2010/6 niet-ontvankelijk ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
H.J. Schröeder, C. Schröeder en N. Schröeder
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger
 
Bij brief van 24 september 2009 met drie bijlagen heeft H.J. Schröeder te Venlo een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger (hierna: verweerder). Vervolgens heeft de secretaris van de Raad H.J. Schröeder bij brief van 1 oktober 2009 verzocht de klacht te verduidelijken en nader te motiveren wat zijn rechtstreeks belang is bij een oordeel van de Raad. Daarop heeft H.J. Schröeder mede namens C. Schröeder en N. Schröeder (hierna gezamenlijk: klagers) de klacht nader toegelicht bij brieven van 11 en 28 oktober 2009 met een bijlage. H. Paulissen, hoofdredacteur, heeft op de klacht geantwoord in een brief van 16 november 2009. Daarna hebben klagers bij brief van 20 november 2009 nog twee bijlagen overgelegd. Ten slotte heeft verweerder daarop gereageerd in een schrijven van 30 november 2009.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 december 2009 in aanwezigheid van H.J. Schröeder. Verweerder is daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 29 juli 2009 is in Dagblad De Limburger een artikel verschenen onder de kop “Op naar de Rechter”. De intro van het artikel luidt:
“Toegankelijk en laagdrempelig. Dat is de bedoeling van de nieuwe wet die het makkelijker maakt om naar de kantonrechter te stappen. Maar is het wel zo verstandig zonder advocaat je recht te gaan halen?”
De publicatie gaat over het wetsvoorstel dat op initiatief van de minister van Justitie bij de Tweede Kamer is ingediend over de bevoegdheidsuitbreiding van de kantonrechter, met de bedoeling de rechtspraak voor de burger toegankelijker te maken.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers stellen dat het artikel de lezers op het verkeerde been zet, nu de toegang tot de rechter niet toegankelijker is geworden. Klagers begrijpen niet dat een eenvoudig en goedkoop systeem is veranderd. Nu kan een zaak kennelijk alleen via de deurwaarder bij de kantonrechter worden aangebracht, terwijl dat eerst niet het geval was. De kosten van de deurwaarder maken de toegang tot de rechter juist duurder. Bovendien was het ook vóór het wetsvoorstel mogelijk om zonder advocaat bij de kantonrechter te procederen. Naar het oordeel van klagers is de berichtgeving onjuist en onvolledig.
Ter zake van de ontvankelijkheid heeft H.J. Schröeder ter zitting verklaard dat zijn dochters – en medeklagers – werken in de zorg en daarbij adviseren over juridische procedures. Zij zouden op hun werk op negatieve wijze met de onvolledigheid van het artikel kunnen worden geconfronteerd. Klagers menen dat zij een rechtstreeks belang hebben bij een oordeel van de Raad.
Verder stellen klagers dat zij met een brief aan de (lezers)redactie van 13 augustus 2009 een correctie op het artikel hebben beoogd te geven en dat verweerder niet adequaat op die brief heeft gereageerd.
 
Verweerder stelt dat de brief van H.J. Schröeder van 13 augustus 2009 door de lezersredactie is beoordeeld als ingezonden brief. Verweerder merkt op dat de redactie vrij is in het al dan niet plaatsen van ingezonden brieven. De brief betrof niet zozeer een inhoudelijke reactie, als wel een aanvullende vraag.
Naar aanleiding van de brief heeft een medewerker van de lezersredactie telefonisch contact gezocht met H.J. Schröeder. In dat gesprek is medegedeeld dat de betreffende ingezonden brief niet voor plaatsing in de krant in aanmerking kwam, maar wellicht een journalistieke follow-up waard zou kunnen zijn, afhankelijk van de beoordeling daarvan door de schrijvers van het artikel. Aangezien het artikel afkomstig was van de GPD, is de brief vervolgens doorgezonden aan de GPD.
Verweerder meent dat hij aldus voldoende adequaat heeft gereageerd. Een en ander is nog eens bevestigd in een brief van 22 oktober 2009. Overigens is aan klagers excuses aangeboden dat de briefwisseling over zoveel schijven heeft moeten gaan.
 
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID voor zover de klacht is gericht tegen de publicatie van 29 juli 2009
 
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek, moet een klaagschrift worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt.
 
Klagers hebben aangevoerd dat zij een rechtstreeks belang hebben bij een oordeel van de Raad omdat een aantal van hen zich bezighoudt met juridische advisering. Anders dan klagers menen, maakt dit hen niet tot rechtstreeks belanghebbende in de zin als hiervoor is bedoeld. De klacht is van een dermate algemeen karakter dat niet kan worden gezegd dat deze betrekking heeft op een direct betrokken belang van klagers. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat het belang van klagers direct betrokken is bij de handelwijze van verweerder en zij door die handelwijze persoonlijk in hun belang zijn geraakt. Klagers zijn derhalve niet-ontvankelijk in dit onderdeel van de klacht. (vgl. onder meer: RvdJ 2009/22)
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT voor zover deze betrekking heeft op de ingezonden reactie van klagers
 
De Raad stelt voorop dat het de redactie vrijstaat ingezonden brieven en andere reacties van een naschrift te voorzien of niet te plaatsen, tenzij plaatsing geboden is vanwege bijzondere omstandigheden. (zie punt 5.2. van de Leidraad van de Raad) Van dergelijke omstandigheden is echter niet gebleken.
Verweerder was niet gehouden de ingezonden brief te plaatsen en behoefde daarop ook niet te reageren. Niettemin heeft verweerder contact met H.J. Schröeder opgenomen en diens brief doorgestuurd aan de GPD. Van journalistiek onzorgvuldig handelen jegens klagers is dan ook geen sprake. Dit onderdeel van de klacht is derhalve ongegrond.

BESLISSING
 
Klagers zijn in hun klacht niet-ontvankelijk voor zover deze is gericht tegen de publicatie van 29 juli 2009. Voor zover de klacht betrekking heeft op de ingezonden brief van H.J. Schröeder is deze ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad De Limburger te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 2 februari 2010 door mr. A. Herstel, voorzitter, mr. T.E. Klein, mw. drs. J.X. Nabibaks, M. Ülgeren mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.