2010/50 deels-gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek

inzake de klacht van

 

X

 

tegen

 

de hoofdredacteur van TROS Opgelicht?!

 

Bij brief van 12 oktober 2010 heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Opgelicht?! (hierna: verweerder). Daarbij heeft klager verzocht om versnelde behandeling. Gelet op artikel 2 lid 3 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad, heeft de voorzitter van de Raad dit verzoek toegewezen. Verweerder heeft niet op de klacht gereageerd.

 

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 19 november 2010. Partijen zijn daar niet verschenen.

 

DE FEITEN

 

Op 5 oktober 2010 is in een uitzending van het televisieprogramma Opgelicht?! aandacht besteed aan zogeheten ‘payroll-fraude’. In de uitzending komen diverse personen aan het woord, onder wie verschillende gedupeerden en een woordvoerder van de Vereniging Payroll Ondernemingen. Een groot deel van de uitzending gaat over E. Neijhoft, eigenaar van een onderneming die van payroll-fraude wordt beschuldigd, en diens relatie met klager. De presentatrice leidt de uitzending in als volgt:

“Een paar weken geleden besteedden wij aandacht aan payroll-fraude. Voor de redactie ook een betrekkelijk nieuw fenomeen. Naar aanleiding van die uitzending kregen wij veel reacties van uitzendbureaus, die ook benaderd of benadeeld zijn door fraudeurs uit het noorden van het land. Ons onderzoek gaat verder en wij komen erachter dat frauderende bedrijven niet alléén handelen. En dat er veel meer aan de hand is.”

 

Iets later in de uitzending wordt uitgelegd wat payroll-fraude is, waarbij beelden worden getoond van de uitzending van TROS Opgelicht?! van 21 september 2010. Vervolgens komen gedupeerden aan het woord en wordt een overzicht gegeven van ondernemingen en personen die bij payroll-fraude zouden zijn betrokken. De naam van klager wordt hierbij niet genoemd. Hierna worden opnamen getoond die zijn gemaakt bij bedrijven die van payroll-fraude worden beschuldigd. In dat verband wordt Neijhoft geïnterviewd. Tijdens dit interview meldt de voice-over:

“Voor de deur bij het bedrijf zien we deze vrachtwagen staan. Neijhoft ontvangt hiervan bekeuringen. Ook zien we dat er bezoek is, ene meneer [X]. [X], een naam die nog vaker op zal duiken.”

 

Verderop in de uitzending vervolgt de presentatrice:

“Volgens Neijhoft zijn de handtekeningen op de papieren die naar de payroll-bedrijven gestuurd zijn, vervalsingen van de zijne. Maar waarom hij überhaupt BV’s op zijn naam heeft laten zetten, vertelt hij straks. Wij beginnen zijn verhaal, toen hij nog gewoon monteur was.”

Voice-over:

“Elroy Neijhoft werkt in 2007 als onderhoudsmonteur bij het transportbedrijf van Altinus Klaassen. In deze periode is [X] daar ook werkzaam. Die ziet wel carrièrekansen voor Elroy.”

Klaassen:

“En wij moesten een goede man op de werkplaats hebben, en toen zei [X] al van: ‘Dan moet je Elroy nemen. Die is een hele goede man, die kan wel chef-werkplaats worden.’ Met zijn diploma’s, kennis en kunde. En zijn jeugdige leeftijd van 21, zonder enige ervaring. Ja, ik zei wat is dat voor waanzin.”

Neijhoft:

“En zo kwam ik met [X] in contact. Hij wist dan van Altinus Klaassen dat de wasstraat, dat Altinus zeg maar de wasstraat uit handen wou geven. En of ik dat dan wou doen.”

Klaassen:

“Iemand die dus wat in zijn mars heeft, en daar voor gaat, die kan dan gewoon die wasstraat, geld mee verdienen en heeft één grote vaste klant, dat ben ik dan.”

Neijhoft:

“Ik heb absoluut geen verstand van bedrijven of administratie. En op een gegeven moment, hij deed de administratie ook bij Altinus Klaassen. Dus de deal was dan meer zo van, hij zou dat dan betalen, hij zou de administratie voor mij gaan doen. En ik zou gewoon het bedrijf runnen, zo goed als ik kon.”

Voice-over:

“Elroy gaat aan de slag met de wasstraat. Maar al snel blijkt dat er een hoog oplopende ruzie gaande is tussen Altinus Klaassen en zijn boekhouder.”

