2011/14 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
N. van der Naald en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger
 
Bij brief van 26 oktober 2010 met twee bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen mw. N. van der Naald en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger (hierna: verweerders). Hierop heeft H. Brinkman, adjunct hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 26 december 2010 met tien bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 januari 2011. Klager is daar verschenen, vergezeld door Y, en heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Namens verweerders waren Van der Naald en Brinkman aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op 20 augustus 2010 is op de voorpagina van Dagblad De Limburger een artikel verschenen van de hand van Van der Naald onder de kop “Notarisoorlog laait op” met het chapeau “’Zakelijk conflict’ Splitsing van groot notariskantoor in Venlo”. De intro van het artikel luidt:
“De notarissenoorlog die zes jaar geleden al in Noord-Limburg woedde, lijkt weer te zijn opgelaaid. Ditmaal is sprake van een splitsing binnen […] Notarissen in Venlo, een kantoor waar tot voor kort vijf notarissen deel van uit maakten.”
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
“Twee van hen, Y en X, gaan verder onder de vlag van […] in […] en […].
Notaris Z laat namens […] weten dat de reden van de scheiding tussen de notarissen ‘een zakelijk conflict’ is.
In 2004 woedde in Noord-Limburg al een strijd tussen verschillende notariskantoren die elkaar voor de tuchtrechter sleepten en elkaar al prijsstuntend probeerden af te troeven.”
en
“Y spreekt niet van een zakelijk conflict met […], maar laat alleen weten dat er ‘in goed overleg een beëindigingsovereenkomst’ wordt getekend. Hij houdt de recente ontwikkelingen op ‘een kwestie van broodnijd’.
Volgens goed ingevoerde bronnen in het notariaat heeft het huidige conflict onder meer te maken met een melding van mogelijk strafbare feiten die gedaan is bij het openbaar ministerie (OM) in Roermond en bij het Bureau Financieel Toezicht.
Het OM wil nog geen commentaar geven op die kwestie. (…) Het Bureau Financieel Toezicht, dat de integriteit en transacties van notarissen toetst, laat weten dat er geen onderzoek loopt naar een van de genoemde notarissen. ,,Wij weten wel dat er een klacht is gedeponeerd bij de Kamer van Toezicht.(…)””
Het slot van het artikel luidt:
“De Kamer van Toezicht, een tuchtorgaan, laat echter weten dat bij hen louter een melding is binnen gekomen dat de samenstelling van […] Notarissen per 1 juli veranderd is.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat het artikel diverse onjuistheden bevat. Zo bestond de maatschap […] tot 1 juli 2010 uit negen notarissen en had deze vier vestigingen. Die maatschap bestaat thans nog uit zeven maten. De beide andere maten, klager en Y, hebben in goed overleg de samenwerking met […] beëindigd. Verweerders hebben het einde van de samenwerking aangeduid als ‘notarissenoorlog’, hetgeen tendentieus en onwaar is, aldus klager. Dat einde heeft uitsluitend een zakelijke reden.
Verder is onjuist dat vanaf 2004 de notariskantoren elkaar voor de tuchtrechter sleepten. Ter zitting licht klager toe dat de door verweerders ter zake overgelegde artikelen geen enkele betrekking hebben op de inhoud van het gewraakte artikel of op hem. Deels betreft het artikelen die zijn gepubliceerd in een periode dat hij nog geen notaris was, deels gaat het om artikelen waarbij hij geen betrokkenheid heeft, nu hij geen Venlose notaris is (geweest).
Klager maakt verder bezwaar tegen de passage waarin wordt bericht over een melding van mogelijk strafbare feiten. Volgens hem hebben verweerders gebruik gemaakt van door anonieme bronnen verstrekte informatie, zonder de betrouwbaarheid en juistheid ervan te onderzoeken. Verweerders hebben beschuldigingen gepubliceerd die (in)direct afkomstig zijn van personen met wie klager en Y een zakelijk verschil van inzicht hebben en die belanghebbende zijn. Verweerders hadden de informatie van deze bron(nen) niet zonder meer als waar mogen aannemen. Klager benadrukt dat zowel het OM als het Bureau Financieel Toezicht hem hebben laten weten dat er geen meldingen of klachten bekend zijn en dat er richting journalisten geen enkele inhoudelijke mededeling is gedaan.
