2011/26 deels gegrond onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
P. Ruizendaal
 
tegen
 
B. Middelburg en de hoofdredacteur van Het Parool
 
Bij brief van 18 januari 2011 met acht bijlagen heeft mr. I.P. Sigmond, advocaat te Heerlen, namens P. Ruizendaal (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen B. Middelburg en de hoofdredacteur van Het Parool (hierna: verweerders). Hierop hebben verweerders bij brief van 1 februari 2011 laten weten niet op de klacht te zullen reageren.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 maart 2011. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 5 november 2010 is in Het Parool een artikel verschenen onder de kop “Patricia Ruizendaal wil ‘gewoon nooit betalen’”. De intro van dit artikel luidt:
“Lang leek de carrière van Patricia Ruizendaal een aaneenschakeling van hoogtepunten, maar daar zit lelijk de klad in: ze trekt een spoor van onbetaalde rekeningen en tegen haar is aangifte gedaan van fraude.”
Het artikel bevat verder de volgende passages:
“(…) Ruizendaal laat een spoor na van onbetaalde rekeningen, schuldeisers en al dan niet dreigende faillissementen. Het afgelopen jaar kwam zij niet al te florissant tevoorschijn uit een Bibob-procedure van de gemeente Amsterdam, en vorige week werd aangifte tegen haar gedaan wegens fraude.”
en
“Met Savannah Holding en met ontwerper Piet Blom lanceerde Ruizendaal vijf jaar geleden ambitieuze plannen voor de aanleg in Hoorn van een ‘jachthaven met Cannes-allures’ en met achthonderd ligplaatsen. (…) Voor het project werd een overeenkomst gesloten met Peyler Projectontwikkeling Avenhorn: (…). Begin dit jaar ontplofte de zaak: Peyler staakte de aanleg omdat Ruizendaal haar rekeningen niet meer betaalde; de vordering was inmiddels opgelopen tot naar verluidt zeven miljoen euro. De projectontwikkelaar dreigde Ruizendaal daarop met rechtszaken en vervolgens werd een deal gesloten: de overeenkomst tussen Ruizendaal en Peyler werd ontbonden. Sindsdien zit Peyler met de gebakken peren en is naarstig op zoek naar nieuwe financiers.”
en
“Ook in de zaak van De Projectenfabriek, een andere bv van Ruizendaal, draait het om onbetaalde rekeningen. De Projectenfabriek hield kantoor in het World Trade Center aan de Amsterdamse Zuidas, maar betaalde geen huur. Toen de achterstand bijna een ton beliep, vroeg het WTC het faillissement van De Projectenfabriek aan, dat in augustus 2009 werd uitgesproken. Mr. Lilian Wieringa van Kennedy Van der Laan werd tot curator benoemd. Zij probeert al meer dan een jaar te achterhalen wat er precies is gebeurd. (…) Een boekhouding van de bv of andersoortige administratie heeft de curator niet kunnen achterhalen. Om die reden werden Ruizendaal en ene Cor Muizer, (…), in november 2009 verhoord door de rechter-commissaris. Daarbij beloofde Ruizendaal de curator nadere informatie over de boekhouding te zullen verstrekken, maar dat is nooit gebeurd. “Om die reden heb ik vorige week in overleg met de rechter-commissaris tegen Ruizendaal aangifte van faillissementsfraude gedaan,” zegt Wieringa.”
en
“De Marcantizaak is een bijna identiek verhaal. Marcanti werd aanvankelijk (met Marcanti Beheer BV) geëxploiteerd door Martin van den Dungen, (…), het vastgoed is eigendom van het Bouwfonds. (…) Van den Dungen verkocht Marcanti Beheer BV daarop aan Patricia Ruizendaal inclusief het huurcontract met het Bouwfonds. (…). In 2009 en 2010 werden in Marcanti reeksen feesten georganiseerd. Aan het Bouwfonds werd echter geen huur afgedragen. Vanwege een vordering van inmiddels tonnen eiste het Bouwfonds in kort geding recent ontbinding van het huurcontract met Marcanti Beheer BV; eind vorige maand bepaalde de rechtbank dat het huurcontract mag worden ontbonden.”
en
 “Voormalig Marcanti-exploitant Martin van den Dungen is eveneens verwikkeld in rechtszaken met Ruizendaal, en ook daar draait het om tonnen. “Wat die vrouw doet, keer op keer is onvoorstelbaar. Alles wat ik in 35 jaar heb opgebouwd, is weg.”
Tussen alle perikelen met het Bouwfonds en Van den Dungen door speelde ook nog, ook al is daar geen ruchtbaarheid aan gegeven, een Bibob-zaak: de gemeente Amsterdam liet Ruizendaal afgelopen zomer weten van plan te zijn haar geen nieuwe exploitatievergunning voor Marcanti te verstrekken op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Naar het oordeel van de gemeente bestond er in ‘ernstige mate’ gevaar dat Ruizendaal die vergunning zou gebruiken voor witwasserij van crimineel geld. Begin oktober kreeg Ruizendaal alsnog een vergunning, zij het met een strenge ‘financiële meldingsplicht’, maar vervolgens werd het huurcontract door de rechter ontbonden.”
en
 “Over de beweegredenen van Ruizendaal zich steeds maar weer in nieuwe projecten te storten en vervolgens rekeningen te gaan verscheuren, zijn ingewijden het redelijk eens. “Ze wil altijd meer,” zegt een van hen.”
 
