2011/27 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
ICCO
 
tegen
 
M. Koolhoven en de hoofdredacteur van De Telegraaf
 
Bij brief van 24 januari 2011 met een bijlage heeft M. Verweij, voorzitter Raad van Bestuur, namens de interkerkelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking ICCO (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen M. Koolhoven en de hoofdredacteur van De Telegraaf (hierna: verweerders). Bij e-mailbericht van 9 februari 2011 heeft klaagster nog een bijlage overgelegd. Verweerders hebben niet op de klacht gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 maart 2011. Van de zijde van klaagster zijn J.P. Wieldraaijer, directiesecretaris, en J. Huseman, persvoorlichter, verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 15 december 2010 is in De Telegraaf een artikel van de hand van Koolhoven verschenen onder de kop “Hulporganisatie neemt asielzoekers mee terug” met het chapeau “‘Gasten’ van ICCO hier meteen procedure in”. De intro van het artikel luidt:
“Medewerkers van de interkerkelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking, het ICCO, hebben jarenlang vanuit derdewereldlanden asielzoekers mee teruggenomen naar Nederland. Bij aankomst in Nederland vroegen hun ‘gasten’ vervolgens asiel aan.”
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
“Medewerkers van het ICCO hebben tijdens terugvluchten naar Nederland aan medepassagiers verteld hoe ze jarenlang asielzoekers meenamen naar Nederland.”
en
“Lezers van De Telegraaf deden verslag van de gesprekken met de ICCO-medewerkers. Eén van hen vertelt: ,,De man werkte voor het ICCO en hij vertelde dat hij altijd drie asielzoekers mee terugnam naar Nederland.(…)””
en
“Een andere lezer meldt: ,,Ik zat in het vliegtuig terug naar Nederland en kwam in gesprek met de man naast mij. Hij vertelde dat hij voor het ICCO in Afrika was geweest en nu terug naar Nederland ging met twee vluchtelingen. In Nederland zouden ze de asielprocedure ingaan of worden opgevangen door de kerken.””
en
“Een woordvoerder van het ICCO benadrukt dat het verzorgen van een reis van asielzoekers naar Nederland beslist geen onderdeel uitmaakt van het standaardbeleid van de interkerkelijke hulporganisatie. De organisatie houdt het erop dat het om individuele acties van medewerkers of vrijwilligers gaat, die niet met instemming van het ICCO hebben plaatsgevonden.”

HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER
 
Klaagster stelt dat het artikel onjuistheden bevat, die door geen enkel feit zijn gestaafd. Het artikel heeft klaagster ernstige schade berokkend en klaagster heeft veel negatieve reacties naar aanleiding van het artikel gekregen. De PVV heeft over de inhoud van het artikel Kamervragen gesteld en heeft een motie ingediend tot stopzetting van overheidssubsidie aan klaagster.
Op woensdag 8 december 2010 heeft Koolhoven contact gezocht met klaagster met het verzoek om een interview. Hij heeft daarbij de vraag gesteld of het klopt dat er altijd asielzoekers met ICCO-medewerkers naar Nederland meegaan. Klaagster is daarop intern op onderzoek uitgegaan een heeft diezelfde dag in een sms aan Koolhoven medegedeeld dat zij hierop terug zou komen. Daarop reageerde Koolhoven per sms: “Het is in ieder geval geen bestaand beleid van het ICCO, begrijp ik.” Klaagster heeft niet op die sms gereageerd, omdat zij nog bezig was het gerucht te checken.
Op donderdag 9 december 2010 heeft klaagster op de voicemail van Koolhoven ingesproken dat zij geen enkele bevestiging voor het gerucht of ook maar een vermoeden daarvan  heeft gevonden. Daarmee was voor klaagster de kous af, voor een interview was geen grond meer.
Het op 15 december 2010 gepubliceerde artikel kwam voor klaagster als een verrassing. Het artikel staat bol van suggestieve, onheldere termen en zinsneden. Het suggereert een feitelijkheid die er niet is. De bronnen zijn anoniem en indirect. Het is voor klaagster onmogelijk om vast te stellen wat mogelijk ten grondslag heeft gelegen aan het verhaal, nu geen enkel verifieerbaar feit wordt genoemd. Het artikel suggereert ten onrechte dat klaagster heeft erkend dat de veronderstelde reizen hebben plaatsgevonden, zij het niet als standaardbeleid en niet met instemming. De opvatting van klaagster is aldus niet correct in het artikel weergegeven. Zij heeft immers in het telefoongesprek met Koolhoven de zaak ontkend. Het is dan journalistiek onzorgvuldig dat die ontkenning niet expliciet in het bericht staat en dat in de kop zelfs het tegenovergestelde wordt beweerd, aldus klaagster.
Zij stelt ten slotte dat zij in een e-mailbericht van 16 december 2010 aan verweerders heeft verzocht om rectificatie, hetgeen verweerders hebben geweigerd.
Klaagster vat samen dat sprake is van onjuiste berichtgeving, waarbij informatie uit de derde hand zonder verdere onderbouwing als feit is weergegeven. De opgewekte suggesties en sfeer kunnen niet worden bestreden. Bovendien heeft geen officieel wederhoor plaatsgevonden. Klaagsters opvatting is niet juist in het artikel weergegeven en verweerders hebben zich niet op de feiten gebaseerd. Door de handelwijze van verweerders is klaagster schade toegebracht.
Ter zitting voegt Huseman – die het telefoongesprek met Koolhoven heeft gevoerd – hieraan toe, dat het gerucht voor klaagster een complete verrassing was. Koolhoven heeft in het gesprek gezegd, dat als het verhaal klopte, hij een interview met een van de directeuren van klaagster wilde houden. Huseman heeft daarop aan Koolhoven laten weten dat hij navraag zou doen. Omdat hij geen bevestiging vond van het gerucht, heeft Huseman de voicemail van Koolhoven ingesproken. Koolhoven heeft daarna niet meer teruggebeld of teruggemaild. Volgens Huseman heeft Koolhoven ten onrechte diens eigen per sms verzonden constatering “Het is in ieder geval geen staand beleid van het ICCO…” tot een reactie van klaagster gemaakt. Huseman benadrukt dat klaagster niet werkt met vrijwilligers en dat ook ná de publicatie geen bevestiging van het gerucht is gevonden. Verder wijst Huseman erop dat Koolhoven niet duidelijk kon maken over welke periode en welke landen het gerucht ging, zodat het moeilijk kon worden uitgezocht.
Desgevraagd deelt Huseman mee dat hij in zijn eerste, telefonische, reactie aan Koolhoven heeft gezegd dat hij niet kan instaan voor alle medewerkers, omdat hij niet weet wat zij in hun vrije tijd doen. Verder heeft hij in dat gesprek gezegd dat hij de kwestie zou uitzoeken. In zijn tweede reactie, op de voicemail van Koolhoven, heeft hij uitdrukkelijk meegedeeld dat het gerucht niet klopt.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat verweerders onjuist en tendentieus over klaagster hebben bericht, zonder behoorlijk wederhoor toe te passen.
 
