2011/13 gegrond ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
A. Stegeman
 
Bij brief van 1 oktober 2010 heeft mr. S.A. Wensing, advocaat te Oudewater, namens X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen A. Stegeman (hierna: verweerder), betreffende uitlatingen die Stegeman heeft gedaan in een uitzending van het televisieprogramma RTL Boulevard van 29 september 2010.
Vervolgens heeft mr. S.A. Wensing namens klaagster bij brief van 24 november 2010 een klacht ingediend tegen verweerder, betreffende een uitzending van het televisieprogramma ‘Undercover in Nederland’ van 23 mei 2010.
In overleg met partijen zijn beide klachten verder gevoegd behandeld.
Bij brief van 24 december 2010 heeft mw. mr. J.A.K. van den Berg, advocaat te Amsterdam, namens verweerder op beide klachten gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 januari 2011. Klaagster is daar verschenen, vergezeld door mr. Wensing en haar echtgenoot. Verweerder is daar verschenen, vergezeld door mr. Van den Berg. Mr. Wensing heeft het standpunt van klaagster toegelicht aan de hand van een pleitnotitie.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad opnamen van de gewraakte uitzendingen bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 23 mei 2010 heeft SBS6 een aflevering van het door Noordkaap TV Producties geproduceerde televisieprogramma ‘Undercover in Nederland’ uitgezonden. Verweerder, directeur van Noordkaap TV Producties en maker van het programma, luidt de uitzending in als volgt:
“Afgelopen vrijdag heeft het Gerechtshof in Amsterdam besloten dat de uitzending zoals die een week eerder nog verboden was, vanavond alsnog mag doorgaan. Daardoor ziet u verborgen camerabeelden die misstanden aantonen in de wereld van de louche paardenhandel. De verborgen camerabeelden bewijzen hoe een malafide paardenhandelaar respectloos omgaat met mens en dier.”
In de uitzending is aandacht besteed aan de handelwijze van klaagster als paardenhandelaar. Daarbij zijn diverse personen geïnterviewd over hun ervaringen met klaagster, waarbij zij zich zeer negatief uitlaten over klaagster. Daarnaast komen de voormalige advocaat van klaagster, de voorzitter van de Dierenbescherming en een woordvoerder van Vereniging Eigen Paard aan het woord.
In de uitzending worden beelden getoond die met een verborgen camera zijn gemaakt door medewerkers van verweerder, die zich hebben voorgedaan als potentiële kopers van een paard. Daarnaast zijn verborgen camerabeelden uitgezonden die zijn gemaakt door een (toenmalige) stalhulp van klaagster. Voorts zijn beelden uitgezonden van een confrontatie tussen klaagster en verweerder, waarbij verweerder klaagster zijn bevindingen voorlegt.

Klaagster is met behulp van een zogeheten scrambling-techniek onherkenbaar gemaakt, haar naam is niet vermeld.
 
