2011/29 ongegrond onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van AD/Rotterdams Dagblad
 
Bij brief van 16 december 2010 met twee bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van AD/Rotterdams Dagblad  (hierna: verweerder). Hierop heeft P. de Jonge, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 28 januari 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 maart 2011. Klager is daar verschenen. Aan de zijde van verweerder is voornoemde De Jonge verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 2 december 2010 is in AD/Rotterdams Dagblad een artikel verschenen onder de kop “Vuurwerk nekt Pim-fanaat” en het chapeau “Bekendste fan in problemen door illegale explosieven”. De intro van dit artikel luidt:
“[X] besteedt desnoods zijn laatste cent om zijn held Pim Fortuyn te eren. Bij het bij elkaar scharrelen van dat geld ging het echter mis. Celstraf dreigt wegens illegale vuurwerkhandel.”
Het artikel bevat verder de volgende passages:
“In een pakhuis in de […]straat in Delfshaven vond de politie vorig jaar december een forse hoeveelheid verboden Chinese rollen en lawinepijlen tussen promotiemateriaal van Leefbaar Rotterdam. Het explosieve goedje was zonder bescherming opgeslagen.
Leefbaar Rotterdam nam gisteren direct afstand van [X], die nooit lid was van de partij, maar vroeger wel tot de fanatieke plakploeg van de partij behoorde. Omgekeerd probeerde [X] gisteren in zijn zoektocht naar alibi juist de contacten met de lokale partij aan te halen. ,,Er zijn een stuk of zes partijleden die van het pakhuis een sleutel hebben,” vertelde hij gisteren in de rechtbank. ,,Het vuurwerk kan ook van hen zijn.””
en verder:
“Agenten troffen in zijn opvallende Mitsubishi, die als actiebus van de Vrienden van Pim Fortuyn veelvuldig voor het stadhuis stond geparkeerd, ruim 70 kilo illegale klappers aan. Bovendien liep de actievoerder tegen de lamp in een huurbusje. Toen hij op de Tjalklaan werd aangehouden, bleek hij 760 kilo vuurwerk te vervoeren.”
 
Vervolgens is op 3 december 2010 in AD/Rotterdams Dagblad een rectificatie verschenen onder de kop “Rectificatie nekt Pim-fanaat”. De rectificatie bevat de volgende tekst:
“In het AD Rotterdams Dagblad van gisteren stond ten onrechte dat leden van Leefbaar Rotterdam toegang hadden tot een Rotterdams pakhuis waarin illegaal vuurwerk is gevonden. Het pakhuis was in gebruik door [X], die daar onder meer flyermateriaal opsloeg. Leefbaar Rotterdam heeft niets van doen met het materiaal dat daar opgeslagen lag.”
 
