2011/24 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
A.C. Appelo
 
tegen
 
de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden
 
Bij brief van 7 januari 2011 met vijftien bijlagen heeft A.C. Appelo te Groningen (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden (hierna: verweerder). Hierop heeft verweerder geantwoord in een brief van 27 januari 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 maart 2011, waar klager is verschenen. Verweerder is niet ter zitting verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 9 oktober 2010 is in het Dagblad van het Noorden een artikel verschenen onder de kop “De lichten doven in het A-kwartier”. Het artikel opent met:
“De rosse buurten in Nederland hebben hun langste tijd gehad. Concurrentie van internetprostitutie en sluitingsbeleid van overheden als gevolg van vrouwenhandel doen de rode lichten langzaam doven. Ook in Groningen, waar het A-kwartier in 2016 prostitutievrij moet zijn. Een Turkse familie die er de horeca bestiert vreest voor zijn boterham.”
 
In reactie op het artikel heeft klager op 11 oktober 2010 per e-mail een ingezonden brief gestuurd naar de lezersredactie van het Dagblad van het Noorden met het onderwerp “Sluiting prostitutie A-kwartier”. Deze ingezonden brief luidt als volgt:
“Prostitutie is in het A-kwartier (Groningen) per 2016 verboden, schrijft deze krant (9 oktober). De hoofdreden daarvoor is drugsoverlast, daarnaast vrouwenhandel en crimineel geld.
Drugshandel zou er gedijen wegens de bebouwing met steegjes en hoekjes. Vergelijk dit met een tuintje waarop rozen en onkruid gedijen. Rukt de tuinder dan de rozen uit? Vermoedelijk niet. Hier lijkt dus meer aan de hand.
Vrouwenhandel dan? Deze term omvat zowel het netjes bemiddelen van vrouwen die bewust voor prostitutie kiezen, als de onprettige variant met dwang of misleiding. Als het oude beroep van hoer blijvend is, is ook vrijwillige bemiddeling blijvend. Je kunt natuurlijk hopen de hoererij te bestrijden door raamprostitutie te verbieden, maar dat hoor ik de overheid niet beweren.
Vrouwenhandel met dwang is reeds strafbaar. Raamprostitutie verbieden is echter geen maatregel tegen strafbare vrouwenhandel, het is de goeden onder de kwaden laten lijden.
Investeren van crimineel geld: het is reeds strafbaar. Wordt trouwens zelden aangetoond in de prostitutiewereld.
De bewoners willen dat de prostitutie uit A-kwartier verdwijnt: bestaat daar onafhankelijk onderzoek van? De gemeente gaat prostitutie “concentreren in de Nieuwstad”: dure manier om te zeggen dat nu in Nieuwstad in 40 panden prostitutie is toegestaan, en na 2016 nog precies evenveel.”
Klager heeft 20 minuten later verweerder per e-mail verzocht om bij plaatsing niets aan de ingezonden brief te wijzigen.
 
Op 14 oktober 2010 is in het Dagblad van het Noorden in de rubriek “Brief van de dag” onder de naam van klager de ingezonden brief gepubliceerd onder de kop “Rosse buurt dooft rood licht”. De brief is als volgt gepubliceerd:
“Prostitutie is in het A-kwartier in Groningen is per 2016 verboden, schrijft deze krant afgelopen zaterdag. De hoofdreden daarvoor is drugsoverlast, daarnaast vrouwenhandel en crimineel geld.
Drugshandel zou er gedijen wegens de vele steegjes en hoekjes. Je kunt natuurlijk denken de vrouwenhandel te bestrijden door raamprostitutie te verbieden, maar dat hoor ik de overheid niet beweren.
Raamprostitutie verbieden is echter geen maatregel tegen strafbare vrouwenhandel, het is de goeden onder de kwaden laten lijden.
Investeren van crimineel geld wordt trouwens ook zelden aangetoond in de prostitutiewereld.
De bewoners willen dat de prostitutie uit het A-kwartier verdwijnt. Is daar een onafhankelijk onderzoek naar geweest? De gemeente gaat de prostitutie concentreren in de Nieuwstad. Dat is een dure manier om te zeggen dat nu in de Nieuwstad in veertig panden prostitutie is toegestaan, en na 2016 nog precies evenveel.”
 