Voorafgaand aan de uitzending heeft klaagster in een kort geding-procedure onder meer een verbod tot uitzending c.q. openbaarmaking gevorderd van materiaal en informatie over haar en/of haar paardenstallen. De voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 14 mei 2010 kort gezegd gedaagden – verweerder, diens bedrijf Noordkaap TV Producties B.V. en SBS Broadcasting B.V. – verboden in de voorgenomen uitzending klaagster en/of haar paardenstallen in beeld te brengen en het met verborgen opnameapparatuur verkregen materiaal en de opnamen van de confrontatie tussen klaagster en verweerder openbaar te maken alsmede gedaagden verboden de voor 16 mei 2010 geplande uitzending van het programma uit te zenden, tenzij de advocaat van klaagster alsnog in de gelegenheid is gesteld op behoorlijke wijze een weerwoord te geven en dit weerwoord in het programma wordt meegenomen.
Bij arrest van 21 mei 2010 heeft het Gerechtshof te Amsterdam het vonnis in eerste aanleg vernietigd en SBS/verweerder verboden het programma geheel of gedeeltelijk openbaar te maken zonder dat de stem van klaagster zodanig is vervormd dat deze onherkenbaar is. In zijn arrest heeft het hof onder punt 2.9. het volgende overwogen:
“Het hof is van oordeel dat SBS op grond van vorenstaande informatie, in samenhang bezien, mocht menen dat in het geval van [klaagster] mogelijk sprake was van een ernstige maatschappelijke misstand – oplichting, het veroorzaken van dierenleed en het in het leven roepen van teleurgestelde verwachtingen bij kopers van paarden – terwijl andere middelen om hier nadere opheldering over te verkrijgen niet voorhanden waren. Onder die omstandigheden acht het hof het inzetten van de verborgen camera op zichzelf voorshands niet ontoelaatbaar. Tot welke consequenties een eventueel andersluidend oordeel op dit punt zou leiden, kan hier in het midden blijven.”
en onder punt 2.14. (i):
“(…) Het gaat, zoals hiervoor overwogen, om verdenking ter zake van oplichting, van het veroorzaken van dierenleed en het in het leven roepen van teleurgestelde verwachtingen bij kopers van paarden. Het programma heeft een ruimere strekking dan het uitsluitend aan de kaak stellen van de praktijken van [klaagster], hetgeen onder meer tot uitdrukking komt in de in het programma verwerkte commentaren van de voorzitter van de Dierenbescherming en de woordvoerder van de Vereniging Eigen Paard. (…)”
en onder punt 2.14. (iii):
“Een substantieel deel van de verdenkingen en beweringen die in het programma worden geuit aan het adres van [klaagster] vindt naar het voorlopig oordeel van het hof onmiskenbaar steun in de opnamen met de verborgen camera en in de verklaring van […], hoezeer mogelijk ook valt af te dingen op de beweringen die in het programma worden gedaan door […], […] en […] en hoezeer [klaagster] ook adhesiebetuigingen van kennelijk wél tevreden klanten in het geding heeft gebracht. Zo moet op grond van de vertoonde beelden voorshands worden geoordeeld dat [klaagster] de pseudo-kopers van het paard […] en haar veulen bewust misleidt omtrent de achtergrond van [het paard], de gezondheid van het veulen en de eigenschappen van beide dieren. Deze wijze van handelen van [klaagster] vindt bovendien steun in hetgeen [...] in de uitzending verklaart omtrent haar ervaringen. (…)”
en onder punt 2.14. (iv):
“Aan [klaagster] is – na en ter uitvoering van het vonnis van de voorzieningenrechter – alsnog een reële gelegenheid geboden tot een weerwoord. [Klaagster] heeft daarvan gebruik gemaakt door middel van een interview door Stegeman met haar advocaat. SBS c.s. hebben de opname hiervan verwerkt in het programma zoals dit aan het hof is getoond. (…)”
 
