2011/1 deels gegrond

Bij brief van 28 september 2010 met 5 bijlagen heeft mr. M.N. Mense, advocaat te Haarlem, namens Beelen Investments B.V. en S.W.M. Beelen te Haarlem (hierna: klagers) een klacht ingediend tegen G. Molenaar en de hoofdredacteur van DeGids.fm (VARA) (hierna: verweerders). Klagers hebben hun klacht verder aangevuld bij brief van 11 oktober 2010 met een bijlage. Mw. mr. B. den Ouden, bedrijfsjurist van de VARA, heeft namens verweerders op de klacht geantwoord in een brief van 27 oktober 2010 met een bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 19 november 2010. Namens klagers zijn daar voornoemde mr. Mense en Beelen verschenen, die nog enkele stukken hebben overgelegd. Van de zijde van verweerders waren voornoemde mr. Den Ouden en Molenaar aanwezig.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een opname van de gewraakte uitzending beluisterd.
 
DE FEITEN
 
Op 14 september 2010 is in het radioprogramma DeGids.fm aandacht besteed aan het doorverkopen van woningen van woningcorporatie Ymere aan handelaren. Het item wordt door de presentator ingeleid als volgt:
“Volgens de wet mag het wel, maar zelf vindt woningcorporatie Ymere uit Haarlem dat het niet kan: het doorverkopen van huurwoningen aan handelaren. Zij willen niet meedoen aan prijsopdrijving. Dat is mooi van ze.
Toch kwam onlangs een huurwoning in Haarlem, door Ymere geschat op 140.000 euro, voor 145.000 in handen van een handelaar. En die verkocht het snel en voor meer geld door. Dezelfde handelaar pochte in het Haarlems Dagblad dat hij zelfs hele huizenblokken van de corporatie opkoopt.”
Hierna wordt verslag gedaan van de lastige telefonische bereikbaarheid van de woordvoerder van Ymere. Vervolgens volgt een gesprek tussen Molenaar en die woordvoerder:
Molenaar: “De belangrijkste vraag is eigenlijk waarom is dit pand verkocht aan een handelaar en is het niet voor particulieren gewoon op de markt gebracht?”
Ymere: “Dat is één incident. Wij hebben een taxatierapport laten maken om het inderdaad op de markt te zetten en een belegger liep langs en had interesse en bood iets boven de taxatieprijs en uiteindelijk is dit zo weggegaan. En op zich is het wettelijk ook wel toegestaan, maar goed, het is gewoon totaal ons beleid niet.”
Molenaar: “En nou zegt u: dan komt er een belegger langs lopen. Hoe moet ik mij dat voorstellen?”
Ymere: “Toeval dat er op dat moment iemand langskwam en vandaar dat hij dus de woning heeft gekregen.”
Molenaar: “En dat is dan de, ja de pandjesbaas of de belegger of de makelaar Beelen.”
Ymere: “Ja, dat is makelaar Beelen.”
Molenaar: “Ja, hij noemt zich makelaar, maar hij is geloof ik geen makelaar.”

