2010/51 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek

inzake de klacht van

 

X

 

tegen

 

G. Leistra en de hoofdredacteur van Elsevier

 

Bij brief van 28 oktober 2010 met twee bijlagen heeft mr. A. Ester, advocaat te Zwijndrecht, namens X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen G. Leistra en de hoofdredacteur van Elsevier (hierna: verweerders). Daarbij heeft klaagster verzocht om versnelde behandeling. Gelet op artikel 2 lid 3 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad, heeft de voorzitter van de Raad dit verzoek toegewezen.

Voorts heeft de Raad een afschrift ontvangen van een brief van J.A.S. Joustra, hoofdredacteur van Elsevier, aan de raadsman van klaagster van 2 november 2010. Naar deze brief heeft Joustra vervolgens verwezen in een brief van 9 november 2010. Bij brief van 15 november 2010 heeft Joustra de Raad nog een kopie gestuurd van zijn brief aan de raadsman van klaagster van diezelfde datum.

Klaagster heeft ten slotte bij brief van 18 november 2010 nog twee bijlagen overgelegd.

 

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 19 november 2010. Namens klaagster zijn daar verschenen voornoemde mr. Ester, de heer […] (directeur-eigenaar van klaagster) en de heer […] (mede-directeur van klaagster). Mr. Ester heeft het standpunt van klaagster toegelicht aan de hand van een pleitnota. Verweerders zijn niet ter zitting verschenen.

 

DE FEITEN

 

Op 2 oktober 2010 is in Elsevier een artikel van de hand van Leistra verschenen onder de kop “Kogelgaten en heroïne” en de onderkop “Limburg wordt wanhopig van Marokkaanse drugsrunners en van de rechter die gerichte aanpak blokkeert. ‘Het is altijd raak’” De intro van het artikel luidt:

“Maastricht wordt geplaagd door bewapende Marokkaanse drugshandelaars uit Rotterdam, Gouda en Utrecht die nergens voor terugdeinzen. Slimme camera’s maken het mogelijk ze als het ware met een ‘pincet’ van de A2 te plukken, maar dat mag niet meer. ‘We zouden de handel met wortel en tak kunnen uitroeien.’”

Het artikel bevat onder de tussenkop “Opdrachtgevers” de volgende passage:

“De runners zijn in feite simpele uitvoerders, maar wie zijn hun opdrachtgevers? Analyse van alle beschikbare informatie heeft zes onderzoeken opgeleverd tegen zogeheten criminele samenwerkingsverbanden. Daarbij gaat het onder meer om autoverhuurbedrijf [X] in Rotterdam. Maar er is ook zicht op de Turkse leveranciers van de heroïne.

Hoofdinspecteur Bouwknegt: ‘We weten de namen, kennen de panden, we hebben zelfs de drugslijnen vanuit Turkije naar Rotterdam in beeld. We zouden de hele handel met wortel en tak kunnen uitroeien, maar komen daar niet aan toe.’”

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

 

Klaagster betwist de juistheid van de aan haar adres geuite beschuldiging dat zij deel uitmaakt van een crimineel samenwerkingsverband dat zich bezig zou houden met drugshandel. Er is geen sprake van een daadwerkelijke strafrechtelijke vervolging, laat staan strafrechtelijke veroordeling van klaagster ter zake van deze beschuldiging. Voorts blijkt uit het artikel niet dat verweerders daadwerkelijk onderzoek hebben gedaan naar de grondslag van die bewering. Volgens klaagster heeft de Hoofdofficier van Justitie te Maastricht inmiddels laten weten dat de gewraakte uitlating niet is gedaan door de Officier van Justitie die in het artikel is genoemd. Verder stelt klaagster dat het onderliggende bewijs waarop de politie zich zou moeten baseren tot op heden door politie of Justitie niet aan klaagster is getoond, laat staan dat verweerders dat in het artikel hebben gedaan. In het artikel wordt ook niet onderbouwd waarom de functionaris of functionarissen die de uitlatingen over klaagster hebben gedaan, hebben toegelicht waarom men zo zeker weet dat klaagster zou behoren tot een crimineel samenwerkingsverband.

