2010/54 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
D. Doesburg-Maas
 
tegen
 
B. Nielsen en de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden
 
Bij brief van 3 september 2010 met diverse bijlagen heeft D. Doesburg-Maas te Groningen (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen B. Nielsen en de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden (hierna: verweerders). Vervolgens heeft klaagster bij brief van 21 september 2010 diverse bijlagen overgelegd. E. van Dijk, adjunct-hoofdredacteur, heeft namens verweerders op de klacht gereageerd in een brief van 23 september 2010.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 oktober 2010. Klaagster is daar verschenen, vergezeld door T.J. Klasens. Van de kant van verweerders zijn voornoemde Nielsen en Van Dijk verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 2 september 2010 is in het Dagblad van het Noorden een artikel van de hand van Nielsen verschenen onder de kop “Veiling dreigt van Oostenrijks huis Diette Doesburg” en de onderkop “Failliete werfbazin tracht gedwongen verkoop te voorkomen”. De lead van het artikel luidt:
“Een huis van Diette Doesburg-Maas in het Oostenrijkse Neukirchen am Grossvenediger wordt op 5 oktober geveild als het aan de curatoren Wim Entzinger en Peter Fousert ligt. Diette Doesburg probeerde daar via een kort geding een stokje voor te steken.”
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
“Entzinger en Fousert zijn de curatoren in het faillissement van de werf Maas Shipyard Waterhuizen. Bij dat bankroet is eigenaresse Diette Doesburg persoonlijk aansprakelijk gesteld voor tachtig procent van de boedelschade. Die schade werd in 2008 voorlopig begroot op circa 6 miljoen euro, hetgeen betekent dat Doesburg zelf 4,8 miljoen moet ophoesten.”
en
“Volgens Doesburg en haar advocaat Eddy Heuzeveldt die eerder ook al eens haar curator was in een persoonlijk faillissement (dat werd vernietigd dankzij zijn inspanningen), is de veiling volstrekt zinloos want de hypotheek is hoger dan de opbrengst.”
en
“Zo stelde hij [Fousert] vast dat een dag na het faillissement van Doesburg in 2008 de hypotheek met 300.000 euro is verhoogd. Dat geld ging feitelijk naar de eigenaar van het huis, Maas Gmbh in Oostenrijk. Diette Doesburg-Maas is de bestuurder van die Oostenrijkse BV. Maar sinds begin dit jaar, toen de dreiging van een veiling duidelijk werd, is er een nieuwe bestuurder van Maas Gmbh. Het is de zoon van Diette Doesburg.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat in het artikel op zeer suggestieve en negatieve wijze een onjuist beeld van haar wordt geschetst. Daarnaast worden de bedrijven waaraan klaagster is gelieerd door deze publicatie aanmerkelijk beschadigd. Zo is de onderkop van het artikel ‘failliete werfbazin’ onjuist, nu klaagster nimmer persoonlijk failliet is geweest. In tegenstelling tot hetgeen in het artikel staat vermeld, is haar zoon niet een dag na het faillissement bestuurder geworden van de Oostenrijkse GmbH. De directiepositie van deze GmbH is reeds begin 2009 ingenomen. Het huis in Oostenrijk is overigens geen eigendom van voornoemde GmbH, maar privé-eigendom. Bovendien dateert het faillissement waarover wordt bericht – van slechts één van de vijf ondernemingen van klaagster – uit 2005 en niet, zoals is vermeld, uit 2008. Daarbij komt dat het bedrag van de boedelschade nog niet vaststaat en dat verweerders de claims op de debiteuren ten onrechte onbelicht laten. Ter zitting voegt klaagster hieraan toe dat verweerders geruime tijd op een negatieve wijze over haar en haar ondernemingen hebben bericht. Klaagster verricht echter al weer 1,5 jaar positieve activiteiten, waaraan verweerders nimmer aandacht besteden. Die keerzijde van de medaille is echter ook belangrijk voor de lezer, aldus klaagster.
Verder stelt klaagster dat bij de totstandkoming van het artikel door verweerders ten onrechte geen wederhoor is toegepast.
Ten slotte merkt klaagster op dat een verzoek om rectificatie, gelet op de slechte betrekkingen tussen klaagster en verweerders, geen enkel nut zou hebben gehad.
 
