2011/10 ongegrond onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
F. Otten
                                                                                                                            
tegen
 
de hoofdredacteur van ‘Vermist’ (TROS)
 
Bij brief van 11 oktober 2010 met diverse bijlagen heeft F. Otten te Hamont-Achel, België (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van ‘Vermist’ (TROS) (hierna: verweerder). Vervolgens heeft de secretaris van de Raad bij e-mail van 25 oktober 2010 aan klager verzocht zijn klacht te verduidelijken. Hierop heeft klager bij e-mail van 26 oktober 2010 zijn klacht nader toegelicht. Ten slotte heeft klager bij e-mail van 21 november 2010 nog een bijlage overgelegd.
Mw. A. van Tricht, hoofd juridische zaken van de TROS, heeft bij brief van 22 november 2010 aan de Raad bericht dat verweerder niet aan de procedure zal meewerken.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 17 december 2010. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 22 januari 2010 is in een aflevering van het televisieprogramma ‘Vermist’ aandacht besteed aan de ontvoering van een kleinkind van klager.
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Volgens klager wordt momenteel zijn dochter vermist en vindt die vermissing zijn oorzaak in de gewraakte uitzending van 22 januari 2010. Klager stelt dat hij onmiddellijk na afloop van de uitzending daarover in contact is getreden met verweerder. Volgens klager is pas op 10 september 2010 gebleken dat verweerder geen follow-up wenst te maken over de vermissing van zijn dochter. Klager maakt tegen die beslissing bezwaar.
Verder meent klager dat de uitzending van 22 januari 2010 tot stand is gekomen zonder voldoende achtergrondinformatie, zodat ook daarom een vervolguitzending had moeten plaatsvinden. Volgens klager is de redactie misleid door zijn schoonzoon en had de redactie contact moeten opnemen met andere bronnen. Klager stelt dat hierdoor zijn kleinkind is misbruikt ten koste van het programma.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. Wel dient de journalist waarheidsgetrouw te berichten en op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. (zie punten 1.1. en 1.2. van de Leidraad van de Raad)
 
Kern van de klacht is dat verweerder in een vervolguitzending opnieuw aandacht had moeten besteden aan de vermissing van zijn dochter, hetgeen verweerder heeft geweigerd.
De Raad overweegt dat klager niet aannemelijk heeft gemaakt waarom verweerder in een vervolgpublicatie over de betreffende vermissing zou moeten berichten. Het stond verweerder dan ook vrij om het verzoek van klager daartoe af te wijzen.
Dit leidt tot de conclusie dat verweerder op dit punt niet journalistiek onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld.
 
Ten aanzien van de klacht dat de uitzending van 22 januari 2010 is gebaseerd op onvoldoende achtergrondinformatie, zodat ook om die reden een vervolguitzending had moeten plaatsvinden nu de redactie is misleid door klagers schoonzoon, onthoudt de Raad zich op dit punt van een oordeel, omdat klager zijn bezwaren onvoldoende concreet heeft gemaakt.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond voor zover deze is gericht tegen de weigering van verweerder om in een vervolguitzending aandacht te besteden aan de vermissing van klagers dochter. Voor het overige onthoudt de Raad zich van een oordeel.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 10 februari 2011 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, H. Blanken, mr. B. Geersing, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, adjunct-secretaris.