2010/55 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
P. Ullenbroeck, R. Magielse en de hoofdredacteur van BN/DeStem
 
Bij brief van 29 mei 2010 met een bijlage heeft mr. H. Halfers, advocaat te Rotterdam, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen P. Ullenbroeck, R. Magielse en de hoofdredacteur van BN/DeStem (hierna: verweerders). Vervolgens heeft de secretaris van de Raad onderzocht of partijen wensten mee te werken aan bemiddeling. Dit heeft uiteindelijk niet geleid tot een bemiddelingsgesprek. Ten slotte hebben verweerders op de klacht gereageerd in brieven van 14 en 15 oktober 2010 met diverse bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 oktober 2010. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 16 januari 2010 is in BN/DeStem in de zaterdagbijlage ‘Spectrum’ een artikel geplaatst van de hand van Ullenbroeck onder de kop “Dromen van een leven na de straf. In het artikel wordt aandacht besteed aan het leven van jongeren die in een justitiële jeugdinrichting verblijven. Bij het artikel zijn foto’s geplaatst, gemaakt door Magielse, die zijn genomen in en rondom jeugdinrichting Den Hey-Acker te Breda. Op één van deze foto’s is klager afgebeeld.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat zonder zijn toestemming een foto van hem is geplaatst bij het artikel en dat hem zelfs niet is kenbaar gemaakt dat hij is gefotografeerd. Klager wijst erop dat zijn voorzijde – met name zijn gelaat – is afgebeeld aan de rechterzijde van de gewraakte foto en dat hij op die foto herkenbaar is.
Volgens klager is aldus zijn privacy c.q. zijn portretrecht geschonden. Ook wijst klager op artikel 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) inzake het recht op ‘private life’. Klager stelt dat verschillende onderdelen van de Leidraad van de Raad – betreffende privacy, publiceren van foto’s en herkenbaarheid van verdachten en veroordeelden – zijn geschonden. Ook acht klager van belang dat de redactie verantwoordelijk is voor de inhoud van beeldmateriaal dat door derden is aangeleverd. Met het plaatsen van de foto is klager naar zijn mening in zijn persoonlijk belang geschaad.
 
Verweerders merken op dat ten behoeve van het artikel een contract met de justitiële jeugdinrichting Den Hey-Acker is ondertekend, waarbij ook de privacybescherming van de jongeren is benoemd. Bij het artikel zijn foto’s van freelancer Magielse afgedrukt. Ook hij was op de hoogte van de privacygevoeligheid in dezen, aldus verweerders. De foto’s zijn genomen in overleg met de aanwezige voorlichtingsambtenaar van de inrichting. Deze ambtenaar heeft ook alle foto’s via het display van de camera gecheckt. Volgens verweerders hebben zij de richtlijnen van de inrichting gevolgd en mochten zij er dus van uitgaan dat tussen de aangeleverde foto’s geen discutabele foto’s zaten.
Verweerders wijzen er voorts op dat de inrichting niet heeft verzocht of geëist om – naast de door Ullenbroeck opgestelde tekst – ook de opgemaakte pagina’s voorafgaande aan publicatie te zien. Ook de leiding van Den Hey-Acker was er kennelijk van overtuigd dat op de geautoriseerde foto’s geen cliënt herkenbaar in beeld was gebracht.
Verweerders betreuren het dat toch – naar later is gebleken – één van de jongeren zichzelf op de foto’s heeft herkend. Zij benadrukken dat dit geenszins hun bedoeling was en dat zij er niet van op de hoogte waren dat de afgebeelde persoon een cliënt was. De persoon had net zo goed een medewerker of begeleider van de inrichting kunnen zijn. Op de andere afgedrukte foto’s zijn alle cliënten onherkenbaar in beeld gebracht. Er is eerder sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden dan van een opzettelijke schending van de privacy van klager. Op verzoek van de inrichting is de foto inmiddels uit het archief verwijderd, zodat herplaatsing niet meer mogelijk zal zijn.
Verder merken verweerders op dat de camera was gericht op de cliënt links van de foto, die ook wat de leiding van Den Hey-Acker betreft, voldoende onherkenbaar in beeld is gebracht. Vanaf de achtergrond kijkt klager toe. Verweerders betwijfelen of klager aldus ook buiten de kring van personen bij wie hij al bekend is, geïdentificeerd zou kunnen worden.
Verweerders erkennen dat zij geen toestemming aan klager hebben gevraagd, maar daar was – gelet op de gang van zaken – ook geen aanleiding toe. De foto’s zijn immers door de voorlichtingsambtenaar gescreend en mondeling akkoord bevonden. Volgens verweerders mochten zij daarop afgaan. Daarbij wijzen zij erop dat de voorlichter niet alleen de foto’s in het display bekeek, maar ook aanwijzingen gaf vanaf welke plek al dan niet gefotografeerd mocht worden.
Verweerders menen dan ook dat zij volstrekt te goeder trouw hebben gehandeld.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat de redactie bij plaatsing verantwoordelijk is voor de inhoud van beeldmateriaal dat door derden is aangeleverd. (zie punt 4.3. van de Leidraad van de Raad)
Bovendien behoort een journalist geen foto’s te publiceren die zijn gemaakt van personen in niet-algemeen toegankelijke ruimten zonder hun toestemming. Hiervan kan de journalist slechts afwijken, indien een gewichtig maatschappelijk belang dit rechtvaardigt en hetzelfde doel op geen andere manier kan worden bereikt. (zie punten 2.4.3. en 2.4.5. van de Leidraad)
 
Niet in geschil is dat foto’s zijn gemaakt in een niet-algemeen toegankelijke ruimte. Evenmin staat ter discussie dat verweerders voorafgaand aan de publicatie geen toestemming aan klager hebben gevraagd.
 
De Raad heeft begrip voor het standpunt van verweerders dat zij mochten afgaan op de aanwijzingen van de voorlichter van de justitiële inrichting. Dat de desbetreffende voorlichter de gewraakte foto voorafgaand aan de publicatie kennelijk niet heeft afgekeurd, biedt echter onvoldoende rechtvaardiging voor de handelwijze van verweerders.
Van verweerders mocht in dit geval een bijzondere zorgvuldigheid worden verwacht. Zij hadden erop toe moeten zien dat zij van klager toestemming hadden voor publicatie, nu deze op een van de foto’s is afgebeeld. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat het gaat om opnamen die zijn gemaakt in een justitiële jeugdinrichting, waarbij de mogelijke inbreuk op de privacy van betrokkenen een ingrijpend karakter heeft.
 
Nu niet is gebleken van een gewichtig maatschappelijk belang dat de handelwijze van verweerders rechtvaardigt, terwijl hetzelfde doel op geen andere manier kon worden bereikt, hebben verweerders met de publicatie van de gewraakte foto grenzen overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in BN/DeStem te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 19 december 2010 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, H. Blanken, mw. drs. J.X. Nabibaks, mw. J.R. van Ooijen en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.