Volgens klager is de berichtgeving aldus tendentieus en bezijden de waarheid. Verweerders hebben geen onderscheid gemaakt tussen feiten en meningen. Zij hebben ten onrechte een verband gelegd tussen strafrechtelijk en tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door hem en zijn collega Y, en de ontbinding van de maatschap. Dat verband is feitelijk onjuist, aldus klager.
Verder stelt hij dat hij noch vooraf noch achteraf in de plaatsing van het artikel is gekend. Zijn telefonisch verzoek – na plaatsing – om een nadere toelichting door de hoofdredacteur is niet gehonoreerd, hetgeen klager eveneens onbehoorlijk acht. Volgens klager heeft Z, waarmee hij en Y het zakelijk verschil van inzicht hebben, het artikel voor plaatsing ter inzage gehad en de mogelijkheid gekregen daarop te reageren. Klager meent dat verweerders met twee maten meten, nu hij noch Y het artikel vooraf ter inzage heeft ontvangen. Klager wijst erop dat Van der Naald op 19 augustus 2010 telefonisch contact heeft gehad met Y. Op diens vraag waarom zij belde en wat de nieuwswaarde van het betreffende onderwerp was, deelde zij mee dat zij belde naar aanleiding van de publicatie van de advertentie van […] een dag eerder. Dit is in strijd met de waarheid, want al medio juli 2010 heeft Van der Naald over dit onderwerp uitgebreid gesproken met Thijssen.
Ter zitting licht klager toe dat verweerders voorafgaand aan de publicatie geen wederhoor hebben toegepast, terwijl dat tot een genuanceerder en juister beeld over hem zou hebben geleid. Hij benadrukt dat hij wel degelijk op zijn vakantieadres bereikbaar was. Voor zover wederhoor is toegepast bij zijn collega Y, is sprake van overvaltechniek. Y kreeg telefonisch onvoorbereid en zonder aankondiging de boodschap dat een artikel zou worden gepubliceerd. In hetzelfde telefoongesprek werd een afspraak gemaakt om de inhoud van de publicatie persoonlijk te bespreken en zo nodig toe te lichten. Een dag later, derhalve ruim voordat het gesprek zou plaatsvinden, is het artikel echter rauwelijks gepubliceerd. Deze werkwijze is geen serieuze manier van wederhoor bieden, aldus klager.
Ter zitting deelt Y desgevraagd mee dat hij voorafgaand aan de publicatie geen contact met klager heeft opgenomen op diens vakantieadres, omdat hij niet de indruk had dat het artikel de dag na het telefoongesprek met Van der Naald zou verschijnen. Wellicht dat zij dat wel heeft gezegd, maar dat is dan niet tot hem doorgedrongen, omdat Van der Naald nog een nadere afspraak wilde maken.
Verder deelt Y mee dat Van der Naald in het telefoongesprek niet heeft laten weten dat sprake zou zijn van een ‘melding’ van mogelijk strafbare feiten en dat zij niet heeft gesproken over het OM of het Bureau Financieel Toezicht. Van der Naald heeft alleen meegedeeld dat het iets strafrechtelijks betrof.
Klager stelt voorts dat zijn privacy is geschonden, doordat verweerders hem in verband hebben gebracht met mogelijke strafbare feiten, zonder dat die feiten zich hebben voorgedaan. Die inbreuk staat niet in redelijke verhouding tot het maatschappelijk belang van de publicatie, waaraan elke nieuwswaarde ontbreekt omdat twee dagen voor de publicatie […] via een advertentie bekend had gemaakt dat de samenwerking met klager en Y was geëindigd. Klager meent dat er geen enkel maatschappelijk belang is gediend om op deze wijze over een zakelijk verschil van inzicht tussen notarissen te berichten, nu geen sprake is van strafrechtelijk of tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en de continuïteit van beide ondernemingen is gewaarborgd. Bovendien hadden verweerders de publicatie kunnen anonimiseren voor zover het de vermelding van zijn naam betreft, aldus klager.
