2011/32 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
P.J. de Witt Wijnen, de hoofdredacteuren van Quote en Uitgeverij Prometheus
 
Bij brief van 15 februari 2011 met drie bijlagen heeft mw. mr. J.F.T.A. van den Eijnden, advocaat te Rotterdam, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de heer P.J. de Witt Wijnen, de hoofdredacteuren van Quote en uitgeverij Prometheus (hierna gezamenlijk: verweerders).
In een e-mail van 23 maart 2011 heeft Th. Plug, lid van de hoofdredactie van Quote, aan de Raad meegedeeld dat de hoofdredactie van Quote (hierna: Quote) in het volgende nummer van Quote haar visie op de zaak zal geven en verder niet op de klacht zal reageren.
Bij brief van 28 maart 2011 heeft mr. Ch.M. Kaaks, advocaat te Amsterdam, namens P.J. de Witt Wijnen en Uitgeverij Prometheus (hierna: De Witt Wijnen/Prometheus) op de klacht geantwoord. Vervolgens heeft mr. Kaaks bij e-mail van 30 maart 2011 nog vijf bijlagen overgelegd.
Ten slotte heeft mr. Van den Eijnden bij e-mail van 31 maart 2011 eveneens nog vijf bijlagen overgelegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 1 april 2011. Namens klager is daar voornoemde mr. Van den Eijnden verschenen, die het standpunt van klager heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Namens De Witt Wijnen/Prometheus zijn voornoemde mr. Kaaks en De Witt Wijnen verschenen, vergezeld door mr. J.H.C. Lisman, hoofdredacteur Uitgeverij Prometheus. Mr. Kaaks heeft het standpunt van De Witt Wijnen/Prometheus toegelicht aan de hand van een pleitnotitie.
 
DE FEITEN
 
In november 2010 is door Uitgeverij Prometheus een biografie van de hand van De Witt Wijnen uitgegeven onder de titel “JOEP! Van held tot hoofdverdachte”. Het boek gaat over Joep van den Nieuwenhuyzen. Over het boek en de auteur wordt op de achterflap van het boek en op de website van Prometheus het volgende vermeld:
“Joep van den Nieuwenhuyzen was de koele onderhandelaar bij de ontvoering van zijn schoonmoeder Toos van der Valk. Als ‘bedrijvendokter’ was hij de gevierde redder van noodlijdende fabrieken. Maar hij was ook goochelaar in het schuiven met geld en het verknopen van belangen. Hij stond terecht in de HSC-affaire, de eerste grote voorkenniszaak in Nederland. Na vijf jaar procederen volgde vrijspraak.
Joep vocht zich terug, met wisselend succes. Hij wilde Fokker redden, en voetbalclub NAC. Hij zou Pim Fortuyns minister van Economische Zaken worden. En hij zou de wereld gaan voorzien van tanks, duikboten en ander wapentuig.
In 2004 stortte zijn RDM-concern in. Joep wordt verantwoordelijk gehouden voor het wegsluizen van tientallen miljoenen en verdacht van het omkopen van de baas van het Rotterdamse Havenbedrijf.
Wie is de man die opnieuw verdachte is in een ongekende fraudezaak? Waarom blijft hij lachen? En: waar ligt de kluis van RDM?
 
Philip de Witt Wijnen (1970) volgt Joep van den Nieuwenhuyzen en zijn zaken sinds eind jaren negentig, toen hij [op achterflap: als journalist] begon bij zakenblad Quote. Sinds 2005 is hij financieel redacteur [op website: en columnist] van NRC Handelsblad. In 2008 won hij De Tegel, de belangrijkste journalistieke dagbladprijs van Nederland, voor de reconstructie van de overnamestrijd om ABN Amro.”
 