Op 16 december 2010 verscheen vervolgens in AD/Rotterdams Dagblad een artikel onder de kop “Celstraf voor Fortuyn-fanaat”. Het artikel bevat de volgende passages:
“Voor de grootschalige opslag van illegaal vuurwerk is ‘Vrienden van Pim Fortuyn’-voortrekker [X] (54) gisteren veroordeeld tot zes maanden cel, waarvan de helft voorwaardelijk.”
en:
“De rechter hekelde de levensgevaarlijke manier waarop de twee honderden kilo’s vuurwerk met te zware springladingen had opgeslagen in druk bevolkte woonbuurten. Het vuurwerk lag vanaf 2005 onder meer opgeslagen in auto’s, garageboxen en in een haringkraam op de […]weg.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat de gewraakte artikelen meerdere onwaarheden bevatten. Hij erkent dat hij door de politie is aangehouden wegens het vervoeren van te veel vuurwerk, maar volgens hem worden de feiten in de berichtgeving overdreven.
Ter zitting stelt klager dat in de berichtgeving wordt gesproken over 70 kilogram illegaal vuurwerk en daarbij de term ‘illegale explosieven’ wordt gehanteerd, terwijl in de Mitsubishi-bus slechts één illegale Chinese rol van circa 7 kg was opgeslagen. Hij wijst erop dat in de berichtgeving daarnaast onvoldoende onderscheid wordt gemaakt tussen het vervoeren van illegaal vuurwerk en het in bezit hebben van te veel legaal vuurwerk. Ook wordt volgens klager in de berichtgeving ten onrechte gesuggereerd dat leden van Leefbaar Rotterdam bij de opslag van vuurwerk betrokken waren. Weliswaar heeft verweerder dit gerectificeerd, maar volgens klager is die rectificatie te summier. Die had volgens hem duidelijk moeten maken dat mensen van Leefbaar Rotterdam geen sleutel hadden van het betrokken pand en dat daar evenmin flyermateriaal van de partij lag opgeslagen. Volgens klager zijn daarnaast de feiten omtrent het leveren van vuurwerk aan Sørensen van Leefbaar Rotterdam onjuist weergegeven. Klager wijst erop dat dit niet tijdens zijn strafproces aan de orde is gekomen.
Met betrekking tot het artikel van 16 december 2010 merkt klager op dat daarin ten onrechte wordt gesproken over grootschalige opslag van illegaal vuurwerk in garageboxen en een haringkraam op de […]weg. Daarbij wijst klager erop dat de haringkraam eigendom is van zijn vriendin, die niets met de zaak te maken heeft. Hij benadrukt dat de haringkar niet is gebruikt voor opslag van vuurwerk. Ter zitting voegt klager hieraan toe dat het voorgaande tijdens het strafproces eveneens niet aan de orde is geweest. Volgens klager is de haringkar slechts met betrekking tot een telefoontap genoemd, waarbij de broer van klager vroeg of vuurwerk in de haringkar kon worden opgeslagen. Klager stond hier echter negatief tegenover.
Klager stelt dat hij in de artikelen op een oneerlijke manier schandalig wordt neergezet. Hij heeft er geen moeite mee dat aandacht aan de zaak wordt besteed. Maar dan moet wel de waarheid worden gesproken en moeten de verhalen niet worden verdraaid.
 
Verweerder stelt dat in de maand december drie keer verslag is gedaan van de rechtszaak tegen klager. De reden van de berichtgeving is dat illegaal vuurwerk in de weken voor de jaarwisseling, gezien het karakter van dit vuurwerk, extra aandacht krijgt van politie en justitie. Tevens is aandacht besteed aan de zaak omdat klager kan worden aangemerkt als een bekende Rotterdammer, die zich inzet om het gedachtegoed van wijlen Pim Fortuyn levend te houden.
Verweerder wijst erop dat klager de inhoud van de artikelen op hoofdlijnen niet bestrijdt. Zo meldt het bericht dat klager is veroordeeld tot zes maanden cel, waarvan de helft voorwaardelijk. Volgens verweerder hekelde de rechter tijdens de zitting de levensgevaarlijke wijze waarop klager en zijn veroordeelde broer honderden kilo’s vuurwerk met te zware springladingen hadden opgeslagen in drukbevolkte woonbuurten, garageboxen en auto’s.
Voor zover in het artikel ook de haringkar van de vriendin van klager wordt genoemd als opslagplaats van illegaal vuurwerk, stelt verweerder dat van laster geen sprake is. In het artikel wordt de vriendin van klager namelijk niet genoemd en wordt evenmin gesuggereerd dat zij actief betrokken zou zijn bij de opslag van illegaal vuurwerk. Daarbij merkt verweerder op dat het publiek waarschijnlijk niet op de hoogte is van de eigendomsverhoudingen en mogelijk veronderstelt dat klager de eigenaar van de kar is. Klager is in de zomermaanden namelijk regelmatig druk met de bevoorrading van de haringkraam.
Volgens verweerder is tijdens de zitting van de rechtbank een telefoontap behandeld waarin de broer van klager vertelt dat hij vuurwerk in de haringkar heeft opgeslagen. Tijdens de rechtszitting is de inhoud van deze telefoontap niet weersproken door klager, aldus verweerder. Ter zitting voegt verweerder hieraan toe dat hij het transcript van de zitting bij de rechtbank heeft opgevraagd, maar dat dit nog niet is verstrekt.
Met betrekking tot de gesuggereerde betrokkenheid van Leefbaar Rotterdam merkt verweerder op dat klager ter zitting vertelde dat ook andere Fortuyn-aanhangers een sleutel hadden van de vuurwerkopslagplaats. Ter zitting is tevens gemeld dat de politie aan Fortuyn gerelateerd promotiemateriaal had aangetroffen. Daaruit heeft verweerder een verband opgemaakt met Leefbaar Rotterdam. In dit kader wijst verweerder erop dat in de rechtszaak ook een telefoontap met Sørensen aan de orde kwam. Verweerder heeft middels een rectificatie erkend dat ten onrechte de suggestie is gewekt dat leden van Leefbaar Rotterdam toegang hadden tot het pakhuis.
Al met al is verweerder van mening dat de publicaties over de opslag van vuurwerk in de haringkar rechtmatig waren en geen zaken zijn gepubliceerd die onwaar zijn.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht is dat de artikelen tendentieus zijn nu daarin zaken ten onrechte zijn uitvergroot of onjuist zijn weergegeven.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist waarheidsgetrouw dient te berichten. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het feit waarover wordt bericht. Bovendien maakt de journalist in de berichtgeving een duidelijk onderscheid tussen feiten, beweringen en meningen. (zie punten 1.1. en 1.4. van de Leidraad van de Raad)
 