Vervolgens is op 29 september 2010 in een uitzending van het televisieprogramma ‘RTL Boulevard’ aandacht besteed aan de juridische procedure tussen klaagster en verweerder. Verweerder wordt live in de studio geïnterviewd door presentatoren H. Tan en A. Verlinden. In dat gesprek wordt onder meer het volgende gezegd:
Tan: “Undercoverjournalist Alberto Stegeman hangt een dwangsom van bijna een half miljoen euro boven het hoofd. Een paardenhandelaar beschuldigt Stegeman van het uitzenden van onjuistheden. Alberto, vertel even kort hoe dat verhaal zit.”
Verweerder: “Nou, het was vlak voor de zomer. Ik zou een uitzending maken over een malafide paardenhandelaar. Zij heeft toen gezegd: ‘Ik wil niet dat het wordt uitgezonden.’ Ze heeft een kort geding aangespannen, heeft ze ook gewonnen. Ik was het daar niet mee eens, dus ik ben naar het gerechtshof gegaan en die uitspraak was totaal anders. Die rechters hebben gezegd: ‘Nou, je mag dat wél uitzenden.’”
en verder
Verweerder: “Nou, die mevrouw moet wel héél tevreden zijn inderdaad, omdat, ja het is een mevrouw (die) écht een paardenhandelaar is, die heel slecht is voor mensen en voor beesten, het gerechtshof heeft ook gezegd ‘we hebben hier te maken met oplichting, met dierenleed.’”
Tan: “Dat staat gewoon in het vonnis?”
Verweerder: “Ja, zij misleidt kopers. Dat staat heel duidelijk in het vonnis (…)”
en verder
Verweerder: “(…) Maar de rechters hebben ook gezegd, dat mag je gewoon op die manier uitzenden. Wellicht is de uitzending ook schadelijk voor deze mevrouw, maar ja…”
Tan: “Maar wel oorbaar.”
Verweerder: “Maar wel oorbaar. Zij hebben gekozen voor privacy, tussen privacy en persvrijheid, en hier ging het om persvrijheid. Deze ernstige maatschappelijke misstand mochten wij gewoon aantonen.”
Tan: “Dat is een belangenafweging en het belang van het maatschappelijk belang is groter dan haar individuele persoonlijke belang?”
Verweerder: “En dat hebben wij met feiten kunnen ondersteunen en de rechters hebben ons daar gelijk in gegeven.”
Verlinden: “Zeg rechter Tan, krijgen wij de andere partij ook nog te horen?”
Tan: “Nou daarom, kijk dit is wat jij zegt…en dit zegt de andere partij…”
Vervolgens worden enkele beelden getoond van de uitzending van ‘Undercover in Nederland’ van 23 mei 2010, waarbij een voice-over bericht:
“Zo is deze paardenhandelaar alles behalve blij wanneer ze zichzelf terugziet en hoort op de televisie. Ze vindt zichzelf niet onherkenbaar genoeg.”
Hierna wordt de advocaat van klaagster, in een vooraf opgenomen gesprek, aan het woord gelaten. Daarin laat hij weten dat de stem van klaagster niet in de gehele uitzending vervormd zou zijn, terwijl het hof heeft bepaald dat dat dusdanig moest gebeuren dat klaagster volledig onherkenbaar is.
Volgens de advocaat is klaagster echter wél in de uitzending herkend en daarop aangesproken. Dit zou de grondslag zijn voor het verbeurd verklaren van dwangsommen. Ten slotte wordt het gesprek met de advocaat live in de studio besproken. In dat gesprek deelt verweerder mee van mening te zijn dat de stem van klaagster in de uitzending van ‘Undercover in Nederland’ voldoende vervormd is en dat hij precies heeft gedaan wat de rechters hem hebben opgedragen.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Het standpunt van klaagster
Ten aanzien van de uitzending van ‘Undercover in Nederland’ stelt klaagster – kort samengevat – dat de uitzending tal van onjuistheden bevat en dat zowel het beeld- als geluidsmateriaal dermate is gemanipuleerd dat de kijker op het verkeerde been wordt gezet. Volgens klaagster is de wijze waarop zij wordt geportretteerd doorspekt met eenzijdigheid, subjectiviteit en onvolledigheid. Zij meent dat de gemiddelde kijker geen ruimte wordt gelaten om een eigen oordeel te vormen, omdat sprake is van eenzijdige, misleidende berichtgeving. Van enig onderzoek, behoudens de vooropgezette undercover-actie, is geen enkele sprake geweest. De uitzending bestaat uit mededelingen van een rancuneus familielid van klaagster en andere niet-onafhankelijke, onbetrouwbare bronnen. De verhalen van die bronnen raken kant noch wal, er is louter sprake van stemmingmakerij. Volgens klaagster heeft verweerder verzuimd een veterinair te raadplegen en de stellingen van de geïnterviewde ‘gedupeerden’ te laten onderzoeken. Bovendien heeft verweerder te pas en te onpas kwalijke strafbare feiten gebezigd, die hij klaagster zonder grondslag toerekent. Elk bewijs van de geponeerde stellingen en beweringen ontbreekt, aldus klaagster.
Zij wijst erop dat zowel dierenmishandeling als oplichting een strafbaar feit is en zij benadrukt dat jegens haar geen enkele aangifte is gedaan, laat staan enige strafvervolging is ingesteld. Van een ‘ontmaskering’ als malafide paardenhandelaar is dan ook geen enkele sprake. Overigens kan klaagster niet als ‘paardenhandelaar’ worden gekwalificeerd. Zij houdt zich op geheel kleinschalige en hobbymatige wijze bezig met het fokken van Spaanse paarden en zij heeft slechts één dekhengst. Zij verkoopt het ene jaar één, het ander jaar twee – hooguit drie – paarden.
Klaagster stelt dat verweerder geen wederhoor heeft toegepast en pas na een veroordelend vonnis haar (voormalige) advocaat hiertoe in de gelegenheid heeft gesteld. Ten aanzien van de confrontatie met verweerder stelt klaagster dat het optreden van verweerder uiterst intimiderend is en hij misbruik maakt van zijn machtige positie als televisiemaker.
Voorts stelt klaagster dat diverse montagetrucs zijn toegepast. Volgens klaagster is in de hele uitzending te zien dat zij zeer zorgzaam met de paarden omgaat, ook in de undercover-beelden. Door op diverse momenten gebruik te maken van trucage heeft verweerder echter een onjuist beeld van klaagster geschapen. Zo is onder meer door een geluidstrucage ten onrechte de indruk gewekt dat klaagster een paard een fikse tik op de neus geeft, zoals door de voice-over wordt gemeld. Klaagster erkent dat haar grove taalgebruik niet sympathiek overkomt, maar verweerder heeft dat nog eens handig gebruikt door het herhalen van door haar gebezigde scheldwoorden, om haar daarmee in de rol van louche paardenhandelaar te duwen.
Daarnaast heeft verweerder – aldus klaagster – opzettelijk belangrijke aspecten verzwegen, zoals het feit dat een van haar paarden door de medewerkster van verweerder is bereden terwijl de indruk is gewekt dat dat niet mogelijk zou zijn.
Klaagster stelt verder dat de door verweerder ingehuurde (voormalige) stalhulp zich telkenmale schuldig heeft gemaakt aan uitlokking. Deze stalhulp spreekt onder meer over ‘slachtpaarden’ en tracht klaagster tot gelijkluidende opmerkingen te bewegen, maar klaagster antwoordt daarop juist ontkennend.
Ten slotte meent klaagster dat verweerder – in strijd met het arrest van het hof – heeft nagelaten haar stem zodanig te vervormen dat zij onherkenbaar is. Zij wijst erop dat zij door tal van ingewijden in de uitzending is herkend.
Klaagster betoogt dat verweerder niet waarheidsgetrouw heeft bericht en de kijker niet zodanig heeft geïnformeerd dat deze zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kon vormen over het nieuwsfeit. Verweerder heeft geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen en heeft geweigerd zijn onjuiste mededelingen te rectificeren, aldus klaagster.
 