In het boek wordt klager in vier passages opgevoerd, waarbij zijn naam wordt vermeld. In twee van deze passages wordt hij als medeverdachte in de RDM-strafzaak aangeduid:
“Later in het onderzoek hoort het Openbaar Ministerie nog een medeverdachte in de zaak, de voormalige financieel controller van het RDM-concern [X].”
en
“Wat Van den Nieuwenhuyzen precies is gaan doen na de val van RDM – en waar – is lastig na te gaan. (…) Joni Brasschaat is de investeringsmaatschappij die Van den Nieuwenhuyzen in juni 1985 oprichtte, (…). Jaarlijks maakt hij nog keurig netjes een jaarrekening op, zij het met enige vertraging. Zo werd in februari 2010 de jaarrekening over 2008 bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd. Saillant is dat dit document verzorgd en ingestuurd is door freelance boekhoudkantoor […] uit […] van voormalig RDM-controller [X], medeverdachte in de faillissementsfraudezaak.”
 
Verder is in het decembernummer 2010 van Quote een artikel van de hand van De Witt Wijnen verschenen onder de kop “Joep - besmeurd havengeld”. De intro van het artikel luidt:
“In maart staat voormalig RDM-directeur Joep van den Nieuwenhuyzen voor de rechtbank als hoofdverdachte in de grootste ambtelijke omkopingszaak sinds de Lockheed-affaire. Eerder werd in deze zaak al Willem Scholten veroordeeld, voorheen directeur van het Rotterdamse Havenbedrijf. Wat heeft zich afgespeeld, daar in de Rotterdamse haven?”
Over klager wordt bericht als volgt:
“In de loop van het strafrechtelijk onderzoek wordt ook nog een hulpje van Van de Voort als verdachte aangemerkt, controller [X].”
Verder wordt onder de subkop “De verdachten” over klager vermeld:
“[X] (41) Ex-marinier en boekhouder. Werd in februari 2004 door Leo van de Voort bij RDM aangetrokken om te helpen met financieel puinruimen. De twee werkten ook al nauw samen bij Flex Group Nederland. Tijdens zijn verhoren als getuige in de faillissementsfraudezaak vond Justitie dat hij dermate veel had meegewerkt aan omstreden geldtransacties, dat men hem aanmerkte als verdachte. Tegenover de buitenwereld ontkent [X] bij de zaak betrokken te zijn, laat staan dat hij bij RDM gewerkt heeft. Hij is tegenwoordig in te huren als freelance controller en financieringsadviseur voor het mkb. Van den Nieuwenhuyzen maakt nog altijd gebruik van zijn diensten voor een van zijn nog bestaande investeringsmaatschappijen.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat verweerders inbreuk hebben gemaakt op zijn privacy die niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicaties.
Klager licht toe dat hij in het justitiële onderzoek naar Van den Nieuwenhuyzen in 2007 door de FIOD-ECD als getuige is gehoord. Van den Nieuwenhuyzen werd (en wordt) verdacht van ondermeer faillissementsfraude en klager was gedurende een deel van de periode waarbinnen deze vermeende fraude zich zou hebben afgespeeld als controller werkzaam voor een van de vennootschappen waar die fraude zou hebben plaatsgevonden. In april 2008 heeft klager van een opsporingsambtenaar vernomen dat de behandelend officier van justitie had besloten klager als verdachte in het lopende onderzoek aan te merken.
Klager wijst erop dat op 25 september 2010 onder de redactie van De Witt Wijnen in NRC Handelsblad een artikel is verschenen met de kop “Nieuwe verdachte in fraudezaak RDM”. In dat artikel is vermeld dat ‘naar nu blijkt nog een vierde persoon als verdachte in de zaak is aangemerkt’, waarbij klager met zijn voornaam en initiaal van zijn achternaam is aangeduid. In die publicatie wordt zijn identiteit nog beschermd, aldus klager. Hij benadrukt dat hij ruim 2,5 jaar – tussen april 2008 en september 2010 – uit de publiciteit is gebleven.
