2011/25 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van CultuurBewust.nl
 
Bij brief van 13 januari 2011 met drie bijlagen heeft X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van CultuurBewust.nl (hierna: verweerder). Hierop heeft M. Theunissen, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 18 februari 2011. Daarop heeft ten slotte klaagster nog gereageerd in een schrijven van 25 februari 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 maart 2011. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op de site van CultuurBewust.nl is op 9 augustus 2010 een recensie geplaatst van het boek van klaagster onder de kop “Geschiedvervalsing in Potifars vrouw bekoort niet”. De recensie begint met:
“Mag je historische feiten op zo’n drastische manier verdraaien dat een bepaalde gebeurtenis het perfecte decor vormt voor je nieuwe roman? “Ja”, zou [X] antwoorden. “Maar waarom?” is dan de tegenvraag, want als schrijfster kun je toch alles verzinnen? Waarom moesten de gebeurtenissen tijdens de kaping in 1977 door een groep Molukse vrijheidsstrijders worden vervalst voor Potifars vrouw?”
Onder de tussenkop “Geschiedvervalsing” vervolgt het artikel:
“Waterman overleeft de oorlog in Theresiënstadt. [X] trekt je het kamp binnen en leidt je door het leven van Waterman. Ze schept een perfect en levendig beeld van de man en het was een weerzinwekkend goede biografie geweest, als het niet allemaal verzonnen was.
Waterman heeft namelijk niet bestaan. De lijst van Clemens Groot is geïnspireerd op die van de Duitser Friedrich Weinreb en tijdens de kaping bij De Punt werden niet 9 maar 45 mensen gegijzeld. En het ergste van alles: er werd helemaal niemand vermoord door de kapers tijdens de gijzeling die 482 uur duurde in plaats van de 48 uur die [X] beschrijft.”
De recensie eindigt met:
“[X] schrijft hierover in haar nawoord: “Ik heb veel bronnen gebruikt, maar de geschiedenis die ik in Potifars vrouw beschrijf, komt geheel voor mijn rekening.” Daarmee komt ze er te makkelijk vanaf.
[X] claimt niet dat Potifars vrouw een historische roman is, maar ze maakt wel schaamteloos misbruik van het gijzelingsdrama om haar boek geloofwaardigheid en emotionele lading te geven. Dat de historische feiten daarvoor ook nog moeten worden verdraaid, is een enorm zwaktebod dat niet bekoort.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster maakt ernstig bezwaar tegen de publicatie. Zij voelt zich met name door het gebruik van het woord ‘geschiedvervalsing’ aangetast in haar goede naam. Zij wijst erop dat van geschiedvervalsing geen sprake is, omdat zij nergens beweert dat de gebeurtenissen zoals die zich in het verhaal afspelen ook daadwerkelijk zo hebben plaatsgevonden. Van non-fictie is volgens haar geen sprake.
Daarnaast brengt klaagster naar voren dat verweerder haar uitgeverij heeft benaderd ten behoeve van een interview. Zonder klaagster daarvan op de hoogte te brengen, is na het interview ervoor gekozen om in plaats van een artikel een recensie op de website te plaatsen. Klaagster stelt dat zij hierover graag uitleg en bericht had gekregen. Zij wijst erop dat het een ongeschreven regel is dat ofwel de schrijver wordt geïnterviewd ofwel een recensie wordt geschreven zonder de schrijver hierover te raadplegen. In dit geval heeft verweerder haar telefonisch veel inhoudelijke vragen gesteld over haar werk en vervolgens een recensie gepubliceerd.
Klaagster stelt dat zij uit de toon en aard van het interview niet opmaakte dat verweerder voornemens was een recensie te schrijven. Verweerder heeft volgens haar tevens niet kenbaar gemaakt dat zij al een recensie gereed had. Klaagster wijst erop dat indien zij dit had geweten, zij niet had ingestemd met het interview of had geïnformeerd naar de doelstelling van het interview. Zij meent dat verweerder het gesprek niet oprecht heeft gevoerd en dat sprake was van een verborgen agenda. Voorts heeft verweerder de gemaakte afspraak betreffende inzage geschonden, aldus klaagster. In het verlengde hiervan wijst klaagster op het feit dat de datum van de recensie is vervalst. Volgens klaagster stond de recensie op 9 augustus 2010 nog niet op de website, terwijl de recensie wel op die datum gedateerd is. Op dat moment had verweerder klaagster namelijk nog niet gesproken. Na het interview heeft klaagster herhaaldelijk op de website gekeken of een artikel gepubliceerd was, hetgeen toen nog niet het geval was.
Verder wijst klaagster erop dat zij tegen haar gewoonte in een telefonisch interview heeft gegeven, omdat verweerder regelmatig de afspraak heeft verplaatst.
Al met al heeft klaagster de publicatie en de gedragingen van verweerder als zeer kwetsend en onheus ervaren.
 