Met betrekking tot de in het artikel van 2 december 2010 opgenomen verwijzing naar Leefbaar Rotterdam, overweegt de Raad dat verweerder heeft erkend dat de vermelde suggestie niet op een juiste interpretatie van het verhandelde tijdens de zitting bij de rechtbank is gebaseerd.
 
Verweerder heeft om die reden direct de volgende dag, op 3 december 2010, op eigen initiatief een rechtzetting geplaatst. Naar het oordeel van de Raad betreft het een voldoende ruimhartige rectificatie die ondubbelzinnig duidelijk heeft gemaakt dat de berichtgeving in het artikel van 2 december 2010 op het punt van de gesuggereerde betrokkenheid van Leefbaar Rotterdam niet juist was. (zie punt 6.1. van de Leidraad)
 
Klager stelt voorts dat de berichtgeving over de hoeveelheid illegaal vuurwerk die is aangetroffen onjuist is. In dit kader overweegt de Raad dat in het kader van de strafzaak een onderscheid bestaat tussen het hebben van illegaal vuurwerk en het hebben van te veel legaal vuurwerk. Naar het oordeel van de Raad maakt de omstandigheid dat verweerder dit onderscheid niet uitdrukkelijk heeft gemaakt niet dat sprake is van tendentieuze berichtgeving. De strekking van het artikel, gelet op de door klager gepleegde feiten en het oordeel van de rechter daarover, wordt door het verwaarlozen van dit onderscheid niet aangetast.
 
Voorts heeft klager in zijn klacht naar voren gebracht dat in het artikel van 16 december 2010 ten onrechte is verwezen naar de haringkar van zijn vriendin. Tussen klager en verweerder is in geschil wat tijdens de rechtszitting over het gebruik van een haringkar voor de opslag van vuurwerk is gemeld. Nu de Raad op basis van het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken de juistheid van de berichtgeving over de haringkar niet kan vaststellen, onthoudt hij zich op dit punt van een oordeel. 
 
BESLISSING
 
De Raad onthoudt zich van een oordeel voor zover de klacht betrekking heeft op de berichtgeving inzake mogelijke opslag van vuurwerk in de haringkar. Voor het overige is de klacht ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 19 april 2011 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, mw. drs. R.T. Kervezee, mw. E.J.M. Lamers en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, adjunct-secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.