In de latere – thans gewraakte – publicaties heeft De Witt Wijnen echter geen enkele terughoudendheid meer in acht genomen en de volledige naam van klager vermeld. Door de wijze waarop verweerders klagers naam hebben gebruikt, terwijl hij verdachte is in een strafrechtelijk onderzoek, hebben zij zijn privacy geschonden en hem aangetast in zijn persoonlijke levenssfeer. De vermelding van zijn volledige naam diende geen maatschappelijk belang, laat staan een maatschappelijk belang dat zwaarder weegt dan zijn individuele belang, aldus klager. Hij meent dat verweerders niet, althans niet op verantwoorde wijze, zijn belang bij de bescherming van zijn privacy hebben afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de publicaties is gediend. De afzonderlijke publicaties vormen een ongerechtvaardigde aantasting van zijn privéleven, nu hij daardoor buiten de kring van personen bij wie hij al bekend was, eenvoudig kan worden geïdentificeerd en getraceerd.
Ter zitting wordt hieraan namens klager toegevoegd dat hij in aanzienlijke mate minder opdrachten krijgt toegekend en dat een van zijn opdrachten zelfs is ingetrokken. Verder acht klager de kans groot dat zijn gezin op de publicaties zal worden aangesproken. Daarbij wordt benadrukt dat klager ‘enkel’ verdachte is en nog niet als schuldig wordt aangezien.
Ten aanzien van Quote wordt opgemerkt dat klager, in reactie op zijn klacht bij de Raad, in het nummer van april 2011 onder de kop “Schande” wordt vergeleken met een dreinende baby die zijn zin niet krijgt. Daarbij lijkt de kop meer te slaan op de ingediende klacht dan het klachtwaardige gedrag van Quote. Los van het feit dat het een aanmatigende reactie betreft, is opnieuw zijn naam daarin vermeld, terwijl daartoe wederom geen relevant belang bestaat, aldus klager. Klager wenst zijn klacht uit te breiden en tevens te richten tegen deze publicatie. Voor het geval dat niet mogelijk is, verzoekt hij de Raad deze publicatie te betrekken bij de beoordeling van zijn oorspronkelijke klacht tegen Quote.
Ten aanzien van de door De Witt Wijnen/Prometheus opgeworpen procedurele aspecten wordt namens klager aangevoerd dat de klacht tegen Prometheus volgens het Reglement voor de werkwijze van de Raad moet worden opgevat als te zijn gericht tegen de hoofdredacteur van dat medium. Klager meent voorts dat het boek is aan te merken als een journalistieke gedraging. Hij wijst in dat verband op hetgeen over De Witt Wijnen is vermeld op de achterflap van het boek en de website van Prometheus. Bovendien wordt in het boek meerdere malen verwezen naar de hoedanigheid van De Witt Wijnen als journalist en diens betrokkenheid ten aanzien van Van den Nieuwenhuyzen. Dat De Witt Wijnen tijdens het schrijven verlof heeft gekregen van zijn werkgever NRC Handelsblad, maakt niet dat hij daardoor zijn hoedanigheid van journalist verliest. Ook de aanduidingen van het boek als ‘literaire non-fictie’ en ‘verhalende biografie’ doen niets af aan het journalistieke karakter van het boek.
Daarbij komt dat de Raad zich eerder bevoegd heeft geacht te oordelen over een vergelijkbaar boek als het onderhavige, dat is uitgegeven door Uitgeverij Bert Bakker (onderdeel van Prometheus) en door de uitgeverij is ingedeeld in de categorie ‘Nederlandse non-fictie’.
Voorts wordt ter zitting namens klager opgemerkt dat De Witt Wijnen op 12 september 2010 een telefoongesprek met klager heeft gevoerd, waaruit hij enkel heeft kunnen c.q. mogen afleiden dat klager zeer is gesteld op zijn privacy en anoniem wenste te blijven. Klager benadrukt dat De Witt Wijnen in publicaties in NRC Handelsblad van 25 september en 11 december 2010 klager wel op juiste wijze – zonder vermelding van diens volledige naam – heeft aangehaald. Klager meent voorts dat hij niet, zoals Van den Nieuwenhuyzen, kan worden aangemerkt als ‘public figure’. Dat zijn naam in een eerder openbaar verslag naar de oorzaken van het faillissement van SP Aerospace – gedateerd maart 2006 – is vermeld, kan de handelwijze van verweerders niet rechtvaardigen. Op dat moment was hij nog geen verdachte en bovendien had dat verslag een heel ander karakter en een andere doelgroep dan de gewraakte publicaties, aldus klager.
 