Bij het artikel is onder meer een foto geplaatst waarop klaagster is afgebeeld. Naast de foto is een tekst geplaatst onder de kop “’Ik word het spuugzat’”. De tekst luidt:
“Patricia Ruizendaal, een spraakwaterval, is hoogst verbaasd over zoveel kritiek. “Ik rekeningen niet betaald? Ha! Ik ben de enige die geld kwijt is. Ik heb de bewijzen. Ik heb de documenten.”
Over de jachthaven in Hoorn zegt zij: “Dat is niet het juiste verhaal, maar hoe het wel zit, mag ik u niet vertellen.”
Dat de curator van De Projectenfabriek tegen haar aangifte van fraude heeft gedaan, verontrust haar niet. “Dat moet zij vooral doen. Daar ga ik tegen in beroep. Bovendien was ik er allang uit, uit die bv.”
Ook alle beschuldigingen in de Marcantizaak wijst zij van de hand. Zij heeft, zegt zij, wel degelijk huur betaald aan het Bouwfonds. “Dat komt ook nog wel een keer boven water. Maar het Bouwfonds en de gemeente hebben er gewoon belang bij om mij zo zwart mogelijk af te schilderen.”Binnen een paar weken publiceert Ruizendaal een boek van eigen hand met de titel De liquidatie van Marcanti door het Bouwfonds en de gemeente.
En dat het faillissement van Savannah Beheer is aangevraagd: Ach, ik kan ook van iedereen zo het faillissement aanvragen. Ik wil die schuldeiser wel betalen, maar door derdenbeslag kan ik dat niet. Echt, ik ben dit soort verhalen een beetje spuugzat aan het worden, want de banken gaan natuurlijk vragen stellen.””
 
HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER
 
Klaagster stelt dat in het artikel ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat zij een malafide onderneemster is die contractspartijen stelselmatig dupeert. Volgens klaagster wordt aldus haar goede naam aangetast en wordt zij rechtstreeks in haar belangen getroffen. Het artikel is niet alleen feitelijk onjuist en tendentieus, maar ook de werkwijze van verweerders is onzorgvuldig geweest, aldus klaagster.
Zij brengt naar voren dat verweerders haar op 4 november 2010 telefonisch hebben benaderd met het bericht dat een negatief artikel over haar gepubliceerd zou worden. Vervolgens heeft klaagster kort de mogelijkheid gekregen om te reageren op een aantal vragen van verweerders. Na afloop van dit telefoongesprek heeft de advocaat van klaagster met verweerders contact opgenomen en gevraagd naar de onderwerpen die in het artikel aan de orde zouden komen. Daarop heeft de raadsman per faxbericht verweerders van een uitvoerig weerwoord voorzien met ruim 80 pagina’s aan bijlagen. Volgens klaagster hebben verweerders daarop slechts geantwoord dat zij toch het artikel zouden publiceren. De door klaagster overgelegde stukken zouden niets afdoen aan de strekking en de inhoud van het artikel.
Klaagster stelt dat aan verweerders twee vonnissen van procedures tussen haar en een voormalig Marcanti-exploitant zijn overgelegd. Uit deze vonnissen blijkt volgens haar dat deze exploitant in de berichtgeving ten onrechte als slachtoffer is gepresenteerd. Daarbij benadrukt klaagster dat ten tijde van de publicatie de twee rechtszaken al in het verleden lagen.
Met betrekking tot het project Marina Hoorn merkt klaagster op dat eveneens ten onrechte een persoon wordt gepresenteerd als slachtoffer. Volgens haar is in deze kwestie een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij klaagster een schadevergoeding van die persoon heeft gekregen. Volgens haar hebben verweerders zich ten onrechte op een gedateerd bericht op internet gebaseerd.
Klaagster stelt dat verweerders erop zijn gewezen dat Bouwfonds geen vorderingen op haar of haar ondernemingen heeft. Daar waar Bouwfonds wordt geciteerd als zou klaagster schade hebben veroorzaakt, wisten verweerders dat zij een onvolledig beeld gaven, aldus klaagster.
Met betrekking tot De Projectenfabriek stelt klaagster dat zij tonnen heeft geïnvesteerd die zij door het faillissement kwijt is geraakt. Dit strookt niet met de stelling van verweerders dat zij een spoor van onbetaalde rekeningen zou hebben achtergelaten. Zij is immers zelf de grootste schuldeiser in het faillissement, aldus klaagster.
Ook is aan verweerders gemeld dat op de vordering van Kaandorp derdenbeslagen zijn gelegd en dus niet mag worden betaald. Gebleken is dat Kaandorp zelf diverse rekeningen niet betaald heeft, aldus klaagster.
Ten aanzien van de stelling van de curator dat aangifte is gedaan, merkt klaagster op dat de curator via de Deken van de Orde van Advocaten is geconfronteerd met haar uitspraken. Volgens klaagster heeft de curator bevestigd dat haar uitspraken tendentieus waren. De aangifte van de curator is inmiddels ingetrokken.
Voorts stelt klaagster dat voor het opvoeren van anonieme informatie geen enkele grond bestond. Zij wijst erop dat uit de contacten met verweerders bleek dat zij geenszins geïnteresseerd waren in de door klaagster overgelegde documentatie en standpunten. Volgens klaagster hebben verweerders zich op onzorgvuldige wijze laten gebruiken als spreekbuis voor een persoon waarmee zij in diverse procedures verwikkeld was. Voorts stelt klaagster dat onvoldoende gelegenheid is geboden tot wederhoor, nu dat slechts is ingevuld met een kort telefoongesprek, waarbij haar stellig is meegedeeld dat een negatief artikel zou worden gepubliceerd.
Al met al is van een zorgvuldige journalistieke werkwijze dan ook geen sprake, aldus klaagster. Zij meent dat het artikel grotendeels onjuist is.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bevat de volgende onderdelen:
  1. het artikel bevat diverse onjuistheden, waardoor een tendentieus beeld van klaagster is ontstaan;
  2. klaagster is onvoldoende gelegenheid geboden tot wederhoor.
 