Verweerder wijst erop dat op 8 augustus 2010 overleg heeft plaatsgevonden tussen verweerder en de eindredacteur literatuur over de kritische toon van de recensie. In dit overleg is de insteek besproken om voorafgaand aan publicatie wederhoor toe te passen. Dit om aan klaagster gelegenheid te geven om uit te leggen waarom ze bij het schrijven bepaalde beslissingen heeft genomen.
Uiteindelijk heeft op 26 augustus 2010 het telefonisch interview plaatsgevonden. Daarbij is klaagster gevraagd naar haar beweegredenen om het boek te schrijven. Volgens verweerder antwoordde klaagster daarop dat dit een vreemde vraag was om aan een schrijver te stellen. Klaagster wenste verder niet op het onderwerp in te gaan. De vraag waarom klaagster feiten zo heeft toegepast dat de geschiedenis wordt herschreven viel volgens verweerder eveneens niet in goede aarde. Klaagster stelde dat het boek geen historische roman is, aldus verweerder.
Volgens verweerder verwacht de gemiddelde lezer echter op basis van de achterflap een boek over de treinkaping door Molukkers. Het betreft echter een boek over de geschiedenis van een Joodse man die toevallig in de trein zat, aldus verweerder.
Hij acht het onaanvaardbaar dat klaagster in het boek een bevolkingsgroep beschuldigt van een moord die deze groep niet heeft gepleegd.
Verweerder benadrukt dat hij het verschil kent tussen een historische roman en een roman. Hij meent echter dat respectvol met de geschiedenis moet worden omgegaan. Veel schrijvers proberen zo dicht mogelijk bij de historische feiten te blijven wanneer zij zich op historische gebeurtenissen baseren. Om die reden zijn de ingrepen van klaagster in de recensie geschiedvervalsing genoemd.
Met betrekking tot de publicatiedatum wijst verweerder erop dat op 8 augustus 2010 de recensie reeds geschreven was. Verweerder wilde het echter klaagster mogelijk maken om haar visie te geven. De recensie is volgens verweerder daarna in ongewijzigde vorm gepubliceerd omdat de uitleg van klaagster onvoldoende was.
Dat ofwel een schrijver wordt geïnterviewd ofwel een recensie wordt geschreven, is verweerder niet bekend. Verweerder betwist dat is afgesproken dat een interview zou worden gepubliceerd. Omdat uit het interview weinig bruikbare informatie naar voren is gekomen, is ervoor gekozen slechts de recensie te publiceren. Verweerder geeft toe dat het ordentelijk was geweest wanneer klaagster hierover zou zijn geïnformeerd, hetgeen uiteindelijk niet is gebeurd.
Het artikel heeft volgens verweerder langere tijd onopgemerkt in een systeem voor publicatie klaargestaan. Volgens haar is dit pas in oktober 2010 opgemerkt, waarna het artikel terstond is gepubliceerd. Op de website van verweerder wordt als publicatiedatum de datum weergegeven dat het artikel oorspronkelijk is opgeslagen in het systeem. Van opzettelijke vervalsing is volgens verweerder geen sprake. Indien gewenst, is verweerder bereid de publicatiedatum alsnog aan te passen.
Verweerder benadrukt dat het nooit de bedoeling is geweest klaagster aan te tasten in de goede naam, te kwetsen of onheus te bejegenen. Een recensie mag volgens verweerder evenwel kritisch zijn en een schrijver op zijn werk aanspreken.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat klaagster in de recensie ten onrechte wordt beticht van geschiedvervalsing en dat bij klaagster ten onrechte de indruk is gewekt dat een interview zou worden gepubliceerd in plaats van een recensie.
 
De Raad stelt voorop dat de aard van een recensie met zich brengt dat een recensent een grote mate van vrijheid toekomt om zijn mening te geven over gebeurtenissen en personen. Daarbij zijn stijlmiddelen als overdrijven en bewust eenzijdig belichten geoorloofd. De grenzen van het toelaatbare worden overschreden wanneer (passages in) recensies in redelijkheid geen ruimte laten voor een andere karakterisering dan dat zij kwetsend en beledigend zijn voor personen of bevolkingsgroepen. Voor recensies geldt bovendien dat zij geen wezenlijke onjuistheden mogen bevatten. (zie punt 3.1. van de Leidraad van de Raad)
 
In de recensie geeft verweerder aan op welke onderdelen hij meent dat sprake is van geschiedvervalsing. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit die recensie genoegzaam dat het daarbij de persoonlijke mening van verweerder betreft. De lezer van de recensie noch van het boek hoeft die mening te zijn toegedaan.

De Raad acht het begrijpelijk dat de recensie en de wijze waarop deze tot stand is gekomen klaagster niet welgevallig zijn. Het ware beter geweest indien verweerder duidelijk was geweest in zijn keuze tussen ofwel een recensie ofwel de publicatie van een interview en hierover vervolgens ook volledige openheid had verschaft. Gebleken is echter dat in de recensie geen informatie uit het interview is gebruikt.
 
Voorts zijn een journalist en zijn redactie vrij in de selectie van nieuws. Het is aan de redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht. (zie punt 1.2. van de Leidraad)
Het voorgaande brengt mee dat het verweerder vrijstond te bepalen of hij al dan niet tot publicatie van het interview met klaagster zou overgaan, of zich zou beperken tot het publiceren van de recensie.
 
De Raad is dan ook van oordeel dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 4 april 2011 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, mw. drs. R.T. Kervezee, mw. E.J.M. Lamers en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, adjunct-secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.