2011/33 afgewezen

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van
 
F. Otten
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 10 februari 2011 (RvdJ 2011/10) betreffende zijn klacht tegen
                                                   
de hoofdredacteur van ‘Vermist’ (TROS)
 
Bij brief van 16 februari 2011 heeft F. Otten te Hamont-Achel, België (hierna: verzoeker) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 10 februari 2011 inzake de klacht van verzoeker tegen de hoofdredacteur van ‘Vermist’ (TROS) (hierna: verweerder). Verweerder heeft niet op het verzoek gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 1 april 2011, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Bij brief van 11 oktober 2010 met diverse bijlagen heeft verzoeker een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van ‘Vermist’ (TROS) over onder meer de aflevering van het televisieprogramma ‘Vermist’ van 22 januari 2010. In deze aflevering is aandacht besteed aan de ontvoering van een kleinkind van klager.
 
Bij uitspraak van 10 februari 2011 heeft de Raad de klacht van verzoeker deels ongegrond verklaard en zich voor het overige onthouden van een oordeel. De Raad heeft daarbij het volgende overwogen:
“Kern van de klacht is dat verweerder in een vervolguitzending opnieuw aandacht had moeten besteden aan de vermissing van zijn dochter, hetgeen verweerder heeft geweigerd.
De Raad overweegt dat klager niet aannemelijk heeft gemaakt waarom verweerder in een vervolgpublicatie over de betreffende vermissing zou moeten berichten. Het stond verweerder dan ook vrij om het verzoek van klager daartoe af te wijzen.
Dit leidt tot de conclusie dat verweerder op dit punt niet journalistiek onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld.
Ten aanzien van de klacht dat de uitzending van 22 januari 2010 is gebaseerd op onvoldoende achtergrondinformatie, zodat ook om die reden een vervolguitzending had moeten plaatsvinden nu de redactie is misleid door klagers schoonzoon, onthoudt de Raad zich op dit punt van een oordeel, omdat klager zijn bezwaren onvoldoende concreet heeft gemaakt.”
 
HET STANDPUNT VAN VERZOEKER
 
Verzoeker stelt dat hij wel degelijk de feiten heeft geconcretiseerd door middel van geleverde bijdragen. Voorts stelt hij dat de kern van zijn klacht niet is, dat hij uit is op een vervolguitzending.

Volgens klager is de kern dat de Raad een uitspraak doet dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, waarbij grenzen van de journalistieke waarden en normen zijn overschreden. Klager benadrukt dat mede door toedoen van verweerder, zijn schoonzoon nog steeds zijn gang kan gaan en dat de in Turkije verblijvende Nederlanders diens criminele activiteiten nog steeds aan den lijve ondervinden.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
Uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht blijkt dat hij zich niet kan vinden in de beslissing van de Raad van 10 februari 2011 betreffende zijn klacht (RvdJ 2011/10).  Dit is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
 
Naar het oordeel van de Raad heeft verzoeker met hetgeen hij in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor bedoelde beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De Raad ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing.
 
BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 29 april 2011 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. A.C. Diamand, ir. B.L. Hooghoudt, mw. M.J. Rietkerk en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.