2010/52

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
het Openbaar Ministerie en mr. H.N. Brouwer
 
tegen
 
J. van Dongen en K. Driehuis (‘Zembla’, VARA/NPS)
 
Bij klaagschrift van 6 juli 2010 met twintig bijlagen heeft mr. H.N. Brouwer, voorzitter van het College van procureurs-generaal, mede namens het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) een klacht ingediend tegen J. van Dongen en K. Driehuis, redacteur respectievelijk eindredacteur van ‘Zembla’ (hierna: verweerders). Hierop heeft mw. mr. B. den Ouden, bedrijfsjurist van Omroepvereniging VARA, namens verweerders geantwoord in een brief van 7 september 2010 met een bijlage. Ten slotte heeft mr. Den Ouden bij e-mailbericht van 4 oktober 2010 nog gewezen op een uitzending van ‘EénVandaag’ van 7 september 2010 met de titel “Waarom gaat het zo vaak mis bij het OM?”.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 oktober 2010. Brouwer is daar verschenen, vergezeld door mw. mr. D.Ph. van Boetzelaar (hoofd afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het parket-generaal), mr. G.C. Haverkate (directeur Wetenschappelijk Bureau van het OM), mw. mr. M.J.A.M. Corten-van der Sande (voormalig woordvoerder College van procureurs-generaal) en mr. H.C.L. Vreugdenhil (waarnemend hoofd afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het parket-generaal). Aan de zijde van verweerders zijn verschenen voornoemde Van Dongen en Driehuis, vergezeld door mr. Den Ouden, mr. C. Korvinus (voorzitter bestuur VARA), F. Glissenaar (redacteur) en mw. L. van Vliet (redacteur). Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnota’s toegelicht.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad de dvd-opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 31 januari 2010 is in het televisieprogramma ‘Zembla’ een reportage uitgezonden met de titel “Officieren van justitie in de fout”. In de uitzending wordt aandacht besteed aan het functioneren van het OM als organisatie en met name aan fouten die door verschillende officieren van justitie zouden zijn gemaakt.
In de uitzending worden zes zaken behandeld. Daarbij worden steeds de betrokken officieren van justitie genoemd. De zaken worden afgesloten met een animatie: eerst wordt de naam van de betrokken officier op een muur van een gevangeniscel geschreven en vervolgens wordt met rode letters diens huidige functie door de naam heen geschreven. Daarnaast zijn andere namen van individuele officieren op de celmuur te lezen, waarop geen toelichting wordt gegeven.
De zes zaken worden afgewisseld met interviews waarin op het beleid en het functioneren van het OM wordt ingegaan. Onder meer worden R. Prins, diens partner en advocaat mr. Meijering aan het woord gelaten. Prins is in eerste aanleg tot acht jaar cel veroordeeld wegens drugssmokkel, maar in hoger beroep vrijgesproken.
Verder komen aan het woord mr. R. Blekxtoon (oud-vicepresident van de rechtbank Amsterdam), dr. H.J.R. Kaptein (hoogleraar rechtsfilosofie), mw. mr. M. van Essen (advocaat), J. Paalman (oud-rechercheur), mr. F. Korthals-Altes (oud-minister van Justitie) en mr. Brouwer.
 
Paalman meldt aan het begin van de uitzending:
“Dit kan niet wat u doet, en of dat nu een commissaris is of een officier van justitie. Als ze opzettelijk ontlastend bewijs achterhouden en er gaat iemand voor in de bak, dan moeten ze daar ook voor bloeden. Ze strijken een riant salaris op. Ze hebben de verantwoording; dan moeten ze die verantwoording ook dragen.”
De voice-over meldt:
“Als een officier van justitie in een strafproces een ernstige fout maakt is dat een drama.”
Prins komt aan het woord:
“Je hele leven is stuk. Dat ligt helemaal overhoop en dat is allemaal dankzij een officier van justitie die zijn werk niet doet.”
Hierop meldt de voice-over:
“De officier van justitie heeft veel macht. Hij bepaalt wie er wordt vastgezet. Hij bepaalt of iemand verhoord wordt. Hij bepaalt ook wie er voor de strafrechter komt.”
Van Essen wordt aan het woord gelaten:
“Wat je wel ziet in de loop der jaren: dat er steeds meer crimefighters komen, officieren die echt willen scoren, zoals ik het dan maar noem.”
Voice-over:
“Officieren van justitie maken soms grote fouten, waardoor moordenaars vrijuit gaan of vrouwenhandelaren ongestraft blijven rondlopen. Maar door die fouten gaan ook onschuldige mensen de cel in.”
Korthals-Altes komt aan het woord:
“Als je begint te sjoemelen, dat is het einde van de rechtsstaat. De overheid moet zorgen en degenen die namens de overheid optreden, die moet zorgen dat hij van onbesproken gedrag is.”
Vervolgens meldt de voice-over:
“Zembla onderzocht de rechtszaken van de afgelopen tien jaar die fout afliepen omdat de officier van justitie zijn werk niet goed deed. Het blijkt dat het geen incidenten zijn.”
Aan het woord komt Blekxtoon:
“Er zijn er bij die de neiging hebben om de regels aan te passen aan hun scoringsdrift. En ja, die moeten eruit.”
De voice-over:
“Worden officieren van justitie wel gestraft voor de fouten die ze maken? Zembla over officieren van justitie in de fout.”
 