Ter zitting deelt mr. Ester mee dat klaagster wel betrokken is bij een justitieel onderzoek ter zake, omdat drugsrunners gebruik hebben gemaakt van huurauto’s van klaagster. Klaagster wordt echter niet verdacht van deelname aan een crimineel samenwerkingsverband.

Verder stelt klaagster dat zij niet is benaderd door verweerders om zich in het kader van hoor en wederhoor tegen de beschuldigingen te kunnen verweren. Klaagster is niet in de gelegenheid gesteld om zonder onredelijke tijdsdruk in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. Klaagster benadrukt dat door verweerders geen uitleg of rechtvaardiging is gegeven betreffende het gebrek aan wederhoor.

Naar aanleiding van de opmerking van verweerders dat zij op 19 oktober 2010 telefonisch contact hebben gehad met klaagster, licht mr. Ester ter zitting toe dat verweerders hebben gesproken met een medewerkster van klaagster, die zelf contact had opgenomen met verweerders omdat zij in haar privéleven negatieve consequenties van de publicatie ondervond. Het had verweerders duidelijk moeten zijn dat deze medewerkster in het gesprek niet optrad als woordvoerder van klaagster.

Klaagster heeft het aanbod van verweerders tot het publiceren van een ingezonden brief verworpen, omdat de publicatie van zo een brief in dit geval geen nut zou hebben. Zij heeft geen enkele behoefte aan publiciteit waarbij haar naam opnieuw in verband wordt gebracht met criminele handelingen; dergelijke publiciteit wenst zij juist te voorkomen.

Verder licht klaagster toe dat zij zich na de publicatie niet eerst tot Leistra heeft gewend, omdat contact met Leistra mogelijk tot een nieuwe publicatie zou leiden en zij – vanwege de gewraakte publicatie – er geen vertrouwen in had dat Leistra terughoudend zou zijn. Klaagster heeft uiteindelijk wel een brief aan de hoofdredacteur van Elsevier gestuurd, waarin zij haar bezwaren heeft kenbaar gemaakt, maar zij heeft daarop geen inhoudelijke reactie ontvangen.

Verder meent klaagster dat haar privacy is geschonden, doordat zij een zakelijk belang heeft niet geassocieerd te worden met de beschuldigingen zoals opgenomen in het artikel. Daarbij kan volgens haar niet worden gesteld dat de vermelding van haar naam in een redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. Volgens klaagster hadden verweerders kunnen volstaan met een vagere omschrijving, zoals ‘een autoverhuurbedrijf uit Rotterdam’. Omdat er slechts één autobedrijf met de desbetreffende naam in Rotterdam actief is, is sprake van een onevenredige schending van haar rechtmatige belangen en goede naam, aldus klaagster. Zij benadrukt dat ook een rechtspersoon schade kan leiden en dat verzekeringsmaatschappijen en banken haar inmiddels vragen hebben gesteld naar aanleiding van de publicatie.

Ten slotte merkt mr. Ester ter zitting nog op dat het indienen van een klacht bij de Raad wel strookt met de wens van klaagster om buiten de publiciteit te blijven, omdat klaagster anders iedere mogelijkheid wordt onthouden zich te verweren tegen de handelwijze van verweerders.

 

Verweerders stellen dat het voor de hand had gelegen dat klaagster eerst contact met hen had gezocht. Een dergelijk contact had bijvoorbeeld kunnen leiden tot plaatsing van een ingezonden brief waarin klaagster de door de politie en het Openbaar Ministerie geuite beschuldigingen had kunnen weerspreken, hetgeen nog steeds een optie is.

Verder stellen verweerders dat Leistra op 19 oktober 2010 telefonisch contact gehad heeft met klaagster over de herkomst van informatie. Verweerders zijn verbaasd over het verzoek van klaagster om inhoudelijk op haar klacht te reageren, nu klaagster geen afspraak wilde maken voor een ontmoeting met Leistra terwijl dit in het gesprek van 19 oktober was overeengekomen.