Hij meent dat juist door de handelwijze van verweerders het maatschappelijk belang is geschaad. Met hun tendentieuze en onjuiste berichtgeving berokkenen verweerders schade aan een belangrijk fundament van het notariaat, te weten: vertrouwen. Volgens klager behoren verweerders in hun berichtgeving zeer terughoudend en zorgvuldig te zijn als zich geen tuchtrechtelijk verwijtbare fouten hebben voorgedaan.
Klager concludeert dat verweerders niet, althans onvoldoende zorgvuldig te werk zijn gegaan en dat er geen grondslag bestaat voor de gewraakte publicatie.

Verweerders stellen dat geen sprake is van feitelijk onjuiste berichtgeving. Het door hen genoemde aantal van vijf notarissen is gebaseerd of de advertentie van […]. Daarin is bericht dat het kantoor in Venlo de samenwerking met klager – notaris in […] – en Y – notaris in […] – heeft beëindigd en dat het kantoor in Venlo wordt voortgezet door drie notarissen. Klager telt kennelijk ook notarissen van andere vestigingen, buiten de hoofdvestiging Venlo, mee. Daardoor is wellicht sprake van een misverstand, maar niet van een feitelijke onjuistheid.
Verder is niet juist dat verweerders – zoals klager heeft doen voorkomen – een oorzakelijk verband hebben gelegd tussen de door verweerders gesignaleerde ‘notarissenoorlog’ van beginjaren 2000 en de splitsing van notarissen, waarover in het gewraakte artikel wordt bericht. Duidelijk is vermeld dat de oorlog ‘lijkt’ te zijn opgelaaid, maar dat ‘ditmaal’ sprake is van een splitsing. Daarmee heeft Van der Naald glashelder weergegeven dat er opnieuw ruzie is bij een notariskantoor, maar dat dit nu een andere reden heeft. Dat in het gewraakte artikel de zogenoemde ‘notarissenoorlog’ bij de lezer in herinnering wordt geroepen, kan geen onjuistheid worden genoemd, aldus verweerders.
Zij stellen verder dat de passage waarin is bericht dat ‘in 2004 al een strijd woedde tussen verschillende notariskantoren’ feitelijk juist is. De door hen in diverse tussen 2004 en 2006 gepubliceerde artikelen gebruikte term ‘notarissenoorlog’ voert terug naar eind jaren negentig, toen tarieven voor notarissen werden losgelaten. Dat leidde tot concurrentie die met name in Noord-Limburg hevig was. In die periode hebben meerdere notarissen, ook van het kantoor waarover in het gewraakte artikel is bericht, verschillende klachten bij de tuchtrechter ingediend. De klachten speelden in en rond 2004. Verweerders hebben daarover destijds in diverse – door hen overgelegde – publicaties bericht, zonder dat daarover klachten c.q. eisen tot rectificatie zijn binnengekomen. Ter zitting voegt Brinkman hieraan desgevraagd toe dat zij aan de ‘notarissenoorlog’ hebben gerefereerd, omdat binnen hetzelfde kantoor weer een conflict was.
Ten aanzien van de melding van mogelijk strafbare feiten stellen verweerders dat zij de bewuste melding ter inzage hebben gehad. Het is dus niet juist – zoals klager heeft gesteld – dat zij beweringen van anonieme bronnen voor waar hebben aangenomen. Zij hebben zich vooral gebaseerd op de ter inzage verkregen melding. Helaas kunnen zij de bron hiervan niet openbaren, omdat zij ter zake geheimhouding hebben afgesproken.
