niet dat daarmee wordt gesuggereerd dat klaagster zaken in de doofpot heeft willen stoppen of het onderzoek heeft tegengewerkt, aldus verweerders. Zij wijzen erop dat in de berichtgeving staat vermeld dat klaagster heeft benadrukt dat het officiële onderzoek onafhankelijk is uitgevoerd. Hiermee is voor de lezer duidelijk dat klaagster geen invloed heeft gehad op de verloop van het onderzoek.
Verweerders stellen voorts dat op geen enkele wijze wordt gesuggereerd dat zij de verwijten van Horlings ondersteunen. Volgens hen wordt er een duidelijk onderscheid gemaakt tussen feiten en meningen. Dit komt tot uitdrukking door het hanteren van citaten, aldus verweerders. Zij wijzen erop dat waar Horlings een slag om de arm houdt, dit ook door verweerders tot uitdrukking wordt gebracht.
Volgens verweerders wordt de conclusie van Horlings kernachtig herhaald in de kop. Het feit dat de kop niet tussen aanhalingstekens is geplaatst, brengt volgens hen niet mee dat de lezer op het verkeerde been is gezet. De subkoppen laten er volgens verweerders geen twijfel over bestaan dat de kop een samenvatting vormt van het onderzoek van een derde. Ook de eerste zin van het artikel maakt duidelijk dat de conclusies in de kop zijn gebaseerd op een nieuw en onafhankelijk onderzoek. Daarbij merken verweerders op dat de koppen zijn vormgegeven in de gebruikelijke opmaak. Ter zitting merken verweerders op dat het gebruik is dat koppen scherp worden aangezet.
Verweerders stellen dat het opiniestuk van Van Zon duidelijk als zodanig is te herkennen. Zij merken op dat voor een opiniestuk andere regels gelden dan voor reguliere redactionele stukken. Dat in het commentaar conclusies worden opgesomd zonder dat die worden toegeschreven aan Horlings, zal de lezer niet op het verkeerde been zetten. Verweerders menen daarbij dat lezers kennis kunnen nemen van de redactionele artikelen. De kop boven het opinieartikel geeft bovendien aan dat de kritiek niet is gericht tegen klaagster maar tegen de Raad voor de Luchtvaart en de huidige Onderzoeksraad. Volgens verweerders kan niet worden gezegd dat de beschuldigingen in het commentaar geen enkele steun vinden in de feiten.
Verweerders stellen dat de bevindingen van Horlings accuraat zijn verwerkt in de publicatie. Zij stellen dat van hen niet kan worden verwacht dat zij alle beschuldigingen onderzoeken voorafgaand aan de publicatie. Verweerders benadrukken echter dat de beschuldigingen niet klakkeloos aan hun lezers zijn opgediend. Zij menen dat het rapport en de bevindingen een voldoende betrouwbare basis vormen voor publicatie. Daarbij merken verweerders op dat Horlings vijftien jaar relevante ervaring heeft en vooral dat de bevindingen zijn gebaseerd op objectieve gegevens die op een inzichtelijke wijze zijn geanalyseerd. De beschuldigingen aan het adres van de Raad voor de Luchtvaart worden in het rapport grondig onderbouwd. Er worden in het rapport ruim dertig kritische kanttekeningen gegeven over de conclusies van het oorspronkelijke onderzoek en de oorzaken van de vliegramp. Verweerders wijzen er ter zitting op dat voor hun geen resultaatsverplichting bestaat om wetenschappelijk bewijs voor de beweringen van Horlings te leveren. Verweerders stellen dat de betrokken verslaggever alles heeft gedaan wat er van hem verwacht mocht worden en dat hij voldoende invulling heeft gegeven aan de onderzoeksplicht. Zij wijzen erop dat de verslaggever met zijn technische achtergrond voldoende kennis bezat om de merites van het rapport te beoordelen. De verslaggever heeft daarbij samengewerkt met de meest ervaren chef. Tevens hebben verweerders aanvullend onderzoek gedaan naar overige documentatie en naar de kwaliteit van het rapport. Het toegepaste wederhoor is daarnaast ook een vorm van onderzoek.
Volgens verweerders is het opvallend dat klaagster geen inhoudelijke bezwaren formuleert tegen de werkwijze van Horlings. Verweerders stellen dat de aanduiding ‘aanvullende analyse’ slechts aangeeft dat Horlings geen onderzoek ter plaatse heeft verricht of de zwarte dozen opnieuw heeft uitgelezen. In het rapport worden reeds beschikbare gegevens op een inzichtelijke en overtuigende wijze opnieuw geïnterpreteerd en met elkaar in verband gebracht. De conclusies in het onderzoek worden niet toegeschreven aan de familie Vroombout, maar worden gebaseerd op objectieve gegevens die basis verschaffen voor de bevindingen. Deze bevindingen zijn vervolgens verkort en toegankelijk weergegeven, aldus verweerders.
Voorafgaand aan de publicatie hebben verweerders bij klaagster op twee momenten wederhoor toegepast. Daarnaast hebben zij diverse malen geprobeerd om klaagster te laten meewerken aan publicaties waarin de visie, beleving en mening van klaagster, haar oprichter of de betrokken piloten aan bod hadden kunnen komen, aldus verweerders. Klaagster heeft op deze verzoeken gereageerd door terug te verwijzen naar een persverklaring die is uitgebracht op 14 februari 2011. Ook de piloten die betrokken waren bij de ramp hebben laten weten niet te willen reageren op de bevindingen van Horlings, aldus verweerders. Hoewel volgens hen voornamelijk de piloten en de onderzoekers worden gediskwalificeerd, is klaagster eveneens in de gelegenheid gesteld op de bevindingen van Horlings te reageren.