De Witt Wijnen/Prometheus stellen allereerst dat de Raad gedeeltelijk onbevoegd is over de klacht te oordelen. Zij menen dat een klacht alleen kan zijn gericht tegen een natuurlijk persoon en dus niet tegen een uitgeverij. Daarnaast moet onderscheid worden gemaakt tussen het boek en het artikel in Quote. Volgens De Witt Wijnen/Prometheus is het boek niet aan te merken als journalistieke gedraging. Dat het werk journalistieke elementen bevat, maakt het nog niet tot een journalistieke gedraging. De Witt Wijnen heeft voor het schrijven van het boek verlof gekregen van zijn werkgever NRC Handelsblad. Hij heeft een verhalende biografie geschreven, die leest als een roman. Om die reden wordt het boek door Prometheus ook aangeduid als ‘literaire non-fictie’ en kan het niet als journalistieke gedraging worden aangemerkt.
Verder stellen De Witt Wijnen/Prometheus dat het vermelden van de naam van klager legitiem is. Alle verdachten in de strafzaak rond Van den Nieuwenhuyzen zijn zowel in het artikel als in het boek bij name genoemd. Het is dan ook consequent – en bevorderlijk voor de leesbaarheid en de eenheid van stijl – om ook klagers volledige naam te vermelden. Daarnaast straalt de grote bekendheid van de hoofdverdachte af op de medeverdachten en hun identiteit. Voorts wordt klager verdacht van strafbare handelingen die hij in de uitoefening van zijn beroep en bedrijf heeft gepleegd. Omdat de verdenkingen in het verlengde liggen van zijn beroepsuitoefening en bedrijfsvoering, stelde De Witt Wijnen er belang in de identiteit van klager te vermelden. Bovendien is de naam van klager al vermeld in een openbare bron, te weten het onderzoeksrapport naar de oorzaken van het faillissement van RDM-dochter SP Aerospace.
Volgens De Witt Wijnen/Prometheus diende bij de afweging van het belang van klager om anoniem te blijven en het belang van de journalist om consequent, transparant en volledig te kunnen berichten, laatstgenoemd belang te prevaleren. Daarbij is van belang dat de inbreuk op de privacy van klager beperkt is, omdat de verdenkingen betrekking hebben op zijn handelwijze in de uitoefening van zijn beroep en bedrijf. Voorts is het vast gebruik om in het genre van literaire non-fictie volledige namen te vermelden. Bovendien wist klager dat hij in de gewraakte publicaties zou worden genoemd, omdat De Witt Wijnen ter verificatie van zijn publicatie van zowel het Quote-artikel als zijn biografie telefonisch contact heeft gezocht met klager.
In dat gesprek ontkende klager dat hij de [X] was die bij RDM heeft gewerkt. Hij stelde Van den Nieuwenhuyzen niet te kennen en niets met de RDM-zaak te maken te hebben. Door De Witt Wijnen aldus een rad voor de ogen te draaien, heeft klager mede in de hand gewerkt dat zijn volledige naam is vermeld. Hij heeft er bewust van afgezien om zijn wens duidelijk te maken dat hij anoniem wenste te blijven.
Ter zitting is namens De Witt Wijnen/Prometheus hieraan nog toegevoegd dat klager bij een prominente vennootschap binnen het RDM-concern de functie van controller had. Deze functie wordt wel aangeduid als het bedrijfseconomisch geweten van de onderneming. Klager is nog altijd als controller actief en levert financiële diensten vanuit zijn onderneming, waarbij hij zich richt op het midden- en kleinbedrijf. Aldus is sprake van een soortgelijke functionaris als bedoeld in punt 2.4.7. van de Leidraad van de Raad, waarin (met betrekking tot ‘advocaten, artsen, notarissen en soortgelijke functionarissen’) is bepaald dat het belang van de onderneming van betrokkene, dat mogelijk door openbaarmaking van tuchtrechtelijk verwijtbare fouten wordt geschaad, niet valt onder het privacybelang.
 
BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID
 
Conform artikel 2 aanhef en onder lid 2 sub c van het Reglement voor de werkwijze van de Raad moet een klaagschrift zijn gedagtekend en ondertekend en bevatten: (…) “een aanduiding van de journalist of journalisten op wie de klacht betrekking heeft dan wel van het medium waarop de klacht betrekking heeft. In het laatste geval wordt de klacht opgevat als te zijn gericht tegen de hoofdredacteur van dat medium.”
De klacht gericht tegen Uitgeverij Prometheus wordt derhalve beschouwd als te zijn gericht tegen de hoofdredacteur van de uitgeverij.
 
Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Krachtens artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging onder meer verstaan: “een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep”.
 
Niet ter discussie staat dat De Witt Wijnen een journalist is en dat hij ook als zodanig wordt gepresenteerd op de achterflap van het boek en op de website van Prometheus. In het boek wordt voorts meerdere malen verwezen naar zijn hoedanigheid als journalist en naar zijn jarenlange beroepsmatige interesse in Van den Nieuwenhuyzen, over wie hij ook in NRC Handelsblad en Quote heeft geschreven. Ook al wordt het onderhavige genre ook wel aangeduid als ‘literaire non-fictie’ of ‘verhalende biografie’, dat neemt niet weg dat het boek in hoge mate een journalistiek karakter heeft, waarvoor De Witt Wijnen kennelijk onderzoek heeft verricht, bronnen heeft geraadpleegd en wederhoor heeft toegepast c.q. geprobeerd toe te passen.
Aldus moet worden geconcludeerd dat het schrijven van het boek zodanig verband houdt met de beroepsuitoefening van De Witt Wijnen, dat sprake is van een journalistieke gedraging, waarover de Raad bevoegd is te oordelen. Het feit dat De Witt Wijnen verlof had van zijn werkgever maakt dit niet anders, nu hij daarmee niet de hoedanigheid van journalist verliest.
 
De Raad acht zich derhalve bevoegd over de klacht te oordelen, ook voor zover deze is gericht tegen Prometheus en betrekking heeft op het boek.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad overweegt allereerst het volgende. Klager heeft zijn klacht willen uitbreiden tot de tweede publicatie in Quote, te weten het bericht dat in het nummer van april 2011 onder de kop “Schande” is verschenen. De uitbreiding van een klacht dient echter – in het kader van een behoorlijke klachtenbehandeling – tijdig voorafgaand aan de zitting schriftelijk te geschieden. Zowel de partijen als de Raadsleden dienen zich immers op de behandeling van een klacht deugdelijk te kunnen voorbereiden. De Raad zal die publicatie dan ook alleen als informatie behorend bij de oorspronkelijke klacht betrekken. (vgl. RvdJ 2010/16)
 
Kern van de klacht is dat de privacy van klager ongerechtvaardigd is aangetast, doordat zijn volledige naam in de gewraakte publicaties is vermeld terwijl hij als verdachte is aangeduid.
 
Voorop moet worden gesteld dat de journalist waarheidsgetrouw behoort te berichten. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. (zie punt 1.1. van de Leidraad van de Raad)
Dat neemt echter niet weg dat de journalist de privacy van personen niet verder behoort aan te tasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad)
 
Bovendien dient een journalist te voorkomen dat hij gegevens in woord en beeld publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd. (zie punt 2.4.6. van de Leidraad)
Dat de identiteit van een betrokkene door een publicatie bekend wordt, maakt die publicatie echter op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privéleven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijk belang anderzijds. (vgl. onder meer: RvdJ 2009/60)
 
Klager heeft gemotiveerd gesteld belang te hebben bij bescherming van zijn privacy. Dat belang is erin gelegen dat klager en zijn gezin niet op de publicaties kunnen worden aangesproken door personen die niet wisten dat klager medeverdachte is in de RDM-strafzaak.
 
