2011/28 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
B. van der Hoeven en de hoofdredacteur van De Gelderlander
 
Bij brief van 2 februari 2011 met drie bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen B. van der Hoeven en de hoofdredacteur van De Gelderlander (hierna: verweerders). Hierop heeft K. Pijnappels, hoofdredacteur, geantwoord bij e-mailbericht van 10 maart 2011. Ten slotte hebben verweerders nog een bijlage overgelegd bij e-mailbericht van 15 maart 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 maart 2011 in aanwezigheid van klager. Verweerders zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 30 augustus 2010 is in De Gelderlander een artikel verschenen van de hand van Van der Hoeven met de kop “Directeur basisschool [plaatsnaam] op non-actief”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Directeur [X] van basisschool [naam school] in [plaatsnaam] is door het schoolbestuur op non-actief gezet. Dat is vrijdag meegedeeld aan het personeel. De bestuursmaatregel is genomen nadat 45 van de 47 personeelsleden van de school, al voor de zomervakantie, een motie van wantrouwen tegen de directeur indienden.”
en
“De voorzitter van het schoolbestuur, […], wilde gisteren niet inhoudelijk reageren. [X] nam zijn telefoon niet op.”
Diezelfde dag is op pagina 13 een vervolgartikel geplaatst onder de kop “’Gebrek aan inzet directeur’”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
“[woonplaats] [X] werd op 1 november 2007 benoemd als directeur van de basisschool in [plaatsnaam]. Al enkele maanden na zijn aanstelling klonk gemor in het lerarenkorps. [X] voerde veranderingen door die op verzet stuitten. Volgens velen was die nieuwe aanpak echter hard nodig: (…)
en
“Na bijna drie jaar lijkt [X] alle krediet te hebben verspeeld. Slechts twee personeelsleden hebben de motie van wantrouwen niet ondertekend. Volgens medewerkers heeft [X] in de periode dat hij directeur is de school ‘naar de afgrond geleid’. De eens stabiele financiële positie is volgens insiders tenietgedaan. Personeel verwijt hem tevens gebrek aan inzet en organisatievermogen.”
 
Vervolgens is op 16 november 2010 is in De Gelderlander een artikel verschenen met de kop “Directeur [X] niet meer terug op school”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passage:
“In een persverklaring is de reden van het vertrek heel voorzichtig geformuleerd. ‘Vanwege een onderwijsinhoudelijk verschil van inzicht en verschil van inzicht over de wijze waarop veranderingen moesten worden doorgevoerd, zijn directeur en bestuur in goed overleg uit elkaar gegaan. Er is geen sprake geweest van financieel en onderwijsinhoudelijk wanbeleid’.
Met die laatste zin refereren zij aan een artikel in deze krant. Daarin meldt een anoniem personeelslid juist wel dat het financieel beleid en het gebrek aan inzet van de directeur reden van het vertrek zijn.
In de persverklaring nemen beide partijen daar afstand van. Ze weigeren verder commentaar.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat verweerders journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld door in de artikelen zijn naam te vermelden, terwijl dat maatschappelijk niet relevant was. Hoewel verweerders de publicatie later hebben geanonimiseerd, hebben verweerders onvoldoende gereageerd op het verzoek van klager de informatie van internet te halen dan wel contact en samenwerking te zoeken met Google en degenen, die de publicatie integraal hebben overgenomen. Ter zitting wijst klager erop dat de berichtgeving betrekking heeft op een kleine gemeenschap met één school, maar is verschenen in de Nijmeegse editie van de krant. Voor de gemiddelde lezer in die regio – die klager niet kent – is vermelding van zijn naam van geen belang, aldus klager.
Verder stelt hij dat verweerders hebben nagelaten wederhoor toe te passen. Het weekend voor de publicatie op 30 augustus 2010 was hij thuis telefonisch bereikbaar. Bovendien had Van der Hoeven eenvoudig het mobiele nummer van klager kunnen achterhalen en eventueel een bericht kunnen inspreken op de voicemail. Ook had Van der Hoeven bij klager aan huis kunnen langskomen, zoals hij bij anderen heeft gedaan. Na de publicatie van 30 augustus 2010 (verschenen op maandagochtend) heeft klager op aanraden van zijn vakbondsadvocaat – vanwege de toen nog lopende procedure tussen klager en zijn werkgever – ervoor gekozen niet meer inhoudelijk te reageren.
Ten slotte meent klager dat de inhoud van de artikelen – eenzijdig verkregen via een aantal anonieme bronnen – ten onrechte niet is geverifieerd. Ter zitting benadrukt hij in dit verband dat van financieel wanbeleid geen sprake is.
Klager deelt desgevraagd ter zitting mee dat het kwaad is geschied bij de publicatie van 30 augustus 2010 en dat hij ten gevolge daarvan in een hele andere situatie terecht is gekomen. Hij is weliswaar direct daarna nog door verweerders benaderd en in de gelegenheid gesteld zijn visie te geven, maar dat was ‘mosterd na de maaltijd’. De publicatie heeft geleid tot commotie binnen zijn gezin en eventuele nieuwe opdrachtgevers/werkgevers vragen direct hoe het zit met die publicatie. Vooral de publicatie van 30 augustus 2010 heeft hem schade berokkend, aldus klager.
 