De opmerkingen van klaagster zijn adequaat verwerkt in het artikel. Dat deze opmerkingen zich wellicht niet laten kwalificeren als weerwoord houdt volgens verweerders verband met het feit dat de bevindingen geen rechtstreekse betrekking hebben op klaagster.
Volgens verweerders heeft klaagster op geen enkel moment verzocht om meer tijd voor intern onderzoek of overleg, terwijl er geen twijfel over bestond dat de bevindingen van Horlings de volgende dag in de krant zouden worden gepubliceerd. Er bestond voor hen geen aanleiding om het artikel aan te houden. Zij stellen dat zij niet verplicht waren inzage te geven in het rapport van Horlings. Wel hebben zij alle relevante feiten genoemd in het telefoongesprek met klaagster, aldus verweerders. Van een onredelijke tijdsdruk om te reageren was geen sprake. Daarnaast hebben verweerders de officiële verklaring van klaagster afgedrukt, die nauwelijks afweek van het reeds toegepaste wederhoor. Verweerders merken op dat alle officiële reacties zijn afgedrukt in de krant van 15 februari 2011. Daarnaast is met klaagster afgesproken dat zij zou komen met een inhoudelijke reactie, maar die reactie is echter nooit ontvangen.
Met betrekking tot de bewering dat klaagster nabestaanden onder druk heeft gezet om te stoppen met onderzoek of het stellen van kritische vragen, merken verweerders op dat duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen feiten en beweringen. Verweerders wijzen erop dat het citaat in de kop tussen aanhalingstekens is geplaatst en dat duidelijk is dat het citaat moet worden toegeschreven aan de familie Vroombout.
Verweerders stellen dat op 14 februari 2011 een interview heeft plaatsgevonden en dat daarin naar voren kwam dat klaagster druk zou hebben uitgeoefend om het onderzoek te staken. Verweerders hebben hierover bericht in de krant van 15 februari 2011. Volgens verweerders is het onjuist dat zij de tweede publicatie reeds gereed hadden en zij het nieuws welbewust in tweeën hebben geknipt. Verweerders stellen de beschuldigingen niet te hebben verzwegen tijdens het toegepaste wederhoor op 13 februari 2011, omdat het interview toen nog niet had plaatsgevonden.
Verweerders merken op dat zij het echtpaar niet opvoeren als brenger van objectieve feiten. De insteek van het artikel betrof de wijze waarop de familie het leed heeft ervaren van het verlies van hun dochter, aldus verweerders. Daarmee is de insteek van de publicatie anders dan op 14 februari 2011. Een nieuwswaardig element in het relaas was de opvatting dat klaagster hun probeerde de mond te snoeren. De beschrijving van de gebeurtenissen door de familie biedt volgens verweerders steun voor de conclusie dat klaagster druk heeft uitgeoefend op de familie om te stoppen met haar eigen onderzoek. Ter zitting merken zij op dat er zeer doordringend is doorgevraagd en het echtpaar standvastig was in zijn bewering. Zij wisten het voorval gedetailleerd te beschrijven. Desgevraagd delen verweerders mee dat echter andere nabestaanden hebben laten weten niet dergelijke ervaringen te hebben gehad met klaagster. Verweerders stellen daarvan verslag te doen en gepaste afstand te bewaren. Volgens hen blijkt uit de berichtgeving voldoende dat het om een gevoel gaat en niet om objectieve feiten. De lezer wordt de vrijheid gelaten om eigen conclusies te trekken.
Volgens verweerders geldt dit eveneens voor het opiniestuk van Van Zon op 15 februari 2011. Kern van het commentaar betreft de mening dat de reacties van de Vereniging van Nederlandse Verkeersvliegers en de Onderzoeksraad voor de veiligheid laakbaar zijn. Zij merken op dat ook deze partijen zijn benaderd om een reactie.
Verweerders wijzen erop dat het door de aanduiding ‘Opinie’ duidelijk is dat het stuk niet als doel heeft om de lezer te informeren over de feiten. Het feit dat Van Zon de beschuldigingen niet uitdrukkelijk toeschrijft aan het echtpaar is daarbij niet onzorgvuldig.
Volgens verweerders is op de middag van 14 februari 2011 eveneens wederhoor toegepast betreffende de beschuldigingen van het echtpaar Vroombout. Klaagster heeft in dit gesprek meegedeeld dat het te lang geleden is om na te gaan wat er destijds precies is gebeurd, maar dat zij zich niet kon voorstellen dat zij druk op nabestaanden heeft uitgeoefend, aldus verweerders. Dit wederhoor is verwerkt in het artikel van de volgende dag.
Verweerders stellen dat klaagster niet heeft gevraagd om extra tijd voor het doen van onderzoek, hoewel het voor haar duidelijk was dat zij de volgende dag zouden publiceren. Het ligt volgens verweerders ook niet voor de hand dat onderzoek na achttien jaar veel zou hebben opgeleverd, omdat een poging om af te kopen waarschijnlijk niet uitgebreid gedocumenteerd is. Daarnaast zijn off-the-record zaken besproken die duidelijk maken dat klaagster ook niet op termijn inhoudelijk zou reageren op de uitlatingen.
Verweerders menen dat het niet tendentieus is om de familie in een opvolgende publicatie op de voorgrond te plaatsen. De aantijging dat zij uit zijn op effectbejag laten verweerders voor rekening van klaagster.

BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bevat – samengevat weergegeven – de volgende onderdelen:
  1. verweerders hebben op 14 februari 2011 niet waarheidsgetrouw en eenzijdig bericht over de beschuldiging dat de oorzaak van de ramp in de doofpot zou zijn gestopt en hebben daarbij onvoldoende wederhoor toegepast;
  2. verweerders hebben op 15 februari 2011 niet waarheidsgetrouw en eenzijdig bericht over de bewering dat zwijggeld zou zijn geboden aan nabestaanden en hebben daarbij onvoldoende wederhoor toegepast.
 
Ad 1.
De Raad overweegt dat de berichtgeving op 14 februari 2011 betrekking heeft op nieuw onderzoek naar de oorzaak van de vliegramp te Faro. In de berichtgeving komt – kort gezegd – naar voren dat uit het onderzoek blijkt dat in het verleden bepaalde cruciale gegevens zijn achtergehouden en piloten de ramp hebben veroorzaakt. Niet in geding is dat het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de letselschadeadvocaat van nabestaanden van de ramp.
 
De vraag is vervolgens welke betekenis verweerders mochten hechten aan het onderzoek. Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders aannemelijk gemaakt dat zij zich voorafgaand aan de publicatie voldoende hebben ingespannen om de betrouwbaarheid van het rapport en de onderzoeker te toetsen. Uit hetgeen naar voren is gebracht met betrekking tot de werkwijze van verweerders en de expertise en ervaring van de onderzoeker is niet gebleken dat voor verweerders doorslaggevende redenen hadden moeten bestaan om te twijfelen aan de betrouwbaarheid of juistheid van het rapport. Derhalve rustte op verweerders niet een verdergaande plicht om zelfstandig onderzoek te verrichten of om de bevindingen van het rapport te controleren. In dit licht bezien acht de Raad de publicaties niet onaanvaardbaar.
 