Ten aanzien van de uitzending van ‘RTL Boulevard’ stelt klaagster – kort samengevat – dat verweerder een volstrekt verkeerde uitleg heeft gegeven van het arrest van het hof. Verweerder heeft ten onrechte als feit geponeerd de stelling dat de rechters vinden dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting en dierenleed. Het hof heeft louter overwogen dat ‘voorshands’ kan worden geoordeeld dat klaagster een pseudo-koper misleidt omtrent de achtergronden van merrie en veulen. Het gaat hier om een kort geding-procedure, het betreft hier geen overweging in een bodemzaak, aldus klaagster.
Zij meent dat verweerder in de uitzending had moeten vermelden dat het hof spreekt over een ‘verdenking’ en een ‘mogelijke’ situatie ter zake van dierenleed en oplichting, en dat het hof ‘voorshands’ van oordeel is dat klaagster een pseudo-koper misleidt. In een bodemprocedure zal uitgezocht moeten worden of het bij een verdenking blijft. Het stond verweerder niet vrij reeds in de uitzending van ‘RTL Boulevard’ te concluderen dat het hof al een eindconclusie zou hebben genomen. De uitspraak van het hof is volkomen helder en het had op de weg van verweerder gelegen daarvan niet af te wijken.
Klaagster betoogt dat verweerder aldus in zijn hoedanigheid van (undercover)journalist niet waarheidsgetrouw heeft bericht en geen duidelijk onderscheid heeft gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Verweerder heeft ten onrechte geweigerd zijn onjuiste mededelingen te rectificeren, aldus klaagster.
  