Ten aanzien van de gewraakte passage menen verweerders dat daarin slechts als feit is gemeld dat analyse van de beschikbare informatie zes onderzoeken heeft opgeleverd tegen criminele samenwerkingsverbanden en dat het daarbij onder meer gaat om klaagster. Volgens verweerders hebben zij dit niet lichtvaardig opgeschreven, maar weten zij zich gesteund door gedegen bronnen. In het artikel zijn de recherche van Limburg-Zuid, de Nationale Recherche en het Openbaar Ministerie in Maastricht genoemd, aldus verweerders.

Verweerders vinden het jammer dat klaagster geen gebruik wil maken van het aanbod om haar zienswijze in een ingezonden brief duidelijk te maken en benadrukken dat de ingediende klacht bij de Raad ook publiciteit genereert.

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

 

Kern van de klacht is dat klaagster in het artikel is genoemd en ten onrechte is aangemerkt als (deel van een) crimineel samenwerkingsverband, zonder toepassing van wederhoor.

 

In de gewraakte passage wordt als vaststaand feit gepresenteerd dat analyse van alle beschikbare informatie zes onderzoeken heeft opgeleverd tegen zogeheten criminele samenwerkingsverbanden en dat het daarbij onder meer gaat om klaagster. Klaagster is de enige die in dit verband, zonder verdere uitleg, wordt genoemd.

 

De Raad overweegt dat de journalist waarheidsgetrouw behoort te berichten. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. De journalist behoeft geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punten 1.1. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)

 

Voorts dient de journalist bij het publiceren van beschuldigingen te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Daarnaast past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. Het beginsel van wederhoor geldt niet voor berichtgeving van feitelijke aard. Desalniettemin kan een dergelijke publicatie iemands belang zodanig raken dat wederhoor geboden is. (zie punten 2.2.5., 2.3.1. en 2.3.4. van de Leidraad)

 

Verweerders hebben kennelijk gebruik gemaakt van een groot aantal bronnen bij politie en justitie. Zij mochten daarom in beginsel uitgaan van de juistheid van de door deze bronnen aan hen verschafte informatie.

Echter, ten aanzien van de als feitelijk gepresenteerde bewering over klaagster, dat zij deel zou uitmaken van een crimineel samenwerkingsverband – waardoor haar bedrijf in ernstige mate wordt gediskwalificeerd – wordt in het artikel onvoldoende duidelijk gemaakt, waarop die is gebaseerd. In het artikel worden weliswaar enkele bronnen bij naam opgevoerd maar het is onvoldoende duidelijk dat bovengenoemde bewering over klaagster op een van deze bronnen is te herleiden.

 

Gelet op de ernst en impact van die bewering had het op de weg van verweerders gelegen hetzij die informatie meer expliciet toe te schrijven aan (een) specifieke gezaghebbende bron(nen) dan wel klaagster de gelegenheid te geven daarop te reageren. Gesteld noch gebleken is dat verweerders voorafgaand aan de publicatie hebben geprobeerd contact te leggen met klaagster om wederhoor toe te passen.

 

Het voorgaande in aanmerking genomen hadden verweerders terughoudender behoren te zijn bij de aanduiding van klaagster. Zij hadden in dit geval klaagster ook anoniem kunnen opvoeren als bijvoorbeeld ‘een autoverhuurbedrijf uit Rotterdam’. Gesteld noch gebleken is dat door het weglaten van de naam van klaagster een onaanvaardbare onduidelijkheid voor de lezer zou zijn ontstaan. Evenmin zou dit afbreuk hebben gedaan aan de informatieve waarde van het artikel waarin op overigens deugdelijke journalistieke wijze een ernstige maatschappelijke misstand aan de kaak wordt gesteld.

 

Door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld, hebben verweerders de grenzen overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk toelaatbaar is. Dat verweerders na de publicatie klaagster inmiddels alsnog de gelegenheid hebben geboden haar visie op de zaak te geven in een ingezonden brief, kan daaraan niet afdoen.

 

BESLISSING

 

De klacht is gegrond.

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 14 december 2010 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, mw. drs. R.T. Kervezee, mw. M.J. Rietkerk en mw. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, adjunct-secretaris.