2011/21 toegewezen

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van
 
F. Müller
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 11 augustus 2010 (RvdJ 2010/36) betreffende de klacht van
 
X
 
tegen verzoeker, M. van den Broeke, M. van Geest en de hoofdredacteur van Quote.
 
Bij e-mailbericht van 7 september 2010 heeft F. Müller te Amsterdam (hierna: verzoeker) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 11 augustus 2010 inzake de klacht van X (hierna: klager) tegen verzoeker, M. van den Broeke, M. van Geest en de hoofdredacteur van Quote (hierna: verweerders). Daarop heeft mr. R.D. Chavannes, advocaat te Amsterdam, namens klager gereageerd bij brief van 15 oktober 2010.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 oktober 2010 in een herzieningskamer buiten aanwezigheid van partijen. Deze herzieningskamer heeft besloten partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten mondeling toe te lichten.
 
Vervolgens is de zaak behandeld ter zitting van de Raad van 11 februari 2011, eveneens in een herzieningskamer. Partijen hebben van de hen geboden mogelijkheid hun standpunten mondeling toe te lichten geen gebruik gemaakt en zijn niet ter zitting verschenen.
 
Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. De zaak is behandeld door de voorzitter en resterende leden.
 
DE FEITEN
 
Bij klaagschrift van 14 april 2010 met drie bijlagen heeft voornoemde mr. Chavannes namens klager een klacht ingediend tegen verweerders betreffende het artikel “Sjoege van zaken” dat in het novembernummer van 2009 in Quote is gepubliceerd. Het artikel is op de cover aangekondigd met de tekst “Koosjere zaken – ‘ik heb nog nooit een cent aan een jood verdiend’. In het artikel wordt onder de tussenkop “Oesters en garnalen” over klager bericht.
 
In zijn klacht heeft klager – kort samengevat – gesteld dat:
-          in de publicatie ten onrechte de indruk is gewekt dat hij heeft meegewerkt aan een interview;
-          niet met open vizier is gewerkt;
-          sprake is van tendentieuze berichtgeving, zonder dat hem voldoende gelegenheid tot wederhoor is geboden;
-          zijn privacy onevenredig is geschonden.
Mr. Chr.A. Alberdingk Thijm heeft namens verweerders op de klacht geantwoord in een brief van 1 juni 2010 met vier bijlagen. Het verweerschrift bevat onder 2. de volgende passage:
“Floris Müller – inmiddels niet meer werkzaam bij Quote – heeft slechts enkele interviews afgenomen en enkele fotobijschriften geleverd voor het artikel. Ten aanzien van [hem] verzoek ik u daarom de klacht niet ontvankelijk te verklaren.”
 
Ten slotte hebben verweerders bij e-mail/faxbericht van 9 juni 2010 nog een bijlage overgelegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 11 juni 2010. Klager was daar aanwezig, vergezeld door mr. Chavannes en mw. mr. D. Verhulst. Aan de zijde van verweerders zijn S. van Stokkum, hoofdredacteur, Van den Broeke en mr. Alberdingk Thijm verschenen. Mr. Chavannes en mr. Alberdingk Thijm hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitnotities.
 
