2011/31 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
F.J. Kwantes
 
tegen
 
de hoofdredacteur van De Gooi- en Eemlander
 
Bij brief van 10 juli 2010 met één bijlage heeft F.J. Kwantes te Hilversum (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Gooi- en Eemlander (hierna: verweerder). Vervolgens heeft klager bij brief van 20 augustus 2010 nog vier bijlagen overgelegd.
 
Vervolgens heeft op 14 oktober 2010 tussen partijen een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden onder leiding van bemiddelaars mr. V.H.G. Lebesque en mw. mr. D.C. Koene, respectievelijk voorzitter en secretaris van de Raad voor de Journalistiek. Op 12 januari 2011 heeft klager per e-mail laten weten dat de bemiddeling niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.
 
Bij brief van 16 februari 2011 heeft G. ten Dam, hoofdredacteur dagbladen HDC Media, op de klacht geantwoord.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 1 april 2011. Klager is daar in persoon verschenen. Namens verweerders waren voornoemde Ten Dam en P. Schat, redactiechef De Gooi- en Eemlander, aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op 6 maart 2010 is in De Gooi- en Eemlander een artikel verschenen onder de kop “Comenius dupe van wraakactie” met het chapeau “Leerkracht beticht van misbruik”. Het artikel opent met:
“Het Hilversumse Comenius College is ernstig in diskrediet gebracht door een wraakactie tegen een docent. Dat stelt rector Johan Veenstra naar aanleiding van anonieme beschuldigingen van grootschalige misbruik van leerlingen eind jaren zeventig, begin jaren tachtig.”
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
“Bij de schoolleiding, de politie in Hilversum en deze krant kwamen de aantijgingen per post binnen. Basis voor de beschuldigingen is een pagina uit memoires van de beschuldigde docent Nederlands, Frans Kwantes. Hij publiceerde in het personeelsblad van het Comenius College de serie ‘In de school geklapt’. Daarin vertelt Kwantes over de vele relaties tussen leerkrachten en leerlingen zo’n dertig jaar geleden. ‘Op zeker ogenblik was het bijna een must om als leraar een relatie te hebben met een leerlinge. Dit klinkt u misschien ongeloofwaardig in de oren, toch is het zo.’
Vervolgens onthult Kwantes namen van docenten ‘die het, veelal langdurig, hebben aangelegd met een hunner pupillen.’ Ook noemt hij zichzelf. ’Ik had twee jaar ‘iets’ met Carline en ben zelfs getrouwd met Michelle. Uiteraard hielden zij het niet lang bij mij uit.’”
en
“De anonieme afzender stelt dat er aangifte is gedaan bij het openbaar ministerie en de politie Hilversum. Dat blijkt niet te kloppen. Rector Veenstra: ,,Degene die hier achter zit, speelt hoog spel.” Veenstra gaat ervan uit dat de dader dezelfde is die Kwantes privé al langer het leven zuur maakt.”
en
“Van misbruik van leerlingen is volgens Veenstra absoluut geen sprake. ,,De relaties die worden genoemd kloppen, die docenten zijn nota bene getrouwd met die leerlingen. Het ging er destijds inderdaad heel anders aan toe: het was geaccepteerd dat jonge leerkrachten iets hadden met leerlingen die vaak maar een jaar of vijf jonger waren.”
Veenstra wil zo snel mogelijk namens de school aangifte doen van smaad en laster. Ook overlegt hij met zijn docent Nederlands om persoonlijk aangifte te doen. ,,Ouders moeten hun kinderen in vertrouwen kunnen overdragen. Dat staat voor ons voorop. We zijn ernstig gegriefd door deze totaal misplaatste beschuldigingen.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij door het artikel in zijn goede naam is aangetast. Hij wijst erop dat verweerder de publicatie heeft gebaseerd op een ingezonden anonieme brief. Volgens klager is die brief waarschijnlijk afkomstig van (de partner van) zijn ex-vrouw, die al jarenlang een hetze tegen hem voert betreffende de omgang van hun kinderen. Met name het baseren van het artikel op een anonieme brief, alsmede het vermelden van zijn naam, getuigt van een onzorgvuldige manier van ‘nieuws brengen’.
Volgens klager wordt in de anonieme brief gesuggereerd dat hij – en enkele collega’s – misbruik zou hebben gemaakt van leerlingen. Door het meerdere malen volledig vermelden van zijn naam in combinatie met de term ‘grootschalig misbruik’ en het chapeau ‘leerkracht beticht van misbruik’ wordt hij ten onrechte geassocieerd met misbruik en ander ontoelaatbaar gedrag, aldus klager.
Hij licht toe dat in het artikel wordt verwezen naar een van de ruim vijftig columns van zijn hand in het personeelsblad, die zijn gebundeld en in december 2008 onderdeel waren van het kerstpakket van de school. In de column maakt hij melding van ‘andere tijden’, hetgeen bepaald niet betekent dat anno 2010 die beschreven gebeurtenissen nog steeds ‘acceptabel’ zijn, integendeel.
Klager stelt voorts dat de betreffende journalist in de week voor de publicatie contact heeft gehad met de politie Hilversum, de rector en kort met klagers advocate. Klager is niet duidelijk geworden dat zij akkoord gingen met de prompte publicatie, noch in deze vorm. Hij wijst erop dat geen contact met hèm is opgenomen, zodat hij geen kans heeft gekregen de onjuiste associatie met misbruik te voorkomen of de kwestie nader toe te lichten.
Volgens klager waren velen ontzet over de publicatie van het ‘verhaal’. Dat de publicatie voor klager negatieve gevolgen heeft gehad, blijkt onder meer uit het feit dat het instituut waar hij bijlessen gaf, per direct de samenwerking heeft opgezegd.
Op 17 maart 2010 heeft klager in een brief aan de redactiechef zijn bezwaren tegen de publicatie kenbaar gemaakt, maar daarop heeft hij geen bevredigende reactie ontvangen.
Ter zitting heeft klager hieraan toegevoegd dat het artikel naar zijn mening geen nieuwswaarde heeft, nu het gaat om een privékwestie tussen hem en zijn ex-vrouw. Het betreft voor klager een gevoelig onderwerp, omdat hij in zijn echtscheidingsprocedure valselijk is beschuldigd van misbruik van zijn kinderen.
Dit is onder meer de reden dat hij, ondanks het deels nakomen door verweerder van de in het bemiddelingsgesprek gemaakte afspraken, de procedure voortzet. Klager wil dat media zich bewust worden van de verantwoordelijkheden die zij hebben, met name jegens ‘geplaagde individuen’ die de dupe zijn van stemmingmakerij.
Klager benadrukt verder dat misbruik van leerlingen c.q. kinderen tegenwoordig een ‘hot item’ is en dat de ten onrechte gewekte suggestie daarom bijzonder belasterend en grievend is.
Daarnaast maakt klager duidelijk dat zijn echtscheidingsadvocate zelf contact heeft opgenomen met de journalist ten einde meer te weten te komen over de anonieme brief. Dat is echter niet gebeurd op klagers initiatief, hij heeft zijn advocate niet gemachtigd om hem in deze te vertegenwoordigen. Het overleg tussen zijn advocate en de journalist kan dan ook niet worden beschouwd als het toepassen van hoor en wederhoor. Desgevraagd deelt klager verder mee dat hij van de rector van de school heeft vernomen dat deze niet de indruk had dat er over de kwestie zou worden gepubliceerd.
Ten slotte deelt klager desgevraagd mee dat hij tevreden is met de publicatie van 24 maart 2011 in De Gooi- en Eemlander, waarbij (ter uitwerking van de afspraken bij de bemiddeling) in de rubriek ‘Meningen & Achtergrond’ een interview met klager is geplaatst onder de kop “’Moeders kunnen vaders slopen’” met het chapeau “Hilversumse vader wil aan de kaak stellen dat rechtssysteem het vechtende moeders makkelijk maakt”. Maar volgens klager moet deze publicatie los worden bezien van de gewraakte publicatie van ruim een jaar eerder, en kan deze niet als (voldoende) genoegdoening worden beschouwd.
 