Een van de zaken die in de uitzending wordt behandeld, is die van de vuurwerkramp in Enschede. In dat verband worden drie officieren van justitie genoemd. De voice-over meldt:
“Bij de rechtszaak in hoger beroep vertelt politieman Paalman over het achtergehouden ontlastend bewijs.”
Paalman:
“Erken dat je fout bent. Ik bedoel: als je een fout maakt, so what? Alleen als je blijft volharden dat er geen fout is gemaakt, dat is veel erger.”
De interviewer:
“Want zijn die fouten bewust gemaakt?”
Paalman:
“Die worden toch niet onbewust gemaakt in zo’n groot onderzoek.”
En verderop meldt de voice-over:
“Paalman wordt ontslagen en de twee officieren van justitie worden overgeplaatst.”
Paalman:
“Toen zaten die beide officieren in no time op de ‘uit-de-windse’-eilanden. Toen gingen ze naar de Antillen.”

Even daarna bericht de voice-over:
“Na terugkeer in Nederland wordt (…) benoemd tot advocaat-generaal. Zo heet een officier van justitie in hoger beroep. De andere twee werken nog in dezelfde functie.”
 
Later in de uitzending wordt aandacht besteed aan de zaak-Prins. Diens advocaat mr. Meijering zegt over de zaak:
“Ik heb simpelweg in die zaak toen de vraag gesteld of hij ook nog getapt was, zijn telefoon getapt was, wat je in dat soort zaken vaak ziet gebeuren. En dat bleek het geval te zijn en die hadden ze achtergehouden.”
De interviewer:
“Dat zat niet in het dossier?”
Meijering:
“Die zaten er gewoon helemaal niet in. En toen we die stapels telefoontaps, een halve meter tot een meter telefoontaps kregen, toen bleek dat hij in die periode zich helemaal niet onbereikbaar had gehouden, maar gewoon de telefoon had aangenomen, wat hij ook altijd had gezegd.”
Voice-over:
“Met die achtergehouden tapgesprekken kan Prins eindelijk bewijzen dat hij nooit gelogen heeft.”
De interviewer:
“Maar de officier van justitie heeft dat bewust dus uit het dossier gehouden?”
Meijering:
“Nou, ik geloof dat die in een later stadium vooral heeft gewezen naar de rechercheurs; zo van ik ben daar niet van op de hoogte gesteld. Maar dat maakt geen indruk op mij.”
De voice-over meldt hierop:
“Ook de rechter in hoger beroep is niet onder de indruk van de werkwijze van de officier van justitie en schrijft in de uitspraak dat aan het onderzoek in deze zaak onvolkomenheden kleven. Ruud Prins wordt vrijgesproken. (…)”
 
De uitzending is aangekondigd met een persbericht van 29 januari 2010, waarvan de intro luidt:
“Acht verdachten in een drugszaak gaan vrijuit omdat er geknoeid is met hun bekentenissen, bleek afgelopen woensdag bij de rechtbank in Breda. Steeds vaker komen verdachten vrij door ernstige fouten van officieren van justitie. Of verdwijnen onschuldigen achter de tralies. Maar wat gebeurt er eigenlijk met de officieren van justitie die die fouten hebben gemaakt? Die vervolgen hun loopbaan en maken later soms promotie, zo blijkt.”
Over de zaak Prins vermeldt het persbericht het volgende:
“Ruud Prins werd wegens drugssmokkel veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf. Na anderhalf jaar kwam hij weer vrij, toen zijn advocaat in hoger beroep had aangetoond dat de officier van justitie ontlastend bewijsmateriaal uit het dossier had gehouden.”
En over de zaak van de Enschedese vuurwerkramp:
“Jan Paalman, rechercheur in de vuurwerkramp-zaak in Enschede, vertelt dat bij het onderzoek naar André de V. ontlastend bewijsmateriaal uit het dossier was gehouden. André de V. werd in eerste instantie veroordeeld tot vijftien jaar cel. Bij de zitting in hoger beroep getuigde Jan Paalman van zijn bevindingen. André de V. werd vrijgesproken, Paalman ontslagen.”
Verder wordt vermeld:
“De officieren in deze zaken konden hun loopbaan gewoon voortzetten en werken nu nog steeds bij het Openbaar Ministerie.”
 
In het kader van de uitzending heeft Zembla op haar website zembla.vara.nl voorts een artikel gepubliceerd onder de kop “Lijst falende officieren van justitie”. De publicatie bevat een lijst met vier kolommen, waarin per rij aandacht aan een bepaalde zaak wordt besteed. In de eerste kolom wordt de betrokken officier of advocaat-generaal met initialen aangeduid en wordt vermeld bij welke rechtbank en in welk jaar de zaak is behandeld. In de tweede kolom wordt een samenvatting van de zaak gegeven en in de derde kolom wordt de uitspraak weergegeven, met de volgens de opstellers van de lijst gemaakte fout. In de vierde kolom is onder het kopje “Gevolg OvJ/AG” de huidige functie van de betrokken officier of advocaat-generaal vermeld.
 