Bij e-mailbericht van 15 oktober 2010 heeft klager hierop gereageerd en onder meer gesteld dat van de structuur, de logische opbouw en de strekking van zijn brief niets over is gebleven. Hij verzoekt verweerder dan ook in de krant een correctie af te drukken en te vermelden dat hij zich distantieert van de geplaatste brief. Daarbij doet hij een tekstvoorstel voor een rectificatie.
 
Op 20 oktober 2010 wordt onder de rubriek “Brief van de Dag” een rubriek “Herstel” geplaatst, waarin onder punt 2 het volgende wordt vermeld:
“De heer A. Appelo distantieert zich van zijn brief over ‘prostitutie in het A-kwartier’, na inkorten van de tekst door de redactie. De brief stond vorige week dinsdag in de krant.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat de op 14 oktober 2010 gepubliceerde brief een verstrekkende en doelbewuste vervalsing betreft van zijn eigen brief. Hij wijst daarbij op de verschillende aanpassingen die verweerder aan de brief heeft doorgevoerd. Zo zijn volgens hem ten onrechte zinnen geschrapt, gewijzigd of essentieel vervalst. Al deze wijzigingen op zichzelf en in samenhang bezien hebben sterke consequenties voor de strekking en essentie van zijn brief, aldus klager.
Ter zitting brengt klager naar voren dat berichtgeving over de reden voor de sluiting van een hoerenbuurt in Groningen allerlei vaagheden bevat en onduidelijk is. Door middel van een vergelijking heeft klager duidelijk willen maken dat het niet logisch is om vanwege drugsoverlast prostitutie te verbieden. Door het voorbeeld uit zijn brief te schrappen heeft verweerder de essentie van de brief geschrapt, aldus klager.
Klager beklaagt zich eveneens over het gebruik van de term vrouwenhandel in de gepubliceerde brief. Ter zitting zet klager uiteen dat hij zich in de term heeft verdiept. Uit verschillende parlementaire stukken blijkt dat volgens hem de vrijwilligheid of onvrijwilligheid bij het hanteren van de term vrouwenhandel in Nederland niet doorslaggevend lijkt te zijn. Vrijwilligheid en onvrijwilligheid blijven door elkaar heen lopen, waardoor men bij het gebruik van de term vrouwenhandel langs elkaar heen praat.
Klager wijst erop dat hij verweerder verschillende keren heeft gevraagd de kwestie te rectificeren. Volgens klager wordt dit echter door verweerder geweigerd. Ter zitting wijst hij erop dat hij de geplaatste rectificatie onvoldoende acht. Ten onrechte bevat die nog steeds de suggestie dat de afgedrukte brief zijn brief betrof. De tekst zoals die is gepubliceerd had echter niets meer te maken met zijn brief.
Klager verwacht niet dat verweerder zijn standpunt ten aanzien van het prostitutiebeleid onderschrijft. Maar hij verwacht wel dat verweerder maatschappelijke debatten eerlijk voert en niet het debat vervalst door een ingezonden brief te vervalsen.
Ter zitting benadrukt klager dat hij er geen problemen mee heeft indien een ingezonden brief van hem niet wordt geplaatst. Dat recht heeft verweerder. Maar met deze wijze van plaatsing wordt hem iets in de schoenen geschoven wat hij niet heeft geschreven. Klager brengt in dit verband naar voren dat hij hoopte dat het lezerspubliek door de brief na zou denken over het feit dat er goede redenen moeten bestaan voor het verbieden van prostitutie. Door de ingrijpende aanpassingen, lijkt het volgens hem alsof hij in dit kader geen argumenten naar voren brengt.
 