Ymere: “Dat is investeerder Beelen. Hij heeft inderdaad wel een hele andere doelstelling dan Ymere dat heeft. Wij hoeven geen winst te maken op dat pand en hij heeft het cosmetisch opgeknapt en heeft het inderdaad voor een hoger bedrag verkocht, maar dat was ons doel niet.”
Molenaar: “Dan komt het bij een makelaar. Dan wordt het aangeboden als een heel fraai pand. Nou ja, ik ben er omheen gelopen. Het is tuurlijk gewoon een krot.”
Ymere: “Ja, maar dat is natuurlijk iets wat waar ik geen antwoord op kan geven.(…)”
Molenaar: “Ik lees u even voor uit de brochure: ‘Fraaie woning uit 1899, van de buitenzijde in goede staat.’”
Ymere: “Van buiten had het ook gewoon aangepakt moeten worden. Dat was ook al niet voldoende veilig.”
Molenaar: “Maar goed, jullie zitten in een rare positie. Enerzijds denk ik heb je geen verantwoordelijkheid meer voor want je hebt het doorverkocht. Anderzijds ja, heb je geen morele verantwoordelijkheid? Je weet wat handelaren doen? Of pandjesbazen of hoe je ze ook noemen wilt. Die willen zo snel mogelijk, zo veel mogelijk geld verdienen.”
Ymere: “Ja maar goed, wij zijn er natuurlijk niet voor dat mensen dan panden gaan aanbieden als iets veiligs en niet in goede staat, als het niet zo is.”
En even later:
Molenaar: “U bent niet louche, u bent geen oplichter.”
Ymere: “Nee, zeker niet.”
Molenaar: “Maar op het moment dat je zo’n pand verkoopt aan een pandjesbaas of een belegger of een makelaar. Hoe hij zich ook verder noemt, hij is een handelaar, dan weet je toch wat er gaat gebeuren?”
Ymere: “Ik snap uw vraag. Ja nee, dat is geen nieuws inderdaad nee, maar gewoon dat het nou op zo’n ja bijna onveilige manier dat hij zegt dat iets in goede staat is dat niet het geval is.”
Molenaar: “Meneer Beelen vertelt ook dat hij af en toe hele blokken van u opkoopt.”
Ymere: “Dat is absoluut niet waar.”
Molenaar: “Dat liegt hij?”
Ymere: “Dat liegt hij, ja.”
Molenaar: “Dat zegt ook iets over die meneer hè.”
Ymere: “Dat, ja.”
Het item wordt afgesloten als volgt:
Molenaar: “Dit is niet voor herhaling vatbaar?”
Ymere: “Dit is zeker niet voor herhaling vatbaar.”
Presentator: “En laat het ook niet gebeuren, want Bert Molenaar is op zijn post.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers stellen dat zij in de uitzending meermaals onmiskenbaar in negatieve zin zijn genoemd en dat verweerders ten onrechte geen wederhoor hebben toegepast. De omstandigheid dat zij slechts ter illustratie zouden zijn genoemd, doet daaraan niet af.
Volgens klagers wordt in de uitzending een onnodig negatief beeld van hen geschetst. In dat verband wijzen zij onder meer op het onjuiste, tendentieuze gebruik van de term ‘pandjesbaas’. Bovendien heeft Molenaar suggestieve vragen aan Ymere gesteld, zoals “U bent niet louche, u bent geen oplichter?”, waarmee wordt gesuggereerd dat klagers wél oplichters zijn. Volgens klagers moeten dergelijke vragen worden gezien in de context van het interview, waarbij tevens moet worden gekeken naar opmerkingen van Molenaar als “Dat liegt hij” en “Dat zegt ook iets over die meneer hè”. Het schetsen van een negatief beeld van klagers was gezien het doel van het interview onnodig.