Ten slotte is op de website van Zembla een artikel verschenen onder de kop “Officieren van justitie toch echt in de fout”, waarvan de lead luidt:
“Bijna vier maanden na de uitzending “Officieren van justitie in de fout” heeft het Wetenschappelijk Bureau van het Openbaar Ministerie (WBOM) een rapport gepubliceerd over deze aflevering van ZEMBLA en de lijst van officieren die door ZEMBLA op haar website is geplaatst.
De conclusie van het 317 pagina’s dikke rapport is: ZEMBLA heeft een onjuist beeld gecreëerd van het OM en zijn medewerkers. Niet verrassend, want het openbaar ministerie heeft ervoor gekozen haar eigen fouten door zichzelf te laten onderzoeken. Bij dit onderzoek zijn de betrokken rechters, politiefunctionarissen, en slachtoffers van deze fouten niet benaderd en gehoord. Wij kijken er niet gek van op dat men tot de conclusie is gekomen dat het allemaal wel meevalt.”
Bij dit artikel is een link opgenomen naar het rapport van het WBOM.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Het standpunt van klagers
Klagers stellen dat de klacht allereerst betrekking heeft op de uitzending en de berichtgeving daarover. De klacht beperkt zich tot de zaak van de Enschedese vuurwerkramp en de zaak Prins, en het noemen en in beeld brengen van namen van officieren van justitie in het algemeen en die van officieren die in het geheel niet in verband worden gebracht met een concrete zaak en/of fout in het bijzonder. In de media moet grote terughoudendheid worden betracht bij het noemen van functionarissen – vooral bij het vermelden van namen in verband met zeer ernstige verwijten ter zake van het functioneren van betrokkenen – vanwege de gevolgen die het uiten van beschuldigingen als de onderhavige voor de desbetreffende officieren met zich kan brengen. Volgens klagers zijn de individuele officieren van justitie in de zaken vuurwerkramp Enschede en Prins ten onrechte beschuldigd van het maken van ernstige fouten, waaraan enorme gevolgen voor de betrokken verdachten worden toegeschreven en waarvoor zij volgens verweerders ten onrechte niet zijn bestraft. Een deugdelijke grondslag voor deze beschuldigingen ontbreekt. Toch zijn ze geuit, ondanks concrete informatie waaruit de onjuistheid van de beschuldigingen blijkt en die overigens voor verweerders in openbare, eenvoudig toegankelijke bronnen beschikbaar was. Dat is te meer onzorgvuldig, omdat verweerders nadrukkelijk op deze concrete informatie zijn gewezen. Het is voorts onzorgvuldig dat de concrete weerlegging van en de reactie op de beschuldigingen niet in de uitzending is opgenomen of anderszins daarin is verwerkt. Zo blijft ten aanzien van de zaak van de Enschedese vuurwerkramp geheel onvermeld dat de Rijksrecherche – juist naar aanleiding van de punten die Paalman en zijn collega naar voren hebben gebracht – een uitvoerig onderzoek heeft verricht naar de wijze waarop het onderzoek naar de vuurwerkramp in Enschede heeft plaatsgevonden. De conclusie van het onderzoek van de Rijksrecherche luidt ‘dat uit het onderzoek niet is gebleken dat medewerkers van de regiopolitie Twente of het arrondissementsparket Almelo binnen het strafrechtelijk onderzoek jegens de (voormalige) verdachte André de V. opzettelijk de rechterlijke macht hebben misleid’. Er zijn volgens dit onderzoek geen onregelmatigheden geconstateerd. Aan het Rijksrechercherapport is veel publiciteit gegeven en het rapport is eenvoudig te achterhalen. In de strafzaak tegen André de V. is het onderzoek eveneens aan de orde gekomen. In hoger beroep besteedt het gerechtshof te Arnhem er in zijn arrest uitgebreid aandacht aan. Aan de overwegingen van het Hof is echter niet te ontlenen dat zich onregelmatigheden zouden hebben voorgedaan en/of dat de officier van justitie die in eerste aanleg voor de zaak verantwoordelijk was, fouten zou hebben gemaakt. De in de uitzending ter zake geuite beschuldigingen aan het adres van de officieren van justitie missen derhalve de vereiste deugdelijke grondslag. Voorafgaand aan de uitzending heeft Brouwer tijdens het interview uitdrukkelijk op de ongefundeerdheid van de beschuldigingen gewezen.
Ten aanzien van de in de zaak-Prins geuite beschuldigingen bestaat evenmin een deugdelijke grondslag, noch in het arrest van het Hof in de strafzaak tegen Prins, noch in de uitspraken in de civiele schadevergoedingszaken die Prins naderhand tegen de Staat der Nederlanden heeft gevoerd. De beschuldiging en het door verweerders geschetste beeld zijn met die uitspraken in strijd. Ook in dit verband heeft Brouwer in het interview uitdrukkelijk en concreet op de overwegingen in het arrest van het Hof in de civiele procedure gewezen. Zo heeft het Hof onder meer overwogen ‘dat niet aannemelijk is geworden dat wel printgegevens zijn opgevraagd maar (doelbewust) niet aan het dossier zijn toegevoegd’. Verweerders hebben er echter niet alleen voor gekozen die reactie van Brouwer niet in de uitzending te verwerken, maar ook de ernstige beschuldigingen jegens de betrokken officier alsnog te uiten, terwijl glashelder was dat de daarvoor vereiste deugdelijke grondslag ontbrak. Voorafgaand aan de uitzending is door klagers voorts uitdrukkelijk gewezen op de uitkomst van de civiele procedure, waarin de vordering van Prins op de Nederlandse Staat is afgewezen.
Klagers wijzen erop dat zij er herhaaldelijk bij verweerders op hebben aangedrongen om in ieder geval in de zaken van de vuurwerkramp Enschede en Prins het weerwoord van Brouwer in de uitzending te verwerken. Daarbij hebben zij steeds de consequenties voor de betrokken officieren van justitie benadrukt, die aan het noemen van hun namen verbonden kunnen zijn.
Tijdens het contact met verweerders op 29 januari 2010 heeft Corten-van der Sande aangegeven dat de problematiek rond de geheimhoudersgesprekken bekend is en dat – samen met de Nederlandse Orde van Advocaten – wordt gekeken naar een systeem van nummerherkenning, waarbij het OM geheel afziet van het recht om deze gesprekken op te nemen om te voorkomen dat die gesprekken niet tijdig worden vernietigd.
 