De Witt Wijnen/Prometheus hebben daartegen aangevoerd dat hun belang erin is gelegen consequent, transparant en volledig te kunnen berichten. Die argumenten bieden echter op zichzelf onvoldoende grond voor de conclusie dat met de vermelding van de naam van klager een maatschappelijk belang is gediend, dat zwaarder weegt dan het individuele belang van klager.

Naar het oordeel van de Raad had klager bijvoorbeeld ook alleen met zijn functie van ‘controller’ – al dan niet gecombineerd met een gefingeerde naam of met initialen – kunnen worden aangeduid, zonder dat afbreuk was gedaan aan de aard en inhoud van de publicaties of de leesbaarheid van het boek.
 
Verder overweegt de Raad dat De Witt Wijnen uit het telefoongesprek met klager niet mocht afleiden dat klager afzag van de wens om anoniem te blijven. Juist doordat klager ontkende de persoon te zijn met wie De Witt Wijnen wenste te spreken, had De Witt Wijnen moeten begrijpen dat klager prijs stelde op bescherming van zijn privacy. Dat klager in het gesprek met De Witt Wijnen over zijn identiteit heeft gelogen, brengt niet mee dat hij geen aanspraak meer kan maken op bescherming van zijn privacy.
 
De Raad overweegt voorts dat de grote bekendheid van een hoofdverdachte in een strafzaak niet maakt dat medeverdachten deze bekendheid zonder meer delen. De grote bekendheid van een hoofdverdachte biedt op zichzelf geen grond voor het oordeel dat met de publicatie van de naam van de medeverdachte een maatschappelijk belang is gediend dat zwaarder weegt dan diens individuele belang. Datzelfde geldt indien de hoofdverdachte of andere medeverdachten geen bezwaar maken tegen de vermelding van hun naam.
Evenmin is de Raad van mening dat personen die verdacht worden van strafbare feiten in het algemeen minder recht hebben op bescherming van hun privacy. Het gaat hier om publicaties die betrekking hebben op een actuele strafzaak, waarin klager nog niet is veroordeeld.
 
Voor wat betreft de verwijzing van verweerders naar punt 2.4.7. van de Leidraad van de Raad, overweegt de Raad dat die bepaling ziet op het openbaarmaken van tuchtrechtelijk verwijtbare fouten. Daarvan is in het onderhavige geval echter geen sprake.
Ook de vergelijking tussen het onderhavige geval en door verweerders geciteerde uitspraken van de Raad betreffende handelingen verricht in de uitoefening van beroep of bedrijf, gaat niet op. Het gaat hier immers niet om vermelding van de naam van de betrokken onderneming (vgl. RvdJ 2009/41), noch om de situatie waarin een directeur zich heeft geprofileerd als het gezicht van de onderneming en aangifte is gedaan tegen de betrokkene in de hoedanigheid van directeur van de onderneming (vgl. RvdJ 2009/64), en evenmin om het geval waarin de betrokkene zich als woordvoerder heeft opgeworpen en sprake is van aan de kaak gestelde activiteiten die op zichzelf legaal zijn (vgl. RvdJ 2008/54).
 
Dat de naam van klager in 2006 is vermeld in een onderzoeksrapport over de oorzaken van het faillissement van een RDM-dochter maakt voorts niet dat klagers naam in de RDM-strafzaak als algemeen bekend mag worden verondersteld. Die omstandigheid brengt niet mee dat aan de bescherming van klagers privacy geen waarde meer toekomt.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat met de vermelding van klagers naam diens privacy disproportioneel is aangetast. Verweerders hebben derhalve door klagers naam te vermelden de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Quote alsmede op de website van Prometheus te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 29 april 2011 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. A.C. Diamand, ir. B.L. Hooghoudt, mw. M.J. Rietkerk en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.