Daarnaast wordt aan de orde gesteld dat klagers hele huizenblokken van Ymere zouden hebben opgekocht, waarbij wordt verwezen naar uitlatingen van klagers in een artikel in het Haarlems Dagblad. Verweerders hebben die uitlatingen aan Ymere voorgelegd zonder zich te vergewissen of deze daadwerkelijk door klagers zijn gedaan. Verweerders hadden de uitspraken van klagers in het Haarlems Dagblad niet als onbetwiste feiten mogen melden. Het feit dat klagers ter zake geen rectificatie aan de krant hebben gevraagd, doet daaraan niet af. Daarbij komt dat in het artikel in het Haarlems Dagblad tevens de koper van de doorverkochte woning aan het woord kwam, die in conflict is met klagers. Daardoor was volgens klagers in casu bijzondere zorgvuldigheid van verweerders vereist om de uitspraken te verifiëren op juistheid.
Klagers menen dat verweerders onvoldoende hebben gedaan om hen te vinden voor weerwoord, door slechts gebruik te maken van de internetzoekmachine Google. Volgens klagers had het voor de hand gelegen dat verweerders gebruik hadden gemaakt van het Handelsregister om hun adresgegevens te zoeken. Klagers wijzen erop dat een journalist van het Haarlems Dagblad eerder contact met hen heeft opgenomen over deze kwestie en zij dus niet onvindbaar zijn.
Ter zitting benadrukken klagers dat zij ten gevolge van de uitzending schade hebben geleden. Zo heeft hun bank reeds vragen gesteld naar aanleiding van de berichtgeving, aldus klagers. Verder wijzen klagers erop dat Molenaar tegenover de aankoopmakelaar woont en daar voorafgaand aan de uitzending eenvoudig had kunnen informeren naar de feiten. Volgens klagers wordt in de uitzending ten onrechte gesuggereerd dat zij de koper van de woning hebben misleid. Klagers hebben de woning verkocht als oude woning, hetgeen ook blijkt uit de verkoopdocumenten, waarin alle informatie over het pand en clausules over asbest zijn opgenomen. Ter zitting wijzen klagers er verder op dat het pand voor 170.000 euro is verkocht, terwijl de koper een hypotheek van 243.000 euro heeft afgesloten. Dat wijst erop dat de koper – die overigens bouwkundige is – zich ervan bewust was, dat het pand aanzienlijk moest worden opgeknapt.
Volgens klagers had het item derhalve beperkt moeten worden tot de vraag waarom het huis door Ymere is doorverkocht aan een handelaar. Zij menen dat er ten onrechte is ingegaan op de handelspraktijken van klagers en de staat van het huis. Klagers wijzen er ten overvloede op dat verweerders in het gewraakte item gebruik hebben gemaakt van verborgen opnameapparatuur. Volgens hen heeft de journalist in het gesprek met Ymere niet aangegeven dat het gesprek opgenomen of uitgezonden zou worden.
Ten slotte stellen klagers dat Molenaar openheid had moeten geven betreffende de omstandigheid dat hij familie is van de koper van het huis. De omstandigheid dat de familieverhouding getroebleerd is, doet volgens klagers daarbij niet ter zake.
 
Verweerders stellen voorop dat er grote problemen bestaan op de Nederlandse woningmarkt. Zo doen zich bij woningbouwcorporaties regelmatig ernstige misstanden voor. Volgens verweerders ligt er een taak voor de journalist om dit soort misstanden en wanbeleid op te sporen.
Molenaar maakte zijn item naar aanleiding van het artikel in het Haarlems Dagblad, waarin melding werd gedaan van de handelwijze van klagers, te weten dat zij woningen van woningbouwcorporatie Ymere hebben doorverkocht tegen hoge winsten. Volgens verweerders is dit een schending van het protocol van Ymere, die – als organisatie die is opgericht met gemeenschapsgeld – de maatschappelijke plicht heeft woningen bij verkoop aan te bieden aan particulieren, vaak starters, tegen een redelijke prijs.
In het kader van zijn onderzoek heeft Molenaar telefonisch contact gezocht met Ymere, aangezien dit de ‘beschuldigde’ partij was: het beleid van deze organisatie stond immers ter discussie. Ymere wist dat het interview voor een radio-uitzending gebruikt zou worden en heeft ook geen bezwaar gemaakt tegen de uitzending c.q. het interview. De reden dat Ymere aan klagers heeft bericht niets van de opnamen te weten, ligt aan een intern misverstand.

