2011/19 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X en Y
 
tegen
 
de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad
 
Bij brief van 7 december 2010 met 2 bijlagen hebben X en [zijn echtgenote] Y (hierna: klagers) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad (hierna: verweerder). A.M.C.J. Besseling, hoofdredacteur, heeft op de klacht geantwoord in een brief van 11 januari 2011. Klagers hebben daarop nog gereageerd in een e-mailbericht van 1 februari 2011.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 11 februari 2011. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 23 november 2010 is in het regiokatern Meierij van het Brabants Dagblad een artikel verschenen onder de kop “Gemeente predikt aan […]weg in [plaatsnaam] de vrede”. Het artikel opent met:
“De gemeente […] probeert vrede te stichten tussen twee bewoners van de […]weg in [plaatsnaam] die in de clinch liggen over elkaars bouwplannen. ,,Ze zullen nog lange tijd naast elkaar wonen”, zei een woordvoerder van de gemeente gisteren bij de Raad van State in Den Haag waar het burengeschil is beland. Hij adviseerde de twee [plaatsnaam]naren de strijdbijl te begraven.”
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passage:
“Bewoner van de […]weg X verzette zich gisteren bij de Raad van State tegen een seniorenwoning die zijn buurman […] bij zijn huis mag gaan bouwen. De gemeente […] heeft deze woning opgenomen in het bestemmingsplan […]weg [plaatsnaam], dat volgens X van tafel moet. X meent dat het nieuwe huis van zijn buurman de bouw van zijn eigen energiezuinige woning in gevaar brengt. Met dat bouwplan is [buurman] het niet eens. ,,Die percelen daar aan de […]weg zijn groot genoeg”, zegt de gemeente.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers stellen dat zij zich – als belanghebbende buren – hebben verzet tegen een wijziging van een bestemming met bijbehorende verandering van regels. Door die wijziging kan de buurman van klagers een woning op zijn perceel bouwen en wel zó dicht op de erfgrens, dat daardoor de nieuwbouwwoning van klagers onnodig ongunstiger wordt beïnvloed alsmede de door hen gedane investeringen in hun landschapstuin. Klagers wijzen erop dat ten onrechte is vermeld dat de buurman een seniorenwoning mag bouwen.
Volgens klagers heeft de gemeente zich voor (onderdelen van) haar handelwijze geëxcuseerd, maar weigert zij oog te hebben voor het feit dat zij aan de basis staat van wat zich voordoet.
Van een burenruzie is volgens klagers geen sprake. De zaak bij de Raad van State, waarover wordt bericht, betreft het onzorgvuldige handelen van de gemeente. De buurman van klagers heeft zich als belanghebbende gevoegd in die procedure. Volgens klagers kan hun buurman het ‘de jure’ niet oneens zijn met hun bouwplannen, omdat hij niet tijdig gebruik heeft gemaakt van zijn recht om in beroep te gaan tegen de bouwvergunning van klagers. Dergelijke discussies zijn in de berichtgeving irrelevant, aldus klagers.
Zij menen verder dat uit de publicatie niet blijkt dat de gemeente de veroorzaker is van het conflict. Ten onrechte meldt de kop dat de gemeente ‘de vrede predikt’. Klagers benadrukken dat het een zakelijk geschil betreft. In de publicatie verwart een woordvoerder van de gemeente dit geschil bewust met een burenruzie, aldus klagers.
Volgens hen had verweerder kritisch moeten staan tegenover de uitlatingen van de gemeentewoordvoerder, nu deze burgers die gebruikmaken van hun grondrechten kwalificeert als ruziemakers. De gemeente weigert zich te distantiëren van de uitlatingen en de publicatie, maar geeft wel aan dat mogelijk zaken uit hun context zijn gehaald. De gemeente laat echter de redactionele verantwoordelijkheid bij de krant, aldus klagers.
Voorts stellen zij dat in de publicatie hun naam en adres zijn vermeld, terwijl dit beslist niet gebruikelijk is bij dergelijke berichtgeving. Volgens klagers dient de publicatie geen maatschappelijk belang. Zij menen dat een omschrijving als ‘een omwonende’ had volstaan. Doordat zij eenvoudig identificeerbaar zijn, voelen klagers zich in hun goede naam en belangen geschaad.
Klagers hebben de krant uitdrukkelijk verzocht om wederhoor toe te passen, maar de krant heeft daarop niet gereageerd.
Volgens klagers is mogelijk sprake van smaad, laster en belediging. De berichtgeving is onnodig persoonlijk grievend en beschadigend, en een rectificatie is dan ook op zijn plaats, aldus klagers.
 