Het standpunt van verweerder
Ten aanzien van de uitzending van ‘Undercover in Nederland’ stelt verweerder – kort samengevat – dat de formule van het programma zo is, dat misstanden die daarin aan de orde worden gesteld niet overtuigend kunnen worden aangetoond zonder verborgen camerabeelden. In het programma worden betrokkenen altijd uit privacy-overwegingen onherkenbaar gemaakt.
Op de redactie van het programma kwamen veel tips binnen over klaagster, die betrekking hadden op haar handelwijze als paardenverkoper. Zij gingen erover dat klaagster, al dan niet onder een andere naam, verschillende slachtoffers had gemaakt. De redactie heeft alle tips onderzocht en met de tipgevers gesproken. Daarnaast heeft de redactie met derden gesproken, documenten ingezien en overleg gevoerd met deskundigen. Het standpunt van klaagster dat de uitzending uitsluitend is gebaseerd op de verklaringen van de personen die in de uitzending aan het woord zijn gelaten, is derhalve onjuist. Overigens bestaat voor de door die personen geuite beschuldigingen wel degelijk een deugdelijke grondslag, aldus verweerder.
In dat verband heeft hij een groot aantal schriftelijke stukken overgelegd, zoals verklaringen, kwitanties, een rapport van een dierenarts en een aantal aangiften. Deze documenten tonen mede aan dat de stellingen van klaagster dat verweerder geen eigen onderzoek zou hebben verricht naar de verhalen van de bronnen, onjuist zijn.
Om te zien of de in de tips vervatte beschuldigingen juist waren, besloot de redactie de stal van klaagster te bezoeken en is voorgewend dat men een paard wilde kopen. De verborgen camerabeelden passen volledig in het patroon dat door de andere betrokkenen is geschetst. De beelden laten er geen twijfel over bestaan dat klaagster datgene doet waarvan zij in de uitzending wordt beschuldigd: zij misleidt kopers over essentiële kenmerken en eigenschappen van de paarden. Er is dus geen sprake van het uitlokken van een incident met de kennelijke bedoeling nieuws te creëren, maar van verder bewijs van het handelen van klaagster.
Al met al concludeert verweerder dat de redactie meer dan voldoende steun heeft aangedragen in het feitenmateriaal voor de geuite beschuldigingen. De verborgen camera vormt het doorslaggevend bewijs. Over de juistheid van die beschuldigingen kan dan ook geen discussie bestaan.
Verweerder stelt verder dat het beeldmateriaal daadwerkelijk is gemaakt en dat meningen van personen door henzelf zijn uitgesproken en als zodanig duidelijk herkenbaar zijn. De beelden en geluiden zijn niet zodanig gemonteerd dat daarvan een andere indruk is uitgegaan dan van het ruwe materiaal. Van trucage is geen sprake geweest, aldus verweerder.
Hij betwist dat hij de kijker heeft gedwongen zich een bepaalde mening aan te meten of een bepaald oordeel te vellen ten aanzien van de aan het adres van klaagster geuite beschuldigingen. Met haar standpunt ter zake miskent klaagster dat de gemiddelde kijker van het programma heel goed in staat is de inhoud daarvan zelf te beoordelen. Bovendien heeft de voormalige advocaat van klaagster op elke individuele beschuldiging weerwoord gegeven. Ook bevatte de uitzending beelden waaruit bleek dat klaagster op bepaalde momenten wel fatsoenlijk met de dieren omging. Volgens verweerder is aldus een evenwichtig beeld geschapen aan de hand waarvan de kijker zich een volledig en controleerbaar beeld kan vormen van de nieuwsfeiten waarover wordt bericht.
Voorts meent verweerder dat de wijze waarop wederhoor is toegepast, voldoet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. De voormalige advocaat van klaagster heeft in alle rust op de aantijgingen kunnen reageren en zijn commentaar is uitvoerig verwerkt in de uitzending.
Gelet op het voorgaande bestaat derhalve geen reden om de uitzending te rectificeren, aldus verweerder.
Hij betwist ten slotte dat de stem van klaagster onvoldoende vervormd zou zijn. De stemvervorming heeft in één keer plaatsgevonden, als gevolg waarvan er geen verschillen in intensiteit van de vervorming zijn. Die vervorming maakt dat de stem van klaagster onherkenbaar is. Verweerder wijst erop dat bij de beoordeling van dit klachtonderdeel relevant is of herkenning door het grote, algemene publiek plaatsvindt. Verweerder betwist dat klaagster aan haar stem herkend is of herkend had kunnen worden als gevolg van de uitzending door anderen dan die haar al kenden. Het bewijs dat klaagster in dat verband heeft overgelegd wordt uitsluitend gevormd door verklaringen van mensen die haar al kenden. Er is geen bewijs dat willekeurige derden haar zouden hebben herkend. Verweerder concludeert dat hij ook op dit punt aan zijn journalistieke plichten heeft voldaan.
 