Verweerders bestrijden dat klagers in de gelegenheid gesteld hadden moeten worden om in de uitzending op de beschuldigingen te reageren. Volgens verweerders deden zij in de uitzending geen verslag over de handelwijze van klagers of de gebreken aan de woning. Wanneer dat wel het geval was geweest, dan was het onderwerp anders aangesneden. De uitzending betrof de handelwijze van Ymere, aldus verweerders. Zij wilden slechts nagaan of klagers vaker zaken deden met Ymere, hetgeen klagers in het Haarlems Dagblad hebben gemeld. Dat blijkt ook onmiskenbaar uit de opening en afsluiting van het item door de presentator.
Verweerders erkennen dat klagers en de perikelen rondom de door hen doorverkochte woning in negatieve zin worden opgevoerd. Anders dan wat klagers beweren, is dit slechts aan bod gekomen om aan te tonen wat de ongewenste gevolgen kunnen zijn van de verkoop van voormalige huurwoningen aan handelaren. Ter zitting delen verweerders mee dat klagers er wellicht gekleurd op staan, maar dat de handelwijze van klagers niet in de uitzending ter discussie staat. Verweerders betwisten dat zij de uitlatingen over en weer extra zorgvuldig dienden te behandelen, nu klagers en Ymere niet met elkaar in conflict zijn.
Hoewel dit volgens verweerders niet strikt noodzakelijk was, heeft Molenaar getracht om voor de uitzending met klagers in contact te komen. In de diverse gidsen en op internet kon Molenaar geen telefoonnummer of e-mailadres van klagers vinden, maar slechts een adres. Daarom heeft Molenaar een briefje achtergelaten op dit adres met het verzoek contact met hem op te nemen. Ter zitting wijzen verweerders erop dat ten tijde van hun onderzoek op de website van klagers slechts een melding ‘under construction’ stond. Zij menen dat het Handelsregister in dit geval geen logische plek was om te zoeken. Verweerders stellen ter zitting dat klagers onvoldoende hebben gedaan om zichzelf vindbaar te maken. Voor zover de klacht erop ziet dat Molenaar zich onvoldoende heeft ingespannen om klager te traceren, menen verweerders dat Molenaar geen enkele reden had om aan te nemen dat klagers geen kantoor meer hielden aan het adres waar hij het briefje bezorgde. Dat een opvraagbaar telefoonnummer bij dit adres ontbrak, behoefde bij Molenaar geen argwaan te wekken, aldus verweerders. Zeker in de onroerend goedhandel wordt vaak louter gebeld met mobiele telefoons, hetgeen kennelijk ook geldt voor de onderneming van klagers.
Verweerders bestrijden de bezwaren van klagers voor zover deze betrekking hebben op de berichtgeving omtrent het opkopen van hele huizenblokken van Ymere. Verweerders stellen dat zij niet dienden te controleren of de uitspraken van klagers in het Haarlems Dagblad ter zake klopten. Beelen deed die uitspraak namelijk in een serieuze krant in de aanwezigheid van zijn advocaat. Daarnaast hadden klagers geen enkel belang bij het liegen over hun handel met Ymere tegenover het Haarlems Dagblad, aldus verweerders. Verweerders merken op dat in een later stadium klagers tegenover hen herhaalden dat zij een aantal contracten hebben, waaruit blijkt dat zij veel van Ymere kopen.
Voor zover de klacht zich richt tegen de overige negatieve beeldvorming omtrent klagers, benadrukken verweerders dat zij geen onzorgvuldige uitspraken over klagers in de mond hebben genomen. Verweerders verwijten klagers in de uitzending niet dat zij de woning hebben kunnen kopen. Zij verwijten Ymere dat zij klagers de kans geboden heeft de woning te kopen. Dit wordt de luisteraar voldoende duidelijk gemaakt.
Molenaar heeft zich in het item niet schuldig gemaakt aan het bezigen van onjuiste, diffamerende kwalificaties van klagers. Molenaar streefde naar een juiste weergave van de feiten, waarbij hij onder meer vooraf bij het Kadaster heeft gecontroleerd of de door Beelen behaalde winst klopte. De bewering dat Beelen liegt, komt voor rekening van Ymere. Ymere stelt immers vast dat klagers niet de waarheid spreken over de omvang van hun handel. Verder menen verweerders dat in het interview geen sprake is van een klemtoon, waardoor wordt gesuggereerd dat klagers oplichters zouden zijn. Verweerders menen dat de term ‘pandjesbaas’ past bij de werkzaamheden van klagers, nu zij zich bezig houden met onroerend goedhandel in de breedste zin. Ook de benaming ‘krot’ is niet diffamerend, nu klagers deze term zelf in het eerdere interview met het Haarlems Dagblad gebruikten.