In de tweede plaats heeft de klacht betrekking op de lijst van ‘foute officieren’ die op de website van verweerders is gepubliceerd en de berichtgeving daarover. Op de lijst worden individuele officieren van justitie ten onrechte beschuldigd van het maken van ernstige fouten, waarvoor zij ten onrechte niet bestraft zouden zijn. In een significant aantal gevallen ontbreekt een deugdelijke grondslag voor de geuite beschuldigingen. De door verweerders als resultaat van onderzoek gepresenteerde conclusies zijn niet alleen feitelijk onjuist, maar wijken in zodanige mate af van de werkelijkheid dat zij niet door het onderzoek van verweerders kunnen worden gedragen. Ook overigens bevat de lijst een aanzienlijke hoeveelheid feitelijke onjuistheden, in weerwil van de verklaring van de makers dat de lijst met de grootst mogelijke zorgvuldigheid op basis van een als uitvoerig en deugdelijk gepresenteerd onderzoek is samengesteld. Het is bovendien onzorgvuldig dat klagers ten aanzien van de lijst niet de mogelijkheid van wederhoor is geboden. Net als in de uitzending worden de op de lijst aangeduide functionarissen door verweerders geplaatst in het kader van officieren en advocaten-generaal die ernstige fouten hebben gemaakt en daarop ten onrechte niet persoonlijk zijn aangesproken. De lijst wordt door verweerders aangeduid als ‘lijst falende officieren van justitie’, ‘lijst met foute officieren’ en ‘officieren van justitie in de fout’. De betrokkenen worden in verband gebracht met zeer ernstige fouten – zoals het bewust achterhouden van bewijs en het misleiden van de rechter – en persoonlijk beschuldigd van het maken van ernstige fouten, die niet hebben geleid tot degradatie of ontslag. Naar aanleiding van de publicatie van de lijst door verweerders heeft het College van procureurs-generaal het Wetenschappelijk Bureau van het OM (hierna: het WBOM) opdracht gegeven onderzoek te doen naar de juistheid van de verwijten die in de lijst worden gemaakt. Het WBOM heeft zich laten bijstaan door twee externe deskundigen, te weten prof. mr. P.A.M. Mevis en prof. mr. Th.A. de Roos. De conclusie van de onderzoekers is dat de belangrijke stellingen van verweerders geen steun vinden in de feiten. Uiteindelijk resteren zeventien zaken die onherroepelijk zijn en waarbij het WBOM heeft geoordeeld dat (mede) een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt aan de betrokken officier. Van die zeventien gevallen blijven twaalf gevallen over waarin de rechtbank een gevolg heeft gegeven aan de fout; in drie van de zaken ligt de oorsprong van de fout bij de politie, in negen van de zaken bij het OM. Het onderzoek van het WBOM maakt duidelijk dat verweerders de eisen van zorgvuldigheid in onaanvaardbare mate hebben overschreden. Verweerders hebben hetzij onvoldoende onderzocht of voor de door hen geuite beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat, dan wel – als zij dat wel hebben onderzocht – in weerwil van de (enige mogelijke) uitkomsten van een dergelijk onderzoek de beschuldigingen toch geuit. Opmerkelijk in dit verband is dat verweerders welbewust ook een groot aantal niet-onherroepelijke zaken op de lijst hebben gezet. Het is echter een feit van algemene bekendheid dat een hogere rechter anders kan denken over de vraag of er fouten zijn gemaakt en – indien ze ook volgens hem wel zijn gemaakt – over de daaraan te verbinden consequenties. Een sprekend voorbeeld van de gedragslijn van verweerders is de zaak die op de lijst onder nummer 32 is weergegeven. Met het arrest van het Hof als uitgangspunt kan geconcludeerd worden dat de bewuste officier van justitie door opname in de lijst volstrekt ten onrechte is gediskwalificeerd als functionaris die heeft gefaald of in de fout is gegaan. Volgens klagers wordt een groot deel van de op de lijst aangeduide OM-functionarissen als falend bestempeld, terwijl de rechter hen geen persoonlijk verwijt maakt.
Voorts hebben verweerders een aantal zaken op de lijst onvolledig en onjuist weergegeven, en aan hun onderzoek onjuiste conclusies verbonden. Meest in het oog springt de stelling dat 150 verdachten van moord, doodslag, kinderporno en vrouwenhandel op vrije voeten zijn gekomen door fouten van het OM. Het WBOM heeft echter geen zaken aangetroffen waarin verdachten van moord, doodslag of kinderporno definitief vrijuit zijn gegaan door een verzuim van het OM. Het totale aantal verdachten van zestien (waarvan veertien niet definitief) is zeer ver verwijderd van het aantal van 150 dat Zembla noemt. In het WBOM-onderzoek is geen enkele zaak aan het licht gebracht waarin officieren doelbewust ontlastend bewijsmateriaal achterhouden en doelbewust bewijsmateriaal vervalsen, laat staan met de door verweerders gestelde gevolgen: onschuldigen die in de cel komen dan wel verdachte criminelen die op vrije voeten komen.
Daarbij komt dat Brouwer pas tijdens het interview voorafgaand aan de uitzending met de lijst is geconfronteerd. Klagers hebben op 28 januari 2010 om toezending van de lijst verzocht, die een dag later naar het OM is gemaild. Verweerders bleken niet bereid de publicatie van de lijst achterwege te laten dan wel uit te stellen. Ook het WBOM-onderzoek is voor verweerders ten onrechte geen reden geweest de lijst (tijdelijk) van de website te halen.
Klagers betogen dat verweerders het beginsel van hoor en wederhoor hebben geschonden. Voorts hebben verweerders met de uitzending, de publicatie van de lijst en de berichtgevingen daarover journalistiek onzorgvuldig gehandeld, aldus klagers.
 