In de berichtgeving worden naar het oordeel van de Raad de beweringen voldoende toegeschreven aan Horlings. Daarbij overweegt de Raad dat het journalistiek gebruikelijk is dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet. Daarmee worden alleen de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid overschreden als de kop geen enkele grond vindt in het artikel. Daarvan is hier – gelet op de uitkomsten van het onderzoek – geen sprake (vgl. RvdJ 2010/31).
 
De Raad overweegt dat indien aan een betrokkene om een reactie wordt gevraagd, die betrokkene niet vooraf volledige inzage hoeft te krijgen in het bronmateriaal. Dat is hier des te meer het geval nu naar het oordeel van de Raad de beschuldigingen in de berichtgeving niet rechtstreeks zijn gericht tegen klaagster. Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd acht de Raad het aannemelijk dat klaagster de strekking van de publicatie voldoende duidelijk moet zijn geweest. Haar reactie is vervolgens duidelijk in het artikel verwerkt. Daarbij komt dat verweerders na de publicatie aan klaagster meerdere mogelijkheden hebben aangeboden haar visie verder kenbaar te maken. Van die mogelijkheid heeft klaagster echter geen gebruik willen maken.
 
Voor zover de klacht zich richt tegen het opiniërende commentaar van Van Zon, overweegt de Raad dat het de journalist weliswaar vrij staat over een bepaald feit zijn mening te verkondigen, maar dat dan wel duidelijk moet zijn dat het om zijn persoonlijke opvatting gaat.
In dit geval is in het commentaar voldoende onderscheid gemaakt tussen de feiten en omstandigheden enerzijds en de daarop gebaseerde mening en opinie van verweerders anderzijds.
 
Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond.
 
Ad 2.
De berichtgeving op 15 februari 2011 heeft betrekking op nieuwe beschuldigingen van nabestaanden met betrekking tot onder meer het bieden van zwijggeld.
 
De Raad overweegt dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar (vermeend) onoorbaar handelen door klaagster tegenover de nabestaanden van de ramp. Het is immers een taak van de journalistiek om misstanden aan de kaak te stellen.
 
Dit neemt echter niet weg dat een journalist bij zijn onderzoek zorgvuldig te werk moet gaan. Bij het publiceren van beschuldigingen dient hij te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punten 2.2.5. en 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
 
Naar het oordeel van de Raad is klaagster, voor zover het de beschuldigingen betrof dat door haar zwijggeld zou zijn geboden, onvoldoende tijd gegund om inhoudelijk onderzoek te verrichten naar de juistheid van de beschuldigingen en om met een reactie te komen.
Verweerders hadden zich moeten realiseren dat zij klaagster onvoldoende tijd gunden door haar enkele uren voor publicatie te confronteren met beschuldigingen die betrekking hebben op gebeurtenissen van achttien jaar geleden. Daarnaast hebben verweerders onvoldoende aangetoond dat zij nader onderzoek hebben verricht naar de grondslag van de beschuldigingen.
 
Voor zover de klacht zich richt tegen het opiniërende commentaar van Van Zon, oordeelt de Raad dat hierin duidelijker onderscheid gemaakt had moeten worden tussen feiten, beweringen en meningen. Reeds in de eerste zin van het commentaar worden de beschuldigingen van de nabestaanden nogmaals als vaststaande feiten gepresenteerd, terwijl verweerders door het gebrek aan onderzoek er nog niet voor konden instaan dat voor deze beschuldigingen voldoende deugdelijke grondslag bestond.
 
De Raad komt dan ook tot de conclusie dat verweerders, door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld, grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is. Dit onderdeel van de klacht is derhalve gegrond.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze is gericht tegen de berichtgeving op 15 februari 2011. Voor zover de klacht is gericht tegen de berichtgeving op 14 februari 2011 is de klacht ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het AD te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 26 mei 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, H. Blanken, mr. T.E. Klein, A. Mellink MPA en mw. H.M.M. Nietsch, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, adjunct-secretaris.