Verweerder stelt dat de goede naam van klager niet is bezoedeld. In het artikel worden de aantijgingen van grootschalig misbruik uit de anonieme brief juist weerlegd. Naar aanleiding van de anonieme brief is contact opgenomen met de rector van de school en de politie. Voorts heeft een gesprek plaatsgevonden met de advocate van klager, die zelf met verweerder heeft gebeld. De rector noch klagers advocate heeft erop gewezen dat publicatie mogelijk negatieve gevolgen voor klager zou hebben. De redactie was dan ook zeer verbaasd toen klager zich meldde met bezwaren over de publicatie.
Volgens verweerder is gepoogd – in de bemiddeling en daarvoor – de kwestie met klager uit te praten. Beide partijen hebben hun posities kunnen verduidelijken en van de zijde van de krant is spijt betuigd over de nadelige effecten voor klager. Zo was het voor de redactie niet te voorzien dat klager zijn bijbaan zou verliezen bij het instituut waar hij bijlessen gaf. Naar aanleiding van het bemiddelingsgesprek heeft Ten Dam de directie van het instituut per brief een uitleg gezonden en verzocht het besluit te heroverwegen.
Sinds de bemiddeling zijn er in twee richtingen stappen gezet. Enerzijds heeft contact plaatsgevonden tussen de redactie en klager over een publicatie betreffende de schrijnende positie waarin mannen na echtscheiding door hun wraakzuchtige ex kunnen worden gebracht. Dit heeft geresulteerd in de publicatie van 24 maart 2011. Zoals uitgebreid tussen partijen besproken en door klager onderschreven, is de motivering voor die productie louter journalistiek en niet ter genoegdoening.
Anderzijds is er contact geweest tussen de hoofdredactie en klager, waarbij is gebleken dat het klager om geld is te doen. Klager is duidelijk gemaakt dat daarvan geen sprake kan zijn, omdat de krant geen schuld erkent. Weliswaar is tijdens het bemiddelingsgesprek aan de orde gesteld dat uit coulance zou worden bekeken of een symbolisch financieel gebaar kon worden gemaakt, maar de hoofdredactie wenste niet akkoord te gaan met de ter zake door klager opgestelde berekening.
Ter zitting voegt Schat hieraan toe dat de redacteur – na de gevoerde gesprekken met de rector, politie en advocate van klager – van mening was dat het verhaal compleet was. Bovendien is klager in het Gooi een bekend figuur en er werden geen zaken onthuld. Het verhaal was immers bij klager bekend, nu hij daarover zelf in zijn column had geschreven. Er was derhalve geen reden om klager te benaderen.
Verder deelt Schat mee dat de krant niet snel namen anonimiseert. Daarbij komt, dat duidelijk was dat klager in het artikel werd vrijgepleit van de beschuldigingen. Desgevraagd laat hij weten dat de publicatie volgens de redactie wel degelijk nieuwswaarde had, nu het ging om een anonieme brief met aantijgingen aan het adres van docenten van een plaatselijke school, die aan diverse media, de betrokken school en de politie was verstrekt. Ter zitting heeft Schat aan de Raad een kopie van de anonieme brief overgelegd.
Ten slotte heeft Schat toegegeven dat het achteraf bezien – mede gelet op de ervaringen van klager met diens echtscheidingsprocedure – beter was geweest als klager voorafgaand aan de publicatie was benaderd. De onderhavige kwestie is dan ook een les voor de redactie geweest.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Allereerst wil de Raad zijn waardering uitspreken voor de wijze waarop verweerder medewerking heeft verleend aan de bemiddelingspoging. Het is in verweerder te prijzen dat hij het merendeel van de in het bemiddelingsgesprek gemaakte afspraken ruimhartig is nagekomen. In dat verband merkt de Raad ten overvloede op dat het niet aan de Raad is om zich uit te laten over de (on)rechtmatigheid van de berichtgeving en de mogelijke schade die door klager is geleden.
 