Ten aanzien van de uitzending van ‘RTL Boulevard’ stelt verweerder – kort samengevat – dat hij op 28 september 2010 door de redactie van dit programma is gebeld met het bericht dat de advocaat van klaagster ‘RTL Boulevard’ had benaderd.
Klaagsters advocaat zou hebben meegedeeld dat hij namens klaagster 450.000 euro eiste van verweerder, wegens overtreding van het arrest nu de stem van klaagster in de uitzending van ‘Undercover in Nederland’ niet in alle gevallen even goed vervormd zou zijn.
Volgens verweerder heeft hij met de door hem gehanteerde formuleringen geen journalistieke zorgvuldigheidsnormen overschreden. Hij heeft in zijn eigen woorden weergegeven wat in het arrest van het hof is overwogen en hij heeft dat in een breder kader gedaan dan uit de klacht blijkt. Verweerder heeft het arrest wat gesimplificeerd, maar geen woorden gebruikt die in tegenspraak zijn met de inhoud van het arrest of daaraan een andere lading geven.
Verweerder wijst erop dat ‘RTL Boulevard’ een live uitgezonden programma is met een opiniërend karakter, dat gekenmerkt wordt door snelle, luchtige conversaties. In die programmaformule is geen ruimte voor uitgebreide nuances en uitvoerig beargumenteerde stellingen.
Volgens verweerder heeft hij zo geantwoord op vragen over het arrest van het hof, dat het kijkerspubliek van ‘RTL Boulevard’ begrijpt wat hij zegt. De gemiddelde kijker van het programma zou niets hebben begrepen van termen als ‘voorshands’, ‘voorlopig oordeel’ en ‘bodemprocedure’.
Verweerder betoogt dat hij – in het licht van deze omstandigheden – op correcte wijze heeft bericht over het arrest van het hof en de kijker meer dan voldoende in staat heeft gesteld zich een eigen en volledig beeld te vormen over het nieuwsfeit.
Het voorgaande geldt des te sterker, nu het item is gemaakt op instigatie van de advocaat van klaagster en deze ook uitgebreid zijn visie en die van klaagster op het geheel heeft toegelicht. Van eenzijdige berichtgeving is dan ook geen sprake, aldus verweerder.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT betreffende de uitzending van ‘Undercover in Nederland’ van 23 mei 2010
 
 
In de uitzending is aan de orde gesteld dat klaagster paarden verkoopt en daarbij aan de kopers bewust onjuiste c.q. onvolledige informatie zou verstrekken over onder meer de gezondheid van de dieren, hetgeen niet alleen het welzijn van de dieren zeer nadelig zou kunnen beïnvloeden, maar waardoor ook nieuwe eigenaren van die paarden onnodig (fysiek) risico zouden kunnen lopen. In dat verband overweegt de Raad dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar de mogelijke betrokkenheid van klaagster bij onoorbare praktijken. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.
 
Het voorgaande neemt niet weg dat een journalist bij zijn onderzoek zorgvuldig te werk moet gaan. Bij het publiceren van beschuldigingen dient hij te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punten 2.2.5. en 2.3.1. van de Leidraad)
 
Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de uitzending is gebaseerd op eigen onderzoek, dat hij naar aanleiding van diverse tips heeft verricht. Dat klaagster zich bij de verkoop van paarden mogelijk bedient van handelspraktijken, die wellicht in de paardenhandel gebruikelijk zijn, maar door het grote publiek waarschijnlijk als moreel verwerpelijk zullen worden opgevat, blijkt genoegzaam uit hetgeen de geïnterviewden in de uitzending hebben verteld. Hetgeen klaagster ter zake heeft aangevoerd, vormt onvoldoende grond voor de conclusie dat verweerder geen deugdelijk onderzoek heeft verricht. Naar het oordeel van de Raad had verweerder voldoende aanleiding om in de uitzending over klaagster te berichten.
 
In dat verband overweegt de Raad nog dat een journalist zich bij het hanteren van kwalificaties als ‘oplichting’ en ‘misleiding’ niet behoeft te beperken tot gedragingen waarbij sprake is van ‘oplichting’ en ‘misleiding’ in strafrechtelijke zin. (vgl. RvdJ 2003/48 en RvdJ 2002/48). De Raad acht het aannemelijk dat de handelwijze van klaagster door de geïnterviewde bronnen als ‘oplichting’ c.q. ‘misleiding’ wordt beschouwd.
 
Klaagster heeft verder bezwaar gemaakt tegen de uitgezonden beelden betreffende de pseudo-koop, waarbij medewerkers van verweerder hebben voorgewend dat zij een paard van klaagster wilden kopen en zij hun contacten met klaagster hebben opgenomen met een verborgen camera. Klaagster heeft ter zake gesteld dat de gedragingen in strijd zijn met punt 2.1.2. van de Leidraad, waarin is bepaald dat de journalist geen incidenten uitlokt met de kennelijke bedoeling nieuws te creëren.
Verweerder heeft naar aanleiding van waarschuwingen van verschillende bronnen eigen onderzoek verricht naar de handelwijze van klaagster. Om zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld te kunnen vormen van dit – reeds aanwezige – nieuwsfeit, hebben medewerkers van verweerder als pseudo-kopers contact gelegd met klaagster. Aldus kan niet worden geconcludeerd dat verweerder met zijn handelwijze een incident heeft uitgelokt met de kennelijke bedoeling nieuws te creëren.
 
