2010/8 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
mr. M.F. Le Coultre
 
tegen
 
B.J. Klein, P. Schat en de hoofdredacteur van De Gooi- en Eemlander
 
Bij brief van 2 november 2009 met vier bijlagen heeft mr. M.F. Le Coultre te Laren (hierna: klager) een klacht ingediend tegen B.J. Klein, P. Schat en de hoofdredacteur van De Gooi- en Eemlander (hierna: verweerders). Hierop heeft J.G.C. Majoor, hoofdredacteur HDC Media, geantwoord in een brief van 25 november 2009 met vijf bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 december 2009. Klager is daar verschenen en heeft nog vijf bijlagen overgelegd. Aan de zijde van verweerders waren voornoemde Klein, G. ten Dam, hoofdredacteur, en mw. A.G. van Doorn, directiesecretaris, aanwezig.
 
Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. Partijen hebben desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en overige leden.
 
DE FEITEN
 
Op 7 mei 2009 is in De Gooi- en Eemlander een artikel verschenen van de hand van Klein onder de kop “Le Coultre dreigt opnieuw achter het net te vissen” met het chapeau “In langlopend geschil over kappen van bomen op zijn perceel (…)”. De publicatie gaat over een bestuursrechtelijke procedure tussen klager en de gemeente Laren over het bestemmingsplan van het perceel van klager. Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
“Le Coultre en de gemeente Laren hebben al jaren een geschil over (…). In het geldende bestemmingsplan is het perceel van ruim een hectare verdeeld in een gedeelte tuin en een gedeelte bos en houtopstand. Le Coultre wil graag die laatste bestemming veranderd zien, zodat hij het bos voor andere doeleinden kan gebruiken.
Hij liet in januari 2000 een gedeelte van het bos kappen, nadat een vergunning daarvoor was geweigerd. De kwestie leidde tot een langdurig bestuurlijk geschil dat doorliep tot aan de Raad van State. Die bepaalde dat de Laarder illegaal had gehandeld. De in het gekapte gedeelte aangelegde tuin is er echter nog steeds. De gemeente Laren heeft Le Coultre een boete van 100.000 euro in het vooruitzicht gesteld als hij de tuin gaat onderhouden.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager maakt allereerst bezwaar tegen het feit dat zijn naam is vermeld in combinatie met de berichtgeving dat hij een (gedeelte van een) bos zou hebben laten kappen en daar een tuin hebben laten aanleggen. Verder stelt hij dat verweerders ten onrechte niet voorafgaand contact met hem hebben opgenomen teneinde zijn commentaar te vernemen, ondanks dat zijn advocaat daarom uitdrukkelijk heeft verzocht.
Volgens klager weten verweerders uit eigen jarenlange verslaggeving dat hij in de strafzaak die op de vermeende illegale kap is gevolgd, nooit als verdachte is aangemerkt. Bovendien konden verweerders weten dat zijn toenmalige echtgenote, die destijds wel als verdachte is aangemerkt, uiteindelijk niet is veroordeeld. Verder is het perceel altijd een tuin geweest en heeft klager dus nooit een tuin aangelegd. Daarover lopen nog verschillende procedures. Het had op de weg van verweerders gelegen zich juist te informeren over de status van die rechtszaken alvorens het vermeende aanleggen van een tuin als feit te publiceren, aldus klager.
Ter zitting heeft hij hieraan nog toegevoegd dat sprake is van ongenuanceerde berichtgeving, nu in de publicatie slechts één kant van het verhaal, dat van de gemeente, is belicht.
 