Het standpunt van verweerders
Verweerders stellen dat vanuit het burgerperspectief sprake is van een aan het OM toe te rekenen fout, wanneer door een rechter wordt uitgemaakt dat de openbaar aanklager – dan wel de onder zijn verantwoordelijkheid vallende personen – niet gehandeld heeft zoals volgens de regels van het strafproces van hem verwacht mocht worden. Fouten van het OM kunnen voor de burger (vanuit diens perspectief) een enorme impact hebben: daders worden ten onrechte niet bestraft en onschuldige burgers kunnen slachtoffer worden als zij ten onrechte als verdachte worden aangemerkt.
Door de jaren heen viel het verweerders op dat openbare aanklagers die fouten in hun dossiers hadden gemaakt, hun carrière ongestoord konden voortzetten. Drie medewerkers van de Zembla-redactie bestudeerden maandenlang openbare stukken, krantenartikelen en honderden gepubliceerde rechterlijke uitspraken. Voor zover nodig werd telefonisch informatie ingewonnen bij de griffies van rechtbanken en hoven en bij betrokken advocaten. Dit onderzoek bevestigde het beeld dat OM-functionarissen fouten maken, zonder dat dit consequenties heeft voor hun loopbaan. Een misstand die Zembla onder de aandacht van het publiek wilde brengen. Het is immers van algemeen belang dat de rechtspleging op juiste wijze plaatsvindt. Zembla zou haar functie van public watchdog verzaken, wanneer zij dit onderwerp niet aan de orde zou stellen. In de uitzending heeft Zembla dit op de haar eigen scherpe wijze gedaan en heeft zij het gebrek aan zelfreinigend vermogen van het OM aan de kaak gesteld. Voorts moeten verweerders een programma kunnen maken waarin een zekere snelheid zit en dat niettemin voor de gemiddelde kijker goed te volgen is. Dit impliceert dat er geselecteerd moet worden in nieuws dat wel en niet wordt gebracht. Ten aanzien van de zaak over de vuurwerkramp in Enschede is het een feit van algemene bekendheid dat de verdachte André de V. anderhalf jaar lang ten onrechte in detentie heeft gezeten. Nog daargelaten of dit te wijten is aan moedwillige fouten van de opsporingsambtenaren, is dit in elk geval mede het gevolg van de tunnelvisie waar het OM en het daaronder ressorterende politieapparaat tijdens het onderzoek blijk van hebben gegeven. Dat deze tunnelvisie c.q. de fouten in het onderzoek formeel juridisch niet de reden waren voor de later door het Hof uitgesproken vrijspraak van André de V., behoefden verweerders niet te vermelden. Dit betreft immers een voor het publiek niet relevante nuancering.
Ten aanzien van de zaak-Prins staat vast dat Prins werd vervolgd en berecht op basis van een onvolledig dossier. Nota bene de advocaat-generaal zelf erkent dat er onvolkomenheden aan het onderzoek kleven. Met name doch niet uitsluitend geldt dat de voor Prins ontlastende tapverslagen niet aan het dossier werden toegevoegd. Louter en alleen omdat niet kan worden vastgesteld dat het OM de ontbrekende stukken welbewust aan het dossier onthield, werd geen niet-ontvankelijkheid uitgesproken.
Verweerders menen dat zij in deze context – voor de beschuldigingen was voldoende grondslag – de namen mochten vermelden van de bij deze zaken betrokken OM-functionarissen.
Verder bestrijden zij dat zij in voormelde zaken het weerwoord van Brouwer hadden moeten verwerken, omdat dat niets zou hebben toegevoegd. Het rapport van de Rijksrecherche inzake de vuurwerkramp in Enschede is onder leiding van het OM opgesteld, is niet in zijn geheel openbaar gemaakt en is aan forse kritiek onderhevig. Indien de verwijzing van Brouwer naar het rapport van de Rijksrecherche zou zijn opgenomen, dan had daarbij dus een kanttekening moeten worden geplaatst. Dat viel echter niet in te passen in de uitzending; het zou het verhaal voor de gemiddelde kijker onbegrijpelijk maken. Ditzelfde geldt waar het het commentaar van Brouwer op de zaak-Prins betreft. De puur juridische reactie van Brouwer in die zaak doet niet af aan de feitelijk gemaakte en door het OM toegegeven fouten, zodat verweerders wederhoor op dit punt achterwege mochten laten. Bovendien krijgt Brouwer in de uitzending alle gelegenheid om omstandig uiteen te zetten dat door het OM – naar zijn mening – voldoende adequaat tegen een officier wordt opgetreden wanneer deze een fout maakt.
Verder merken verweerders op dat in de e-mail van 28 januari 2010 weliswaar door klagers is verzocht om het verwerken van het wederhoor van Brouwer in de zaak-Prins, maar dat in het telefonisch contact het steeds draaide om het vermelden van de namen van de zaaksofficieren. Dat kennelijk een oplossing wordt gezocht voor het probleem met geheimhoudersgesprekken doet – zoals door klagers gesteld – verder niet af aan de op dit punt herhaaldelijk gemaakte fouten en het uitblijven van maatregelen tegen de betrokken officieren.
Ten aanzien van de klacht betreffende de vermelding van namen van officieren merken verweerders op dat de namen van de in de uitzending genoemde aanklagers bij de betrokken verdachten reeds lang bekend zijn. Een veiligheidsrisico is door het vermelden van die namen dus niet ontstaan. Daarbij komt dat de namen van de zaaksofficieren in de geruchtmakende dossiers veelal ook bij een breder publiek bekend waren. De betrokken officieren worden immers vaak in de pers genoemd. In dat kader achten verweerders van belang dat zij misstanden aan de kaak stellen en zich daarbij hebben gericht op het beleid in het algemeen, en niet op individuen.
Verder stellen verweerders dat Zembla een televisieprogramma is waarin zaken zoveel mogelijk worden gevisualiseerd, vandaar dat zij gebruik hebben gemaakt van de animatie met de namen van de officieren op de celmuur. Alle op de muur geschreven namen corresponderen met namen die zijn opgenomen in de door Zembla gepubliceerde lijst en passen in de context van de uitzending. Het in de animatie vermelden van namen van officieren die niet rechtstreeks aan een in de uitzending behandelde zaak zijn gekoppeld, achten verweerders verantwoord. Die namen komen slechts vluchtig in beeld en zullen niet bij het publiek beklijven.
 