Verweerders wijzen er verder op dat in het artikel geen directe link wordt gelegd tussen klager en de mogelijk strafbare feiten. Zij hebben bewust gekozen voor een voorzichtige formulering, te weten dat ‘het conflict onder meer te maken heeft met een melding van mogelijk strafbare feiten’. Daaraan koppelen verweerders geen personen, maar een gebeurtenis, zodat het net zo goed iemand anders dan klager kan betreffen. Overigens hebben de andere in het artikel genoemde personen zich niet bij verweerders beklaagd over feitelijke onjuistheden.
Ter zitting voegen verweerders hieraan toe dat klagers naam is vermeld in de gepubliceerde advertentie van […]. Zij gebruiken initialen als het gaat om verdachten, hetgeen hier niet aan de orde is, en zij willen niet iemand onnodig criminaliseren.
Ter zake van de verstrekking van artikelen ter inzage voorafgaand aan een publicatie, stellen verweerders dat zij daartoe alleen overgaan als een betrokkene daarom vraagt en er geen omstandigheden zijn die zich daartegen verzetten. Dat betekent niet dat als voor een artikel meerdere mensen worden geraadpleegd en de ene geïnterviewde om inzage vraagt, de ander(en) dat automatisch ook krijgt/krijgen. Het is verweerders verder niet bekend met wie klager na publicatie contact heeft opgenomen, zodat zij de gang van zaken niet hebben kunnen natrekken. Klager heeft zich in ieder geval niet tot de hoofdredacteur gewend. Van een weigering van verweerders om op de klacht te reageren, is geen sprake.
Dat het artikel is verschenen ondanks dat verweerders klager niet konden bereiken, is ingegeven door de omstandigheid dat zij zich baseerden op het feitelijke gegeven dat zij de betreffende melding ter inzage hebben gehad en dat een advertentie verscheen waarin de splitsing van het kantoor werd aangekondigd. Het artikel had juist op dat moment nieuwswaarde, omdat uit de advertentie niet bleek waarom de samenwerking was beëindigd. Uiteraard hebben verweerders ook geprobeerd klager te bereiken. Diens kantoor liet echter weten dat klager wegens vakantie niet bereikbaar was. Vervolgens heeft klagers collega Y teruggebeld en meegedeeld dat het om een zakelijk conflict ging, hetgeen ook in het artikel is verwerkt. Naar de mening van verweerders kan de toelichting van Y worden gezien als een reactie van beide notarissen. Die reactie komt immers overeen met hetgeen klager aanvoert, te weten dat de splitsing was ingegeven door een zakelijk conflict. Verweerders waren al langer bezig met een publicatie, die door het verschijnen van de advertentie enkel is bespoedigd.
Ter zitting licht Van der Naald toe dat zij in het telefoongesprek met Y duidelijk heeft gezegd dat het ging om een publicatie op de volgende dag. Zij wilde wel graag een nader gesprek, maar niet in verband met het onderhavige artikel. In het gesprek heeft zij Y verder gemeld dat zij nadere informatie had over de achtergrond van de beëindiging van de samenwerking en dat dit mogelijk een strafrechtelijke zaak betrof.
Ten slotte delen verweerders mee dat de actuele situatie over de kwestie is, dat het bij een melding is gebleven. Volgens navraag die zij later – enige tijd na de publicatie – bij het OM hebben gedaan, is er geen aangifte op gevolgd. Verder wilde het OM niet op de kwestie ingaan. Desgevraagd delen verweerders ter zitting mee dat ze hierover niet hebben bericht, omdat het feit dat geen aangifte is gedaan geen nieuws is, zolang niet zeker is of de zaak bij het OM is gesloten.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat sprake is van onjuiste, tendentieuze berichtgeving, waarbij klagers privacy ongerechtvaardigd is aangetast en hem geen gelegenheid tot wederhoor is geboden.
 
Klager heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte de term ‘notarissenoorlog’ hebben gebruikt. Verweerders hebben in dat verband gemotiveerd aangevoerd dat zij die term in eerdere publicaties hebben gebruikt ter aanduiding van een hevige concurrentiestrijd tussen notariskantoren in Noord-Limburg, waarbij ook het kantoor […] betrokken was.