Voor zover klagers hebben aangevoerd dat Molenaar misbruik heeft gemaakt van zijn positie, stellen verweerders dat geen sprake is van belangenverstrengeling. Molenaar had al 24 jaar geen enkel contact met de desbetreffende, inmiddels 26-jarige neef en evenmin met diens moeder, de zus van Molenaar. Hij heeft met hen ook voor of in verband met de uitzending geen contact gezocht, en ook daarna niet. Nadat Molenaar begreep dat het een woning betrof van zijn neef, heeft hij dit zorgvuldigheidshalve aan zijn eindredacteur gemeld. Verweerders stellen dat de redactie niet van de behandeling van het onderwerp behoefde af te zien alleen vanwege de toevallige relatie tussen de verslaggever en de koper van het huis. Verweerders erkennen dat het handiger was geweest als Molenaar direct had meegedeeld dat de koper van de woning een neef van hem is. Op de ter zitting gestelde vraag waarom Molenaar – vanwege de familiebanden – het item niet heeft laten maken door een collega, antwoordt hij dat dat niet nodig was omdat hij al jaren geen contact heeft met zijn neef en diens familie. Het inschakelen van een collega was niet elegant geweest, terwijl nu sprake is van open en fair play.
Ten slotte delen verweerders mee dat zij klagers hebben uitgenodigd voor een vervolguitzending en dat die uitnodiging nog steeds staat.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bevat de volgende onderdelen:
  1. er is een onnodig negatief beeld van klagers geschetst waarbij ten onrechte geen wederhoor is toegepast;
  2. er is geen openheid van zaken gegeven omtrent de familieverhouding tussen de journalist en de koper van het huis.
Ad 1.
Verweerders hebben aangevoerd dat zij de handelwijze van Ymere aan de orde hebben willen stellen en met name de vraag of Ymere in strijd heeft gehandeld met haar maatschappelijke plicht om woningen bij verkoop aan te bieden aan particulieren – vaak starters – tegen een redelijke prijs, door deze door te verkopen aan handelaren. In dat verband is een specifieke zaak besproken, waarbij klagers als handelaren zijn betrokken.
 
De Raad overweegt dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar (vermeend) onoorbaar handelen door Ymere en in het verlengde daarvan naar de handelwijze van klagers. Het is immers een taak van de journalistiek om misstanden aan de kaak te stellen. Verweerders hebben aannemelijk gemaakt dat zij voldoende reden hadden om aan deze kwestie aandacht te besteden.
 
Dat neemt echter niet weg dat een journalist bij zijn onderzoek zorgvuldig te werk moet gaan. Bij het publiceren van beschuldigingen dient hij te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punten 2.2.5. en 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
 
Daarbij komt dat de journalist die in een ander medium geuite beschuldigingen, negatieve kwalificaties en beweringen aan iemands adres overneemt, dan wel deze beweringen put uit artikelen of opnamen uit het archief, dient zich te houden aan de zorgvuldigheidseisen die gelden bij het publiceren van beschuldigingen.