Verweerders stellen dat het artikel is gebaseerd op een raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van de gemeente Laren (hierna: B&W), inhoudende het advies aan de gemeenteraad in te stemmen met het besluit tot afwijzing van het verzoek van klager tot het opstellen van een bestemmingsplan voor zijn perceel.
Zij verwijzen verder naar het besluit van B&W van 4 februari 2000 om klager een herplantplicht van 160 bomen op te leggen. Die herplantplicht is bevestigd door de Raad van State bij beschikking van 31 juli 2002. Verweerders merken op dat in het geldende bestemmingsplan het perceel van klager is verdeeld in een gedeelte tuin en een gedeelte bos en houtopstand. B&W hebben gesteld dat zonder toestemming en vergunning kappen van bomen in het laatstgenoemde gedeelte heeft plaatsgevonden. Door het kappen van bomen in het gedeelte bos en houtopstand is de facto een tuin ontstaan dan wel aangelegd. Het bestaan van deze tuin wordt bevestigd in een besluit van B&W van 3 februari 2009, waarbij klager op straffe van een dwangsom is verboden zijn (nieuwe) tuin te onderhouden.
Verder stellen verweerders dat het artikel zich volledig richt op het bestuursrechtelijke traject van de zaak, waarbij alleen de hoofdpunten van de kwestie worden belicht. De strafrechtelijke procedure komt in het artikel geheel niet aan de orde. De interpretatie daarvan komt voor rekening van klager, aldus verweerders.
Zij menen dat geen aanleiding bestond om hoor en wederhoor toe te passen, nu het artikel slechts een weergave behelst van de voorbereiding en besluitvorming door B&W. Tijdens deze voorbereiding heeft klager, zoals blijkt uit het raadsvoorstel, de gelegenheid gehad zijn visie weer te geven.
Ten slotte merken verweerders op dat zij sinds 2001 44 publicaties aan deze zaak hebben gewijd. Daaronder waren 42 redactionele artikelen, waarbij in 26 artikelen klager direct aan het woord is gelaten en in de overige gevallen openbare stukken dan wel uitspraken zijn weergegeven.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat sprake is van ongenuanceerde berichtgeving, waarbij klager ten onrechte is beschuldigd van ‘bomenkap’, en dat verweerders ten onrechte hebben nagelaten wederhoor toe te passen.
 
De Raad overweegt dat de gewraakte publicatie een weergave behelst van een bestuursrechtelijk geschil tussen klager en de gemeente betreffende de inrichting van zijn perceel. Nergens in de publicatie wordt gerefereerd aan een strafrechtelijke aangelegenheid.
 
Het artikel bevat vrijwel alleen gegevens uit besluiten van de gemeente Laren en een uitspraak van de Raad van State. Uit de door verweerders overgelegde stukken blijkt dat klager op 4 februari 2000 door de gemeente is aangeschreven wegens het feit dat in opdracht van klager een groot aantal bomen is gekapt terwijl klager niet beschikte over een kapvergunning, en dat klager daarom een herplantplicht is opgelegd. Bij uitspraak van 31 juli 2002 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uiteindelijk geoordeeld dat “geen grond (bestaat) voor het oordeel dat de onderhavige herplantplicht op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of dat burgemeester en wethouders daartoe niet in redelijkheid hebben kunnen beslissen”
 
Verweerders mochten van de juistheid van die gegevens uitgaan en behoefden klager geen gelegenheid te bieden tot wederhoor. Het beginsel van wederhoor geldt immers niet voor berichtgeving van feitelijke aard, terwijl niet is gebleken dat de gewraakte publicatie klagers belang zodanig raakt dat wederhoor niettemin was geboden. (zie punt 2.3.4. van de Leidraad van de Raad)
 
De omstandigheid dat in het artikel de volledige naam van klager is vermeld maakt het voorgaande niet anders. Immers, in het algemeen bestaat geen bezwaar tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen in verslagen van een civielrechtelijke of bestuursrechtelijke procedure. Van een dermate zwaarwegend belang aan de zijde van klager waardoor van dit uitgangspunt had moeten worden afgeweken, is niet gebleken. (zie punt 2.4.8. van de Leidraad en vgl. onder meer RvdJ 2009/68)
 
De Raad overweegt ten slotte dat het verweerders vrij stond om zich tot een globale weergave van de hiervoor bedoelde stukken te beperken. Hoewel de publicatie aldus summier van aard is, maakt het achterwege laten van door klager relevant geachte informatie – hij had in het artikel een nuancering over de zaak en de aanhangige procedures willen terugzien – niet dat daarmee grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. RvdJ 2009/61)
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Gooi- en Eemlander te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 2 februari 2010 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. drs. J.X. Nabibaks, M. Ülgeren mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.