Verweerder ontkent dat sprake is van een verstrekkende en doelbewuste vervalsing van de brief van klager. Daarnaast heeft de zaak volgens verweerder niet het belang dat klager eraan hecht. Hij wijst erop dat de redactie zich het recht voorbehoudt om alle artikelen, inclusief die van de eigen verslaggevers, in te korten dan wel te bewerken. Het spreekt voor zich dat daarbij de strekking in tact moet blijven.
Verweerder acht het weglaten van de vergelijking van klager verantwoord. De vergelijking betreft volgens hem een toevoeging aan de kernzin die eraan voorafgaat. Verweerder benadrukt dat de kernzin ongewijzigd is gebleven. Ook het weglaten van de zin ‘hier lijkt dus meer aan de hand’ is volgens hem mogelijk, nu het een zin betreft die bij wijze van leeshulp een overgang markeert.
Voorts wordt met het schrappen van de eerste zinnen in de tweede alinea volgens verweerder het lopende betoog niet onderbroken of veranderd. Volgens verweerder geeft deze passage overigens te denken. Zo vindt verweerder het grenzen aan cynisme en laatdunkendheid om het toepassen van dwang of misleiding bij vrouwenhandel ‘onprettig’ te noemen.
De zin ‘Als het oude beroep van hoer blijvend is, is ook vrijwillige bemiddeling blijvend’ betreft volgens verweerder een algemene vaststelling, zodat de zin kan worden geschrapt. Met betrekking tot het vervangen van de term ‘hoererij’ door ‘vrouwenhandel’ merkt verweerder op dat deze ingreep het navolgende verbindt met het voorgaande. Daarnaast lost de wijziging volgens verweerder het probleem op dat in de zin een bewering wordt tegengesproken die door niemand is geuit. De toevoeging ‘is reeds strafbaar’ is geschrapt, omdat de oorspronkelijke zin een tautologie is. Tot slot zijn de laatste zinnen van de brief volgens hem enigszins grammaticaal bijgepunt.
Al met al is volgens verweerder de ingezonden brief niet het door klager gestelde geweld aangedaan. Dat toch een rectificatie is geplaatst, is waarschijnlijk aan de standvastigheid van klager te danken, aldus verweerder.
Het verwijt van klager ten aanzien van die rectificatie acht verweerder onterecht. Daarbij wijst hij erop dat het woord ‘inkorting’ in dit geval juist was. Van wijziging van de brief was geen sprake.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat klager bezwaar maakt tegen de wijzigingen in de gepubliceerde versie van zijn ingezonden brief.
 
De Raad stelt voorop dat het de redactie vrij staat ingezonden brieven en andere reacties van een naschrift te voorzien of niet te plaatsen, tenzij plaatsing geboden is vanwege bijzondere omstandigheden. Wijziging en inkorting zijn toegestaan zolang de inhoudelijke essentie en de toonzetting behouden blijven. (zie punt 5.2. van de Leidraad van de Raad)
 
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt de Raad op dat de essentie van de ingezonden brief is gelegen in de stelling van klager dat voor het beëindigen van prostitutie in het A-kwartier onlogische redenen worden gegeven en dat in zoverre geen steekhoudende argumenten worden aangedragen voor die sluiting. Naar het oordeel van de Raad blijkt genoegzaam uit de gepubliceerde versie van de ingezonden brief dat klager deze mening is toegedaan. Het door klager gegeven voorbeeld had de ontbrekende logica kunnen illustreren, maar zonder dit voorbeeld is de strekking van het standpunt van klager voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk. Ook het weglaten van de zinnen met betrekking tot het begrip ‘vrouwenhandel’ doet naar het oordeel van de Raad geen afbreuk aan de door klager gestelde essentie van zijn brief. Daarbij overweegt de Raad dat ter zitting is gebleken dat klager zich bijzonder heeft verdiept in de betekenis van dit begrip. Vanuit die kennis bezien, is naar het oordeel van klager wellicht een belangrijk onderdeel van zijn brief geschrapt. De Raad acht het echter aannemelijk dat de kennis van klager op dit punt verder reikt dan die van de gemiddelde lezer en dat het weglaten van deze passage voor de lezer de strekking van de brief onverlet laat.
 
De Raad is dan ook van oordeel dat verweerder niet de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 4 april 2011 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, mw. drs. R.T. Kervezee, mw. E.J.M. Lamers en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, adjunct-secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.