Voorts is naar het oordeel van de Raad zowel in het chapeau als in het artikel aan de lezer voldoende duidelijk gemaakt dat aan de onderhavige kwestie een andere reden – te weten: een zakelijk conflict – ten grondslag ligt. Onder deze omstandigheden is het gebruik van de term ‘notarissenoorlog’ niet journalistiek ontoelaatbaar.
Voorts heeft klager gesteld dat ten onrechte een verband is gelegd tussen strafrechtelijk en tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van klager c.q. zijn collega Y en de ontbinding van de maatschap. Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd, acht de Raad het aannemelijk dat voor verweerders voldoende aanleiding bestond hierover te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan. Daarbij hebben verweerders voldoende terughoudendheid betracht, door de beweringen ter zake niet als feit te presenteren en de (voorlopige) reacties van het Openbaar Ministerie, het Bureau Financieel Toezicht en de Kamer van Toezicht in de publicatie op te nemen. Bovendien is de Raad van oordeel dat de vermeende verwijtbare handelingen – objectief bezien – niet aan klager c.q. zijn collega Y worden toegeschreven. (zie punten 1.4. en 2.2.5. van de Leidraad van de Raad)
 
Het voorgaande in aanmerking genomen bestaat naar het oordeel van de Raad geen grond voor de conclusie dat klagers privacy door de vermelding van zijn naam disproportioneel is aangetast. Gelet op de aard van de kwestie is de vermelding van klagers naam journalistiek relevant en niet ontoelaatbaar. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat twee dagen voor het gewraakte artikel een advertentie van […] in Dagblad De Limburger is gepubliceerd, waarin de naam van klager eveneens was vermeld. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad)
 
Ten aanzien van het toepassen van wederhoor staat niet ter discussie dat Van der Naald voorafgaand aan de publicatie met klagers collega Y heeft gesproken en dat in dat gesprek aan de orde is geweest dat in de publicatie zou worden bericht over ‘mogelijk strafrechtelijke zaken’. Hoewel het wellicht beter zou zijn geweest als Van der Naald Y duidelijker over de voorgenomen publicatie zou hebben geïnformeerd, kan ook op dit punt niet worden geconcludeerd dat verweerders journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. Gelet op hetgeen klager en Y ter zitting over hun conflict met Z hebben verklaard, acht de Raad het aannemelijk dat Y de strekking van de publicatie voldoende duidelijk moet zijn geweest. Dat hij mogelijk in het telefoongesprek met Van der Naald onvoldoende adequaat heeft gereageerd, kan verweerders niet worden verweten. Gezien het feit dat het gaat om een zakelijk conflict tussen klager en Y enerzijds en […] c.q. Z anderzijds, terwijl geen sprake is van beschuldigingen die klager persoonlijk betreffen, mochten verweerders de reactie van Y beschouwen als een reactie van Y en klager gezamenlijk. Die reactie is ook in het artikel verwerkt. Voorts is niet gebleken dat Van der Naald met Y heeft afgesproken dat zij hem vooraf de tekst van het artikel ter inzage zou toesturen en zij was daartoe ook anderszins niet gehouden. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
 
Ten slotte heeft klager aangevoerd dat verweerders ná de publicatie onzorgvuldig hebben gehandeld, door te weigeren op zijn klacht te reageren. Verweerders hebben dit echter gemotiveerd betwist. Klager heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij, toen hij telefonisch contact opnam met Dagblad De Limburger, niet werd doorverbonden met de hoofdredactie en dat Van der Naald op dat moment niet aanwezig was. Verder heeft klager verklaard dat hij niet heeft verzocht om teruggebeld te worden en dat zulks evenmin is aangeboden door de telefoniste. Een en ander biedt onvoldoende grond voor de conclusie dat verweerders ter zake journalistiek onzorgvuldig handelen kan worden verweten.
 
Nu voor het overige niet is gebleken dat het artikel relevante feitelijke onjuistheden bevat, leidt een en ander tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke zorgvuldigheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 4 maart 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, mw. A.C. Diamand, T.R. Harkema, ir. B.L. Hooghoudt, mw. drs. M.G.N. Mathot, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.