Naar het oordeel van de Raad laat de vormgeving van het artikel – de wijze van presenteren van feiten en meningen – de lezer weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat de handelwijze van klaagster niet deugt. Aldus is sprake van een zodanige diskwalificatie van klaagster dat verweerders deze niet zonder deugdelijke grondslag en behoorlijke toepassing van wederhoor hadden mogen publiceren. (zie punten 2.2.5. en 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
 
Niet is gebleken dat voor de publicatie voldoende grondslag aanwezig was, terwijl klaagster voorts onbetwist heeft aangevoerd dat zij niet op deugdelijke wijze in de gelegenheid is gesteld op de aantijgingen aan haar adres te reageren.
In dat verband overweegt de Raad dat klaagster aannemelijk heeft gemaakt dat Koolhoven aan haar voorlichter niet heeft kunnen duidelijk maken op welke periode en welke landen het gerucht betrekking had, zodat het voor klaagster feitelijk onmogelijk was het gerucht te verifiëren.
 
Voorts heeft klaagster gemotiveerd aangevoerd dat verweerders betreffende de aan haar toegeschreven reactie niet waarheidsgetrouw hebben bericht. Klaagster heeft daarbij voldoende aannemelijk gemaakt dat op de voicemail van Koolhoven is ingesproken dat niet is gebleken dat medewerkers van ICCO asielzoekers naar Nederland mee terug hebben genomen. In plaats daarvan is echter in het artikel vermeld dat ‘een woordvoerder van ICCO benadrukt dat het verzorgen van een reis van asielzoekers naar Nederland beslist geen onderdeel uitmaakt van het standaardbeleid van de interkerkelijke hulporganisatie’ en dat ‘klaagster het erop houdt dat het om individuele acties van medewerkers of vrijwilligers gaat, die niet met instemming van het ICCO hebben plaatsgevonden’. Door deze woorden ten onrechte aan (de voorlichter van) klaagster toe te dichten en niet expliciet te vermelden dat klaagster de juistheid van het gerucht betwist, hebben verweerders op onjuiste wijze de reactie van klaagster in het artikel verwerkt.
 
Verder heeft klaagster voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, in tegenstelling tot hetgeen in het artikel is vermeld, niet met vrijwilligers werkt. (vgl. punten 1.1., 1.4. en 1.5. van de Leidraad)
 
Door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld hebben verweerders de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk toelaatbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 15 april 2011 door mr. V.G.H. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, mw. drs. M.G.N. Mathot, mw. drs. J.X. Nabibaks en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.