Verweerder stelt dat het gebruikelijk is dat in berichtgeving over bestemmings- en bouwplannen de adressen en namen van partijen worden vermeld. Van een aantasting van de goede naam of het onterecht schaden van belangen is geen sprake. Het vermelden van namen is bovendien noodzakelijk om verwarring te voorkomen. Daarom volstaat een omschrijving als ‘een omwonende’ niet.
Verder meent verweerder dat de gemeentewoordvoerder correct is geciteerd en dat de berichtgeving een maatschappelijk belang dient. Zo kunnen burgers via de berichtgeving controleren hoe de gemeente handelt betreffende bouwvergunningen en bestemmingsplannen. Volgens verweerder is het voorts ongebruikelijk om als vervolg op de verslaggeving in een rechtszaak één van de partijen opnieuw gelegenheid te geven zijn verhaal opnieuw te doen. Ten slotte stelt verweerder dat klagers zich hebben gewend tot de lezersservice, die met name klachten afhandelt betreffende de bezorging. Het is de klagers niet verwijtbaar dat zij de status van de lezersservice-afdeling verkeerd hebben ingeschat. Het was ordentelijk geweest wanneer deze afdeling de klacht had doorgespeeld naar de redactie, zodat er in de richting van klagers een reactie had kunnen volgen, aldus verweerder.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat sprake is van ongenuanceerde berichtgeving, zonder toepassing van wederhoor, waarbij de privacy van klagers is aangetast.
 
De Raad overweegt dat de gewraakte publicatie een weergave behelst van een bestuursrechtelijke rechtszitting in een procedure tussen klagers en de gemeente betreffende de wijziging van een bestemmingsplan.
Verweerder mocht uitgaan van de juistheid van hetgeen op die zitting werd behandeld en behoefde klagers geen gelegenheid te bieden tot wederhoor. Het beginsel van wederhoor geldt immers niet voor berichtgeving van feitelijke aard – zoals verslagen van openbare bijeenkomsten – terwijl niet is gebleken dat de gewraakte publicatie klagers belang zodanig raakt dat wederhoor niettemin was geboden. (zie punt 2.3.4. van de Leidraad van de Raad)
 
De omstandigheid dat in het artikel de volledige naam van klagers is vermeld maakt het voorgaande niet anders. Immers, in het algemeen bestaat geen bezwaar tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen in verslagen van een civielrechtelijke of bestuursrechtelijke procedure. Van een dermate zwaarwegend belang aan de zijde van klagers waardoor van dit uitgangspunt had moeten worden afgeweken, is niet gebleken. (zie punt 2.4.10. van de Leidraad en vgl. onder meer RvdJ 2009/68)
 
De Raad overweegt ten slotte dat het verweerder vrij stond om zich tot een globale weergave van het geschil te beperken. Hoewel de publicatie aldus summier van aard is, maakt het achterwege laten van door klagers relevant geachte informatie – zij hadden kennelijk meer over de voorgeschiedenis en de rol van de gemeente in de affaire willen terugzien – niet dat daarmee grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. RvdJ 2010/8)
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 18 maart 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, H. Blanken, A. Mellink MPA, mw. H.M.M. Nietsch en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, adjunct-secretaris.