Hij mag er niet van uit gaan dat de eerder gepubliceerde uitspraken het karakter van onbetwiste feiten hebben aangenomen doordat zij niet zijn weersproken. (zie punt 2.3.2. van de Leidraad)
 
Niet in geschil is dat klagers in de uitzending in negatieve zin worden opgevoerd. Behalve dat de handelwijze van Ymere wordt bekritiseerd, wordt tevens ernstige kritiek geleverd op het handelen van klagers betreffende de doorverkoop van een specifiek pand, terwijl tevens wordt vermeld dat klagers hele huizenblokken van de corporatie zouden opkopen. Naar het oordeel van de Raad laat de uitzending de gemiddelde luisteraar weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat de handelwijze van klagers niet deugt. Aldus is sprake van een zodanige diskwalificatie van klagers dat verweerders deze niet zonder deugdelijke grondslag en behoorlijke toepassing van wederhoor hadden mogen publiceren.
 
Klagers hebben de aantijgingen aan hun adres gemotiveerd betwist, terwijl verweerders niet aannemelijk hebben gemaakt dat voor het geschetste negatieve beeld over klagers voldoende grondslag aanwezig is.
 
De vraag is verder of verweerders voldoende moeite hebben genomen om in contact te treden met klagers ten einde voorafgaand aan de uitzending wederhoor toe te passen. Het feit dat verweerders hebben gezocht op Google en vervolgens een brief hebben achtergelaten op een niet-geverifieerd adres, acht de Raad onvoldoende. Verweerders hadden bij het uitblijven van een reactie van klagers eenvoudigweg het Handelsregister kunnen raadplegen of aan de aankoopmakelaar kunnen vragen waar klagers te bereiken zijn. Bovendien blijkt uit de stukken dat Molenaar de dag ná de uitzending klagers per e-mail heeft benaderd. Niet valt in te zien, waarom hij dat niet vóór de uitzending heeft kunnen doen. Aldus dient aan verweerders te worden toegerekend, dat niet voorafgaand aan de uitzending wederhoor bij klagers is toegepast.
 
De Raad komt dan ook tot de conclusie dat verweerders, door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld, grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
Ad 2.
De Raad stelt voorop dat een journalist geen misbruik maakt van zijn positie, zijn werk in onafhankelijkheid verricht en (de schijn van) belangenverstrengeling vermijdt. (zie punt 1.5. van de Leidraad)
 
Verweerders hebben gemotiveerd aangevoerd dat al geruime tijd geen sprake is geweest van feitelijk contact tussen Molenaar en diens neef, de koper van het huis. Daarnaast heeft de journalist de familierelatie direct gemeld aan zijn eindredacteur. De Raad heeft er begrip voor dat verweerders ervoor hebben gekozen Molenaar te laten meewerken aan de totstandkoming van het item. Gezien de omstandigheden acht de Raad het aannemelijk dat geen sprake is van belangenverstrengeling.
 
In beginsel zijn verweerders ook gehouden de schijn van belangenverstrengeling te vermijden. Betrokkenen en het publiek moeten immers in staat zijn de werkwijze van een journalist c.q. de daaruit voortvloeiende publicatie op de juiste waarde te schatten.
Verweerders hebben echter voldoende aannemelijk gemaakt dat – vanwege de hiervoor geschetste omstandigheden – in deze zaak in redelijkheid niet kan worden gesproken van zelfs maar de schijn van belangenverstrengeling, maar slechts van een toevalligheid dat het bedoelde familielid iets van doen had met de in de publicatie aan de orde gestelde onroerend goedtransactie. Niet is gebleken dat die toevalligheid in deze zaak relevant was en ertoe heeft bijgedragen dat een (onnodig) negatief beeld van klagers is geschetst. Op dit punt is de klacht derhalve ongegrond.
 
BESLISSING
 
Voor zover de klacht erop ziet dat in de uitzending een onnodig negatief beeld van klagers is geschetst waarbij ten onrechte geen wederhoor is toegepast, is deze gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van DeGids.fm en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op hun website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 14 januari 2011 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, mw. drs. R.T. Kervezee, mw. E.J.M. Lamers en mw. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, adjunct-secretaris.