Verweerders stellen dat de activiteiten van klaagster als ondernemer in de regio van maatschappelijke betekenis en derhalve nieuwswaardig zijn. Het artikel is grotendeels gebaseerd op een zitting in kort geding bij de rechtbank naar aanleiding van het faillissement van Maas Shipyard Waterhuizen B.V. Nielsen doet in het artikel verslag van die zitting, waarbij de curatoren en klaagster met haar raadsman aanwezig waren. Verweerders behoefden derhalve geen wederhoor toe te passen. Daarbij komt dat klaagster verweerders niet meer te woord wil staan en dat indien nodig contact wordt opgenomen met haar raadslieden.
Verder stellen verweerders dat klaagster zich heeft geprofileerd als het gezicht van Maas Shipyard Waterhuizen B.V. zodat zij in het artikel mag worden vereenzelvigd met het failliete bedrijf. Verweerders wijzen in dit verband op de uitspraak van de Raad inzake een eerdere klacht van klaagster tegen verweerders van 11 december 2009 (RvdJ 2009/64). Overigens is in het artikel duidelijk vermeld dat klaagster persoonlijk niet failliet is verklaard.
Verweerders wijzen erop dat tijdens de zitting in kort geding door een van de curatoren is gezegd dat sinds begin dit jaar sprake was van een andere bestuurder van de GmbH, klaagsters zoon. Dat haar zoon al in 2009 bestuurder van de GmbH is geworden, kan verweerders niet worden aangerekend. Hoewel in het artikel staat vermeld dat het faillissement in 2008 plaatsvond, valt uit de context voldoende af te leiden dat het gaat om een faillissementszitting. Deze gestelde omissie kan overigens niet afdoen aan de inhoud van het artikel.
Ten slotte hebben verweerders er nog op gewezen dat klaagster om rectificatie had kunnen verzoeken, hetgeen zij heeft nagelaten.

BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
  1. door de vermelding ‘failliete werfbazin’ wordt klaagster ten onrechte met haar onderneming vereenzelvigd;
  2. het artikel bevat diverse onjuistheden, waardoor ten onrechte een negatief beeld over klaagster is ontstaan, hetgeen voorkomen had kunnen worden door toepassing van wederhoor.
Ad 1.
De Raad overweegt dat uit de stukken en hetgeen partijen hebben aangevoerd, blijkt dat klaagster zich heeft geprofileerd als het gezicht van het in 2005 failliet verklaarde bedrijf Maas Shipyard Waterhuizen B.V., zodat klaagster en dat bedrijf als het ware vereenzelvigd konden worden. Dat er juridisch een onderscheid te maken is tussen klaagster en de BV, doet daar niet aan af. Uit het artikel blijkt duidelijk dat daar waar klaagster als ‘failliete werfbazin’ is aangeduid, bedoeld wordt dat Maas Shipyard Waterhuizen B.V. failliet is gegaan. Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders derhalve op dit punt niet journalistiek onzorgvuldig jegens klaagster gehandeld. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond. (zie punt 2.4. van de Leidraad van de Raad en vgl. RvdJ 2009/64)
 
Ad 2. 
Klaagster heeft gemotiveerd gesteld dat het artikel diverse passages bevat, waarvan de inhoud niet overeenkomt met hetgeen ter zitting in kort geding is besproken dan wel die anderszins feitelijk onjuist zijn en dat zij door de publicatie ten onrechte wordt gediskwalificeerd.
Aan de orde is de vraag of in dit geval sprake is van een rechtbankverslag, waarbij het beginsel van hoor en wederhoor – behoudens bijzondere omstandigheden – niet aan de orde is. (zie punt 2.3.4. van de Leidraad)
Naar het oordeel van de Raad is dat niet het geval. In het artikel heeft Nielsen niet louter verslag gedaan van de zitting in kort geding betreffende de veiling van klaagsters huis. Hij heeft daarin tevens informatie over klaagster en haar ondernemingen verwerkt, die hij in de afgelopen jaren heeft verkregen. Bovendien behelst het artikel feiten en meningen, waartussen niet steeds een duidelijk onderscheid is gemaakt. De publicatie kan dan ook niet als een voor de lezer duidelijk herkenbaar rechtbankverslag worden aangemerkt. Het stond verweerders derhalve niet vrij het beginsel van wederhoor terzijde te schuiven.
Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd, is de Raad van oordeel dat het toepassen van wederhoor tot een genuanceerder en juister beeld over klaagster en haar ondernemingen zou hebben geleid. Door dit achterwege te laten hebben verweerders in dit geval de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Dat klaagster niet om rectificatie heeft verzocht, kan daaraan niet afdoen. Dit onderdeel van de klacht is dan ook gegrond.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op het vermelden van onjuistheden zonder toepassing van wederhoor. De klacht is ongegrond voor zover deze betrekking heeft op de aanduiding van klaagster als ‘failliete werfbazin’.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Dagblad van het Noorden te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 17 december 2010 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, mr. T.E. Klein, mw. E.J.M. Lamers, A. Mellink MPA en mw. M.J. Rietkerk, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.