Verweerders stellen dat hun handelwijze ten aanzien van de berichtgeving journalistiek-ethisch correct is geweest. Er is meerdere malen gepoogd wederhoor te plegen door klager in de gelegenheid te stellen te reageren. Klager bleek niet bereikbaar c.q. niet tot medewerking bereid. Het weekend voor de publicatie van 30 augustus 2010 was klager niet bereikbaar en op de dag van de publicatie (maandag) wilde klager niet inhoudelijk reageren.
Aangezien het vertrek van klager een feit bleek te zijn dat door verschillende betrouwbare bronnen is bevestigd, mochten verweerders de artikelen als zodanig publiceren. Nieuwswaarde en het maatschappelijk belang zijn voor de [plaatsnaam] gemeenschap evident, aldus verweerders. Zij lichten toe dat Van der Hoeven op zaterdag 28 augustus 2010 een tip kreeg dat klager na de zomervakantie niet zou terugkeren, dat sprake was van een motie van wantrouwen en dat het bestuur klager op non-actief zou stellen. Van der Hoeven heeft twee leerkrachten gebeld, die het verhaal bevestigden. Ook de voorzitter van het bestuur gaf toe dat klager niet zou terugkeren en dat de kinderen op maandag een brief over de kwestie zouden meekrijgen, maar hij ging verder niet inhoudelijk op de zaak in. Vervolgens is Van der Hoeven bij een leerkracht thuis geweest, waar hij mailverkeer heeft ingezien. Voor Van der Hoeven stond onomstotelijk vast wat er aan de hand was.
Verweerders menen voorts dat het vermelden van de volledige naam van klager in dit specifieke geval een vanzelfsprekendheid is. In een kleine gemeenschap met slechts één school is het schoolhoofd een publiek figuur, wiens naam bij iedereen bekend is. De naam achterwege laten is dan eenvoudigweg niet reëel. Verweerders wijzen er in dat verband nog op dat zij zowel bij het aantreden van klager als bij latere verhalen over de school de naam van klager hebben gepubliceerd. Bovendien is/was klager geen verdachte, zodat anonimiseren geen enkel doel leek te dienen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad overweegt dat door de publicatie van 30 augustus 2010 de indruk wordt gewekt dat de schorsing van klager als directeur van de basisschool te wijten is aan ‘gebrek aan inzet en organisatievermogen’ van klager en diens (financiële) wanbeleid.
Aldus kan worden geconcludeerd dat klager door de berichtgeving in ernstige mate is gediskwalificeerd. Daarbij komt dat verweerders hun gegevens grotendeels hebben gebaseerd op anonieme, althans in de berichtgeving niet genoemde bronnen.
 
Uit een oogpunt van evenwichtige berichtgeving dient bij voorkeur in een en dezelfde publicatie tot uitdrukking te komen dat met betrekking tot negatieve kwalificaties die de belanghebbende raken, wederhoor is toegepast. Verweerders hebben aangevoerd dat klager voorafgaand aan de publicatie van 30 augustus 2010 niet bereikbaar was, hetgeen klager gemotiveerd heeft weersproken. In ieder geval staat vast dat in die publicatie geen reactie van klager is opgenomen.
 
Het voorgaande in aanmerking genomen bestaat grond voor het oordeel dat de privacy van klager door de vermelding van zijn volledige naam disproportioneel is geschaad. Aangezien verweerders ervoor hebben gekozen ernstige beschuldigingen aan het adres van klager te publiceren, die vooral zijn gebaseerd op anonieme – voor de lezer niet kenbare – bronnen, zonder daarbij een reactie van klager op te nemen, hadden zij de naam van klager behoren te anonimiseren.
Daarbij overweegt de Raad dat klager weliswaar als directeur van een basisschool in de lokale gemeenschap als min of meer publieke figuur kan worden aangemerkt, maar dat de vermelding van zijn naam in dit geval journalistiek niet noodzakelijk was. Bij de [plaatsnaam] gemeenschap zou door het achterwege laten van de naam van klager geen verwarring zijn ontstaan, terwijl anderzijds door het vermelden van zijn naam klager ook buiten de omgeving van [plaatsnaam] aan ongewilde publiciteit is blootgesteld. Klager had ook kunnen worden aangeduid als ‘directeur van een basisschool’, zonder dat afbreuk was gedaan aan de inhoud van de berichtgeving. (zie punten 2.4.1. en 2.4.2. van de Leidraad van de Raad)
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door over klager te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Gelderlander te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 15 april 2011 door mr. V.G.H. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. drs. M.G.N. Mathot, mw. drs. J.X. Nabibaks en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.