Overigens behoort een journalist degene over wie hij publiceert met ‘open vizier’ tegemoet te treden, dat wil zeggen zijn hoedanigheid aan hem bekend te maken. Van deze norm kan een journalist alleen afwijken indien een gewichtig maatschappelijk belang dit rechtvaardigt en hetzelfde doel op geen andere manier kan worden bereikt. (zie punten 2.1.1. en 2.1.5. van de Leidraad)
Voorts is het gebruik van verborgen opname-apparatuur in beginsel niet toelaatbaar. Hiervan kan de journalist alleen afwijken als hem geen andere weg open staat om een ernstige misstand aan het licht te brengen of een zaak van maatschappelijk belang scherper te belichten, mits de werkwijze geen onevenredige inbreuk maakt op de privacy en de veiligheid van betrokkenen. Voordat een redactie besluit tot publicatie of uitzending van de gesprekken en beelden die volgens de voornoemde werkwijzen zijn vergaard, dient zij het belang dat met de openbaarmaking wordt gediend, af te wegen tegen de inbreuk die de publicatie of uitzending maakt op rechten en rechtmatige belangen van betrokkenen. (zie punt 2.1.6. van de Leidraad)
 
De Raad is van oordeel dat het uitgezonden materiaal dat verweerder met de aldus gevolgde werkwijze heeft vergaard, concretiseringen en bijzonderheden ten aanzien van de werkwijze van klaagster bevatten, die aan de uitzending authenticiteit en daarmee een relevante meerwaarde gaven.

De maatschappelijke relevantie van het onderwerp mede in aanmerking genomen, acht de Raad onder deze omstandigheden de handelwijze van verweerder niet ontoelaatbaar.
 
Daarbij komt dat klaagsters naam niet is vermeld, dat haar gezicht onherkenbaar is gemaakt en dat haar stem is vervormd. Dat dat laatste onvoldoende zou zijn gebeurd, waardoor klaagster in de uitzending algemeen herkenbaar zou zijn, acht de Raad niet aannemelijk. Van een ontoelaatbare schending van klaagsters privacy is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Dat klaagster wellicht in kleine kring is herkend, kan daaraan niet afdoen.
 
Verder heeft klaagster nog gesteld dat verweerder gebruik heeft gemaakt van montagetrucs, hetgeen verweerder gemotiveerd heeft betwist. Voor zover het standpunt van klaagster al juist is – hetgeen de Raad niet kan vaststellen – is niet aannemelijk geworden dat in de uitzending een zodanig vertekend beeld van klaagster is geschetst, dat daarmee jegens klaagster journalistiek onzorgvuldig is gehandeld. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat in de uitzending tevens beelden worden getoond waaruit blijkt dat klaagster haar dieren respectvol behandelt, zoals klaagster ook zelf heeft geconstateerd.
 
Bovendien heeft verweerder voorafgaand aan de uitzending wederhoor toegepast. In dat verband overweegt de Raad dat verweerder in eerste instantie klaagster met zijn bevindingen heeft geconfronteerd. Het onvoorbereid met draaiende camera aan een betrokkene vragen om een reactie kan – vanwege het intimiderende karakter ervan – in beginsel niet worden aangemerkt als een serieuze manier tot het bieden van een gelegenheid tot wederhoor. Een dergelijke werkwijze kan de beschuldigde juist weerhouden van het beantwoorden van de op dat moment gestelde vragen en moet terughoudend worden toegepast. (vgl. RvdJ 2010/50)
Uit de uitzending is echter gebleken dat aan de advocaat van klaagster ook nog op een andere, aanvaardbare wijze om een reactie is gevraagd en dat die reactie in de uitzending is verwerkt. Dat verweerder hiertoe eerst is overgegaan na het vonnis van de voorzieningenrechter in Amsterdam, kan daaraan niet afdoen.
 
Naar het oordeel van de Raad heeft verweerder voldoende evenwichtig over (de handelwijze van) klaagster bericht en wordt de kijker voldoende de ruimte geboden de verschafte informatie te wegen. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het verweerder vrijstond een kritische benadering van het onderwerp te kiezen.
 
Gelet op het voorgaande was er voor verweerder geen aanleiding om tot een rectificatie als bedoeld in punt 6.1. van de Leidraad van de Raad over te gaan.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Deze klacht is derhalve ongegrond.
 
