2010/56 afgewezen

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het verzoek van
 
Stichting Slachtoffers Iatrogene Nalatigheid-Nederland (SIN-NL)
 
tot herziening van de uitspraak van de Raad van 14 juni 2010 (RvdJ 2010/24) betreffende haar klacht tegen
 
R. Steenhorst en de hoofdredacteur van De Telegraaf
 
Bij e-mail van 7 juli 2010 heeft mw. mr. S. Hankes, voorzitter, namens de Stichting Slachtoffers Iatrogene Nalatigheid-Nederland (SIN-NL) te Utrecht (hierna: verzoekster) de Raad verzocht om herziening van zijn uitspraak van 14 juni 2010 inzake de klacht van verzoekster tegen R. Steenhorst en de hoofdredacteur van De Telegraaf. Bij brief van 20 juli 2010 heeft verzoekster de gronden van haar verzoek aangevuld. Verweerders hebben niet op het verzoek gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 oktober 2010, in een herzieningskamer bijeen, buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Bij brief van 22 februari 2010 met drie bijlagen heeft verzoekster een klacht ingediend tegen R. Steenhorst en de hoofdredacteur van De Telegraaf betreffende een publicatie van 12 januari 2010 met de kop “Artsen aan de schandpaal”. In het artikel wordt aandacht besteed aan websites die zwarte lijsten van medische specialisten publiceren. In het artikel komen medische specialisten aan het woord die op dergelijke sites zijn geplaatst. Bij het artikel is een uitsnede van de website van klaagster geplaatst, waarop de naam van klaagster is te zien.
 
Bij uitspraak van 14 juni 2010 heeft de Raad de klacht van verzoekster ongegrond verklaard, waarbij de Raad onder meer het volgende heeft overwogen:
“In dit geval acht de Raad van belang dat klaagster met het maken van haar websites zelf de publiciteit heeft gezocht en zich kwetsbaar heeft gemaakt voor kritiek op haar handelwijze. Klaagster lijkt uit het oog te verliezen dat over (de effecten van) publicaties als de hare nu eenmaal, ook onder ‘deskundigen’, zeer verschillend wordt gedacht. Het stond verweerders vrij om artsen te laten reageren op de publicaties van klaagster.
Daarbij komt dat in het artikel weliswaar negatieve kwalificaties over het fenomeen zwarte lijsten worden geuit, maar dat slechts sprake is van een indirect verband met klaagster. Immers, in het artikel wordt niet specifiek ingegaan op de websites van klaagster, maar wordt het publiceren van zwarte lijsten van artsen op internet in het algemeen behandeld. De aanwezigheid van een (relatief kleine) afbeelding van de website van klaagster dient slechts als illustratie.
 
De Raad is van oordeel dat verweerders, hoewel zij in het gewraakte artikel hebben gekozen voor een voor klaagster onwelgevallige invalshoek, voldoende evenwichtig over de kwestie hebben bericht en daarbij voldoende onderscheid hebben gemaakt tussen feiten en beweringen. Uit de door klaagster overgelegde stukken blijkt voorts dat verweerders, in tegenstelling tot wat klaagster heeft gesteld, in een eerdere publicatie wel degelijk vanuit een andere invalshoek aandacht aan medische fouten hebben besteed. Van structurele eenzijdige berichtgeving over dit onderwerp door verweerders is dan ook geen sprake.
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat het nalaten van wederhoor in dit geval niet journalistiek onzorgvuldig is. Dat wederhoor waarschijnlijk tot een vollediger beeld van de beweegredenen en doelstelling van klaagster zou hebben geleid en dat verweerders dus in zoverre een journalistieke kans hebben gemist, leidt niet tot een ander oordeel.”  
 
HET STANDPUNT VAN VERZOEKSTER
 
Verzoekster stelt dat de Raad ten onrechte heeft vastgesteld dat door de gewraakte publicatie hoor en wederhoor is toegepast met betrekking tot het onderzoek van prof. Van Dijk. Verzoekster wijst erop dat verweerders geen contact met haar hebben opgenomen, maar uitsluitend prof. Van Dijk hebben geïnterviewd. Volgens verzoekster heeft de Raad ten onrechte goedgekeurd dat ten aanzien van het gewraakte artikel geen wederhoor is toegepast.
Daarnaast stelt verzoekster dat de foto van haar website niet ter illustratie dient, maar een hoofdonderdeel van het artikel betreft.
Volgens verzoekster gaan zowel verweerders als de Raad voorbij aan de leidinggevende rol van verzoekster als de enige organisatie van slachtoffers van medische fouten die een zwarte lijst van artsen online heeft.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK
 
In artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek is het volgende bepaald:
“Een beslissing van de Raad die is gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, kan door de Raad geheel of gedeeltelijk worden herzien op verzoek van de klager dan wel op verzoek van de verweerder die daadwerkelijk verweer heeft gevoerd.
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.”
 
Uit hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht blijkt duidelijk dat zij zich niet kan vinden in de beslissing van de Raad van 14 juni 2010 betreffende haar klacht (RvdJ 2010/24). Dit is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren.
Naar het oordeel van de Raad heeft verzoekster met hetgeen zij in haar verzoekschrift heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor bedoelde beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De Raad ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing.

BESLISSING
 
Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 19 december 2010 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. drs. J.X. Nabibaks, mw. J.R. van Ooijen, mw. F. Santing en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.