Ter zake van de publicatie van de lijst op hun website stellen verweerders dat uitvoerig onderzoek is verricht. De medewerkers van Zembla hebben een lijst opgesteld met uitspraken waarin door rechters is vastgesteld dat door het OM, dan wel het onder verantwoordelijkheid daarvan vallende opsporingapparaat, fouten waren gemaakt. De lijst is gerubriceerd op de initialen van de betrokken officieren, hetgeen niet leidt tot enige bekendheid, althans niet buiten de eigen kring. Juist door het citeren uit de vonnissen en de arresten wilden verweerders zich hoeden voor het onjuist weergeven van rechterlijke overwegingen dan wel onjuiste interpretatie daarvan. Voorts is de lijst door de onderzoekers voorgelegd aan en becommentarieerd door een tweetal onafhankelijke strafrechtdeskundigen, te weten Blekxtoon en Kaptein. Tijdens het interview met Brouwer op 25 januari 2010 is getracht de lijst aan klagers te overleggen. Brouwer weigerde echter de lijst in ontvangst te nemen. Op 28 januari 2010 hebben verweerders de lijst opnieuw aan het OM aangeboden en een dag later is de lijst per email verzonden. Zembla heeft zich bereid verklaard om kennelijke onjuistheden in de lijst te corrigeren. Verweerders hebben echter geen gehoor willen geven aan het verzoek dan wel de sommatie van het OM tot de verwijdering van de lijst van hun website in afwachting van een eigen onderzoek door het OM. Zembla heeft wel op haar site melding gemaakt van het onderzoek van het OM. De discrepantie tussen de bevindingen van Zembla en die van het WBOM laat zich zeer eenvoudig verklaren. Het WBOM werkt namelijk met een tot op het bot gefileerd ‘fout-begrip’, waardoor er nauwelijks zaken overblijven waarin nog van een fout van het OM sprake zou zijn. Naar het oordeel van verweerders heeft het onderzoek van de WBOM de fundamenten van de lijst niet aangetast, uit het onderzoek blijkt eens te meer dat de lijst correct is. Zo kan van 59 zaken op de lijst sowieso gesteld worden, ook volgens het OM, dat sprake is van een juridisch verwijt. Hierbij is het – vanuit het door verweerders ingestoken burgerperspectief – niet van belang of de betrokken aanklager een persoonlijk verwijt valt te maken, of sprake is van opzet, of dat opzettelijk falen aangetoond kan worden. In alle gevallen waarin de rechter oordeelt dat grenzen zijn overschreden, heeft het OM maatschappelijk gezien een fout gemaakt. Verweerders hebben bij de formulering van het begrip ‘fout’ in maatschappelijk en journalistiek opzicht juiste maatstaven aangelegd. Verweerders hebben zich voor de lijst niet uitsluitend op rechterlijke uitspraken gebaseerd, maar ook op andere controleerbare bronnen. Hierbij hebben verweerders de zaken logischerwijs vanuit het burgerperspectief benaderd, waarbij zij dus ook de niet-onherroepelijke zaken noemen. Ook komt een zaak, indien daarin verschillende officieren waren betrokken, meer dan eens op de lijst voor. Dit past in de door Zembla gebruikte onderzoeksmethode; de officieren zijn het onderzoeksvoorwerp, niet de zaken.
Ter zake van het wederhoor stellen verweerders zich op het standpunt dat zij in de lijst niet meer hebben gedaan dan uitspraken althans andere uit openbare bronnen bekende zaken te rubriceren en de feiten in de lijst op een rij te zetten. Daarbij is wederhoor voldoende toegepast. Brouwer is in de uitzending uitvoerig aan het woord gelaten. Deze uitzending moet in onlosmakelijk verband met de lijst worden gezien. Weliswaar was Brouwer ten tijde van het interview nog niet op de hoogte van de exacte inhoud van de lijst, hij was wel bekend met het onderwerp van de uitzending en de beschuldigingen die daarin zouden worden geuit. Tevens mochten verweerders Brouwer bekend veronderstellen met de zaken die op de lijst worden genoemd. De visie van het OM maakt Brouwer in de uitzending reeds voldoende duidelijk. De lijst is overigens niet als onzorgvuldig aan te duiden wanneer daarin een of meer initialen verkeerd vermeld hebben gestaan. Van die initialen is voor het grote publiek immers geen enkele herkenbaarheid uitgegaan. Bovendien hebben verweerders zich steeds bereid getoond een kennelijke verschrijving te herstellen.
Verweerders concluderen dat zij met hun uitingen en gedragingen geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op hun journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat de uitzending, de door verweerders op hun website gepubliceerde lijst alsmede de verdere berichtgeving daarover ernstige beschuldigingen aan het adres van klagers bevatten, zonder deugdelijke grondslag en zonder voldoende toepassing van wederhoor, waardoor de integriteit van klagers ten onrechte ernstig is aangetast.
De kern van de klacht bestaat aldus uit de volgende onderdelen:
  1. de uitzending van 31 januari 2010 en het daaraan voorafgaand op de website gepubliceerde persbericht;
  2. de op de website van Zembla gepubliceerde ‘lijst van falende officieren van justitie’.
Verweerders hebben aangevoerd dat zij het beleid van het OM aan de orde hebben willen stellen en met name de vraag of officieren van justitie nog verder carrière mogen maken na – al dan niet bewust – gemaakte fouten.
 