Ad 1.
In het artikel wordt een beeld geschetst van een aantal zakelijke en financiële conflicten waarin klaagster verwikkeld zou zijn. Daarbij wordt ten aanzien van klaagster de beschuldiging geuit dat zij rekeningen niet zou hebben voldaan en wordt de suggestie gewekt dat zij aldus verschillende personen zou hebben benadeeld. De genoemde kwesties zijn complex van aard, waarbij in sommige gevallen gerechtelijke procedures hebben gespeeld en in andere zaken contractuele verbanden in verschillende vormen een rol spelen.
Bij zijn beraadslaging is de Raad tot het inzicht gekomen dat de beoordeling van de klacht op dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid kan geschieden. Verweerders hebben ervoor gekozen geen verweer te voeren en hebben derhalve de Raad geen informatie verschaft omtrent de wijze waarop de berichtgeving tot stand is gekomen. De Raad betreurt deze houding, omdat daarmee een onafhankelijke journalistieke toetsing van de handelwijze van verweerders ernstig wordt bemoeilijkt.
Gelet op voormelde complexiteit is hetgeen aan stukken is overgelegd voor de Raad onvoldoende om de juistheid te kunnen beoordelen van hetgeen over de genoemde kwesties in het artikel is opgenomen. De Raad kan geen gefundeerd oordeel geven zonder diepgaand feitenonderzoek, hetgeen echter mede door de houding van verweerders niet mogelijk is. De procedure bij de Raad leent zich er niet voor dat de Raad een dergelijk feitenonderzoek buiten (een der) partijen om verricht (vgl. RvdJ 2010/34).
Op grond van artikel 9 lid 4 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad onthoudt de Raad zich daarom van een oordeel over de klacht voor zover deze betrekking heeft op onjuiste en tendentieuze berichtgeving.
 

Ad 2.
Bij het publiceren van beschuldigingen dient een journalist te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punten 2.2.5. en 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
 
Uit hetgeen door klaagster naar voren is gebracht, maakt de Raad op dat het gepubliceerde wederhoor is gebaseerd op een kort telefoongesprek op 4 november 2010, daags voor publicatie in de krant van 5 november 2010. Naar het oordeel van de Raad kan dit onder de gegeven omstandigheden niet worden aangemerkt als het bieden van voldoende gelegenheid om op de beschuldigingen te reageren. Daarbij verwijst de Raad naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de complexiteit van de in het artikel genoemde kwesties.
 
Gezien deze complexiteit en de diverse interviews in de publicatie, acht de Raad het aannemelijk dat verweerders enige tijd hebben besteed aan de totstandkoming van het artikel.
Niet valt in te zien waarom klaagster niet voor de publicatie op een passende wijze gelegenheid kon worden geboden om op de geuite beschuldigingen te reageren. Door haar daarvoor een dag voor de publicatie slechts telefonisch gelegenheid te bieden, hebben verweerders naar het oordeel van de Raad onzorgvuldig gehandeld.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover die betrekking heeft op het onvoldoende bieden van gelegenheid tot wederhoor. Voor het overige onthoudt de Raad zich van een oordeel.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 4 april 2011 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, mw. drs. R.T. Kervezee, mw. E.J.M. Lamers en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, adjunct-secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.