Verder overweegt de Raad dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. (zie punt 1.2. van de Leidraad van de Raad) Het stond verweerder derhalve vrij om naar aanleiding van een onder meer bij hem binnengekomen anonieme brief, onderzoek bij de politie en de school te verrichten naar het achterliggende verhaal en mede op basis van dat onderzoek het artikel van 6 maart 2010 te publiceren. Voor zover de klacht erop ziet dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door het artikel te publiceren op basis van een anonieme brief, is deze ongegrond.
 
De Raad overweegt voorts dat klager bij het schrijven van zijn column, ook al was deze slechts bestemd voor een beperkte groep personen, erop bedacht had moeten zijn dat hij op de daarin beschreven gebeurtenissen op voor hem negatieve wijze – al dan niet openbaar – zou kunnen worden aangesproken.
 
Het voorgaande neemt echter niet weg dat de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor behoort toe te passen bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
De Raad acht van belang dat het chapeau de zinsnede ‘leerkracht beticht van misbruik’ bevat en dat in de tekst de term ‘grootschalig misbruik’ wordt gebruikt. Weliswaar blijkt uit het artikel voldoende duidelijk dat klager geen onoorbaar gedrag valt te verwijten, maar niet valt uit te sluiten dat – door gebruik van de hiervoor bedoelde termen – de handelwijze van klager door het lezerspubliek als moreel verwerpelijk zal worden opgevat.

Nu verweerder er voorts voor heeft gekozen de naam van klager voluit te vermelden, had hij klager voorafgaand aan de publicatie gelegenheid behoren te bieden om te reageren. Door dit na te laten heeft verweerder de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Op dit punt is de klacht dan ook gegrond.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op het niet-toepassen van wederhoor in combinatie met de vermelding van klagers naam. Voor zover de klacht erop ziet dat het artikel is gepubliceerd op basis van een anonieme brief, is deze ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Gooi- en Eemlander te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 29 april 2011 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. A.C. Diamand, ir. B.L. Hooghoudt, mw. M.J. Rietkerk en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.