De Raad overweegt – en dit is tussen partijen ook niet in geschil – dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar (vermeend) onoorbaar handelen van klagers. Het is immers een taak van de journalistiek om misstanden aan de kaak te stellen.
Het voorgaande neemt echter niet weg dat een journalist bij zijn onderzoek zorgvuldig te werk moet gaan. Bij het publiceren van beschuldigingen dient hij te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punten 2.2.5. en 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
 
Ad 1.
In de uitzending en het persbericht is onder meer beweerd dat:
-          ‘officieren van justitie soms grote fouten maken, waardoor moordenaars vrijuit gaan dan wel onschuldige mensen de cel ingaan’
-          ‘officieren de wet overtreden en bewust fouten maken, zonder dat er sancties volgen’
-          ‘ontlastend bewijs door officieren willen en wetens achter wordt gehouden’
-          ‘blunderende officieren uit de wind worden gehouden’.
In dat verband is aandacht besteed aan een aantal specifieke rechtszaken, waarbij de namen van de betrokken OM-functionarissen zijn vermeld. Ten aanzien van deze functionarissen is vermeld dat zij ‘bewust fouten hebben gemaakt en hebben gefaald’. Ook namen van andere officieren van justitie zijn in de uitzending getoond.
 
Hoewel verweerders kennelijk hebben beoogd het algemeen functioneren van het OM aan de orde te stellen, betreft zulks slechts een deel van de gewraakte uitzending, die immers – zoals hiervoor uiteengezet – tevens ziet op (vermeende) concrete fouten van met name genoemde personen.
Ter zake van de grondslag voor deze beschuldigingen hebben verweerders aangevoerd dat zij zich hebben gebaseerd op betrouwbare en onafhankelijke bronnen – waaronder vonnissen en andere processtukken – en eigen nader onderzoek. Daarbij hebben verweerders geconcludeerd dat sprake is van een patroon en dat de fouten die al dan niet ‘opzettelijk’ c.q. ‘willens en wetens’ door officieren van justitie zijn gemaakt door het OM niet worden gesanctioneerd.
 
In dit geval is naar het oordeel van de Raad onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de door de vonnissen gedragen feiten en omstandigheden enerzijds en de daarop gebaseerde mening en opinie van verweerders anderzijds. (zie punt 1.4. van de Leidraad)
Voorts hebben verweerders ervoor gekozen om de vonnissen waarop zij hun conclusies hebben gebaseerd in eigen woorden te vatten dan wel slechts gedeeltelijk weer te geven. Hoewel dit de begrijpelijkheid voor de kijkers ten goede kan komen, dient daarmee zorgvuldig te worden omgegaan, zeker waar het vonnissen betreft die met grote nauwkeurigheid van woordkeuze plegen te worden opgezet. Voorkomen moet worden dat de parafrases en citaten van dien aard zijn dat daarmee een andere betekenis c.q. lading aan de feiten wordt gegeven, dan in de gebruikte bronnen.
 
Naar het oordeel van de Raad is in de uitzending en de daarbij behorende berichtgeving bovendien onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de organisatie van het OM, de leden daarvan in hun ambt en individuele personen. Als gevolg daarvan bevatten de artikelen ernstige beschuldigingen die niet zozeer zijn gericht tegen het beleid van het OM inzake het functioneren van officieren, maar ook individuele leden van het OM in hun persoon raken. Ook om die reden was extra zorgvuldigheid geboden.