Ten overvloede overweegt de Raad dat hij niet de rechtmatigheid van een journalistieke gedraging beoordeelt. Een dergelijke toetsing is voorbehouden aan de rechter.

BEOORDELING VAN DE KLACHT betreffende de uitzending van ‘RTL Boulevard’ van 29 september 2010
 
De Raad stelt voorop dat de (hoofd)redactie van ‘RTL Boulevard’ in eerste instantie verantwoordelijk is voor de gehele inhoud van de uitzending. De klacht is echter niet gericht tegen de (hoofd)redactie van het programma, maar tegen verweerder die in de gewraakte uitzending werd geïnterviewd over zijn geschil met klaagster betreffende de uitzending van ‘Undercover in Nederland’ van 23 mei 2010.
Het voorgaande werpt de vraag op of de klacht betrekking heeft op een ‘journalistieke gedraging’ als bedoeld in artikel 4 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek en de Raad bevoegd is over de klacht te oordelen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Verweerder was nadrukkelijk in zijn rol van programmamaker/journalist – derhalve in de uitoefening van zijn beroep – in de uitzending te gast en gaf in die hoedanigheid een toelichting op zijn eigen programma. Dit brengt mee dat zijn optreden moet worden beschouwd als een ‘handelen van een journalist in de uitoefening van zijn beroep’ en derhalve als ‘journalistieke gedraging’ in de zin van de Statuten. (vgl. RvdJ 2001/39)
 
Naar het oordeel van de Raad laten de uitlatingen van verweerder de kijker geen andere ruimte voor de conclusie dan dat het hof in zijn arrest heeft vastgesteld dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting, dierenleed en misleiding. De beweringen van verweerder ter zake – te weten: ‘het gerechtshof heeft gezegd’ en ‘dat staat heel duidelijk in het vonnis’ – zijn feitelijk onjuist. Uit het arrest blijkt immers dat volgens het hof ‘mogelijk’ sprake is van een ernstige maatschappelijke misstand, dat het gaat om ‘verdenking’ en dat het oordeel van het hof ‘voorshands’ c.q. ‘voorlopig’ is.
Aldus is onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de door het arrest van het hof gedragen feiten en omstandigheden enerzijds en de daarop gebaseerde mening en opinie van verweerder anderzijds. (zie punt 1.4. van de Leidraad)
Verweerder heeft ervoor gekozen om het arrest van het hof in eigen woorden te vatten. Hoewel dit de begrijpelijkheid voor de kijkers ten goede kan komen, dient daarmee zorgvuldig te worden omgegaan, zeker waar het vonnissen betreft die met grote nauwkeurigheid van woordkeuze plegen te worden opgezet. Voorkomen moet worden dat parafrases en citaten van dien aard zijn dat daarmee een andere betekenis c.q. lading aan de feiten wordt gegeven, dan in de gebruikte bronnen. (vgl. RvdJ 2010/52)
 
De Raad overweegt dat verweerder werd geïnterviewd naar aanleiding van door klaagster tegen hem gerichte dwangmiddelen. In zo’n situatie mag de journalist voor zijn belangen opkomen en zelfs zijn woorden enige kracht bijzetten. In de uitzending heeft verweerder echter duidelijk en herhaaldelijk feitelijke onjuistheden verkondigd, terwijl hij de essentie van het arrest van het hof ook correct had kunnen weergeven, zonder dat hij zich daarbij van – voor het grote publiek mogelijk onbegrijpelijk – juridisch jargon had hoeven te bedienen.
 
Dit leidt tot de conclusie dat verweerder de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaard is. Hieraan kan niet afdoen dat de advocaat van klaagster in de uitzending aan het woord is gelaten, nu dit een vooraf opgenomen gesprek betreft, waarin alleen de vraag aan de orde is gesteld of de stem van klaagster in de uitzending van ‘Undercover in Nederland’ al dan niet voldoende vervormd zou zijn.
 
Deze klacht is derhalve gegrond.

BESLISSING
 
De klacht betreffende de uitzending van ‘Undercover in Nederland’ van 23 mei 2010 is ongegrond.
 
De klacht betreffende de uitzending van ‘RTL Boulevard’ van 24 september 2010 is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder:
  • bij voorkeur aan de redactie van ‘RTL Boulevard’ voor te stellen aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending;
  • dan wel aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Undercover in Nederland’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 Aldus vastgesteld door de Raad op 4 maart 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, mw. A.C. Diamand, T.R. Harkema, ir. B.L. Hooghoudt, mw. drs. M.G.N. Mathot, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.