Bij uitspraak van 11 augustus 2010 heeft de Raad de klacht van klager jegens alle verweerders gegrond verklaard.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Verzoeker stelt dat hem in de uitspraak onterecht wordt verweten journalistiek onbetamelijk te hebben gehandeld door onvoldoende wederhoor toe te passen, niet met open vizier te werken en de privacy van bekende personen te schenden. Hij stelt weliswaar betrokken te zijn geweest bij het opstellen van het artikel in Quote, maar geen hand te hebben gehad in het schrijven van het artikel. Volgens hem is dit ook aangevoerd door de advocaat van verweerders op de zitting op 11 juni 2010. Verzoeker stelt dat hij voorts niet betrokken is geweest bij het interview met klager. Verzoeker meent dat in de uitspraak van de Raad hieraan onvoldoende aandacht is besteed. In die uitspraak ontbreekt iedere uitleg over zijn aandeel in de zaak.
Volgens verzoeker geeft de uitspraak van de Raad een onjuiste voorstelling van zaken over zijn journalistieke prestaties. Als uitgever van financieel-economische publicaties is verzoeker bijzonder gehecht aan zijn goede naam. Als gevolg van de uitspraak van de Raad loopt zijn onderneming potentieel grote schade op, doordat adverteerders en andere commerciële partijen zouden kunnen afzien van samenwerking met hem, aldus verzoeker.
Voorts stelt verzoeker dat hij door de Raad onvoldoende is geïnformeerd over de zaak. Quote heeft aan de Raad bericht dat verzoeker niet meer in dienst was bij de uitgeverij en dat er aan hem zou worden bericht over de gang van zaken. Dat is per e-mail gebeurd, maar onvoldoende waardoor hij niet in zijn geheel op de hoogte was van de klacht, noch van eventuele zittingsdagen waarop de klacht zou worden behandeld. Volgens verzoeker had de Raad contact met hem moeten opnemen en heeft de Raad zich onvoldoende ingespannen om hem te informeren over het bestaan van de klacht.
Verzoeker betwist dat door de raadsman van verweerders te kennen is gegeven dat hij namens verzoeker de verdediging voerde. De advocaat heeft volgens hem juist meermaals benadrukt dat hij niet namens verzoeker pleitte, omdat hij niet meer in dienst was bij de uitgever en geen aandeel heeft in de klacht. Hij stelt bij de uitspraak onvoldoende te zijn vertegenwoordigd.
Verzoeker verlangt dat de berichtgeving op de websites van de Raad en Villamedia wordt aangepast of verwijderd.
Klager stelt dat hij zich refereert aan een oordeel van de Raad, voor zover verzoeker heeft gesteld dat hij onvoldoende is geïnformeerd over de zaak. Klager merkt op dat uit het verweerschrift en de pleitnotities van Quote blijkt dat verzoeker in de eerdere procedure is vertegenwoordigd. Als vast komt te staan dat verzoeker niet is vertegenwoordigd, dan stuit zijn herzieningsverzoek af op het bepaalde in artikel 1a van het Reglement van de Raad, nu daarin wordt bepaald dat een beslissing kan worden herzien op verzoek van een verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd. Klager stelt dat het herzieningsverzoek in dat geval niet kan slagen.
Verder stelt klager dat hij zijn klacht mede heeft gericht tegen verzoeker, omdat deze samen met Van den Broeke als auteur boven de gewraakte publicatie is genoemd. Klager stelt dat de beperkte betrokkenheid van verzoeker bij de totstandkoming van het artikel niet op voorhand vaststaat. Zijn naam is ook onder een reactie van de auteurs in het Nieuw Israëlitisch Weekblad (NIW) geplaatst. In deze reactie geven de auteurs een hartstochtelijke verdediging van hun journalistieke werkwijze, geheel langs de lijnen van het verweer dat in de procedure bij de Raad is gevoerd. Volgens klager is dit moeilijk te rijmen met het eerder aangegeven standpunt van verzoeker dat hij zich ernstig heeft verzet tegen de vorm en toon van het verhaal bij de hoofdredactie.
Klager heeft echter geen bezwaar tegen een positieve beslissing van de Raad op het herzieningsverzoek, wanneer vast komt te staan dat verzoeker inderdaad niet betrokken was bij de journalistieke gedragingen waartegen zijn klacht zich richtte.
Klager stelt dat hij wel belang heeft bij een ongewijzigde instandhouding van de uitspraak van de Raad van 11 augustus 2010, voor zover de klacht betrekking heeft op de journalistieke gedragingen van de overige beklaagden.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
In het verweerschrift en zijn pleitnotitie voor de zitting van 11 juni 2010 heeft mr. Chr.A. Alberdingk Thijm uitdrukkelijk vermeld dat hij optrad mede namens verzoeker. De Raad mocht van de juistheid van die mededeling uitgaan. Aldus kan verzoeker worden geacht verweer te hebben gevoerd tegen de klacht en is hij daarom ontvankelijk in zijn herzieningsverzoek.
 
Naar het oordeel van de Raad is door verzoeker voldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet aan de door klager gewraakte passages heeft meegewerkt en dat hem ter zake geen journalistiek onzorgvuldig handelen kan worden verweten. Dit volgt ook uit de hiervoor onder ‘Feiten’ geciteerde passage uit het door mr. Chr.A. Alberdingk Thijm ingediende verweerschrift.
 
De Raad heeft in zijn beslissing van 11 augustus 2010 de klacht jegens alle verweerders gegrond verklaard en is daarbij voorbij gegaan aan hetgeen de raadsman van verweerders heeft aangevoerd ten aanzien van het beperkte aandeel van verzoeker bij de publicatie.
 
Gelet op het voorgaande moet alsnog worden geconcludeerd dat de klacht, voor zover deze tegen verzoeker was gericht, ongegrond is.
 
BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt toegewezen en de klacht wordt, voor zover deze tegen verzoeker was gericht, alsnog ongegrond verklaard.
 
De Raad zal de publicatie van zijn uitspraak van 11 augustus 2010 (RvdJ 2010/36) op zijn website wijzigen, in de zin dat daaronder zal worden vermeld dat het verzoek tot herziening van verzoeker is toegewezen en de klacht tegen hem alsnog ongegrond is verklaard, onder verwijzing naar de publicatie van de onderhavige uitspraak.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 22 maart 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, H. Blanken, A. Mellink MPA en mw. H.M.M. Nietsch, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, adjunct-secretaris.