Verweerders mochten de door hen behandelde zaken niet slechts vanuit ‘burgerperspectief’ bezien, zonder daarbij de formeel juridische kant in het oog te houden. Dit klemt te meer nu OM-functionarissen individueel worden beschuldigd en hun namen zijn vermeld.
 
Gelet op de aard en de ernst van de beschuldigingen alsmede de wijze waarop deze in de uitzending en de berichtgeving zijn gepresenteerd, had het op de weg van verweerders gelegen de concrete reactie van Brouwer betreffende de vuurwerkramp in Enschede en de zaak-Prins in de uitzending weer te geven. Ook had ten aanzien van eerstgenoemde zaak eenvoudigweg het rapport van de Rijksrecherche genoemd kunnen worden, hetgeen verweerders ten onrechte hebben nagelaten. Dat de vermelding van dit rapport mogelijkerwijs zou hebben afgedaan aan de begrijpelijkheid van de uitzending, zoals verweerders stellen, doet aan de verantwoordelijk van verweerders ter zake niet af.
 
Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de Raad van oordeel dat verweerders op dit punt grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door over klagers en individuele OM-functionarissen te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan en na te laten de reactie van Brouwer in bepaalde zaken achterwege te laten.
 
Ad 2.
De Raad is van oordeel dat van verweerders – gelet op de mogelijke impact van het onderwerp en de aard en ernst van de beschuldigingen – meer zorgvuldigheid en genuanceerdheid ter zake van de inhoud van de lijst had mogen worden verwacht. Klagers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat verweerders onvolledig hebben geciteerd uit door hen geraadpleegde bronnen – zoals rechterlijke uitspraken – waardoor in een aantal weergegeven zaken een onjuist beeld is geschetst.

Dat verweerders de betrokken OM-functionarissen alleen met initialen hebben aangeduid, doet er niet aan af dat die functionarissen – door de vermelding van diverse andere gegevens – voor een ieder eenvoudig traceerbaar zijn. De aanvankelijke publicatie van de lijst acht de Raad dan ook journalistiek onzorgvuldig.
 
Echter, verweerders hebben vervolgens op hun website de reactie van het OM weergegeven en met een link verwezen naar het WBOM-rapport. Verweerders hebben daarmee alsnog een genuanceerd beeld van het vraagstuk gegeven, dat de bezoeker van de website voldoende ruimte biedt de verschafte informatie te wegen.
 
Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders aldus de hiervoor bedoelde onzorgvuldigheid op deugdelijke wijze rechtgezet. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat de omissie van verweerders gedeeltelijk is te wijten aan een gebrek aan transparantie bij het OM, dat immers de lijst voorafgaand aan de publicatie voor commentaar toegestuurd heeft gekregen. Dit onderdeel van de klacht is daarom ongegrond. (vgl. punt 6.1. van de Leidraad van de Raad)
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op de uitzending en de daarbij behorende voorafgaande berichtgeving op de website van Zembla. De klacht is ongegrond voor zover deze betrekking heeft op de ‘lijst falende officieren van justitie’, gepubliceerd op de website van Zembla.
 
De Raad verzoekt verweerders bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van Zembla alsmede deze beslissing integraal of in samenvatting op hun website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 17 december 2010 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, mw. A.C. Diamand, mr. T.E. Klein, mw. E.J.M. Lamers en A. Mellink MPA, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.