Neijhoft:

“Je krijgt op een gegeven moment in zoverre mee dat ook Altinus inderdaad ruzie had met [X], want er zou dan geld zijn verdwenen. En hij was bestolen, vond ie.”

Voice-over:

“Uit de administratie van Altinus Klaassen blijkt dat er op grote schaal gefraudeerd is. [X] deed op dat moment de boekhouding.”

Klaassen:

“In eerste instantie heeft hij € 267.500 bewijsbaar hadden we direct binnen anderhalve maand in beeld en heeft hij buitgemaakt. Daar hebben we hem ook direct voor aansprakelijk gesteld.”

Voice-over:

“Met behulp van een advocaat wordt hij gedwongen de ruim 2,5 ton terug te betalen.”

Klaassen:

“Toen wilde hij dat eerst direct terugbetalen, tegen finale kwijting. Toen dacht ik: ‘Ja, om de dooie dood niet, niet tegen finale kwijting, want als je dat wil, dan zit er nog meer.’”

Voice-over:

“En dat vermoeden blijkt te kloppen.”

Klaassen:

“Die 267 was nog maar een schijntje ten opzichte van wat er nog meer weg is hier. Meneer [X]: ik heb zo’n dik dossier aangelegd van jou. Alles met cijfermatig onderbouwd wat jij hier allemaal hebt verduisterd, en weggewerkt, en de manier waarop, en hoe je het gedaan hebt, heb ik helemaal inzichtelijk.”

Voice-over:

“Wederom wordt de boekhouder op het matje geroepen bij de advocaat van Altinus Klaassen.”

Klaassen:

“Het is inmiddels zoveel, het water staat mij zakelijk gezien tot aan m’n lippen. Ik kan het haast hier niet meer overleven zo, dat komt omdat jij hier voor tonnen weggesluisd hebt.”

Interviewer:

“Hoeveel?”

Klaassen:

“D’r is nu nog weg, een ton of zeven.”

Voice-over:

“Maar het weekend voor het bezoek aan de advocaat neemt het verhaal voor Altinus Klaassen een dramatische wending. De bewijslast wordt gestolen.”

Klaassen:

“Alle boekhouding, van begin tot einde, is volledig weg. Het hart van je zaak is weg, ik kan niks meer. Auto’s zijn op dat moment onderweg in Europa, en dan praat je over 45 auto’s, die zijn leeg, de planner weet niet waar ze naar toe moeten. Je hele administratie, je boekhouding, je planning: alles is weg. Dus, de kosten van buiten het verlies, buiten wat gestolen is, de directe kosten die dan boven tafel komen, die wil je niet weten met 45 auto’s. Wij hebben het overleefd, maar heeft dan wel geresulteerd in het feit dat wij goed een jaar later twee vennootschapen hebben moeten laten failleren omdat je gewoon niet over dat dode punt heen komt van wat al weg was.”

Voice-over:

“Voor Klaassen is het duidelijk wie er achter deze diefstal zit.”

Klaassen:

“Alles wat hem beschadigt, is allemaal weg. Dan is er maar één die het gedaan kan hebben, of die er belang bij had, zeg ik maar en dat is [X]. En dat heb ik vanaf de eerste seconde gezegd.”

Voice-over:

“Maar ook Elroy Neijhoft wordt verdacht van betrokkenheid bij de diefstal. Hij is op de bewuste avond als laatste in het pand geweest, blijkt uit de digitale sleutelregistratie.”

 

Iets later zet Klaassen uiteen dat hij denkt dat Neijhoft met de diefstal te maken heeft. Hij vervolgt:

“In zijn naïviteit, in zijn onschuld is hij continu gebruikt, misbruikt door [X]. Dat zeg ik hardop. En die heeft daar gretig gebruik van gemaakt. Ik heb, dat mag duidelijk zijn, geen goed woord over voor [X], die vooral dat soort naïeve jongens weet te manipuleren en kapot te maken.”

Vervolgens legt Neijhoft uit waarom hij BV’s op zijn naam zette en dat hij op een gegeven moment geen salaris meer ontving. Neijhoft stelt – kort gezegd – dat klager op hem inpraatte en dat hij zelf te naïef was. Neijhoft vertelt over problemen thuis en stelt dat klager hem aanbood om lege bedrijven op zijn naam te zetten. Vervolgens vertelt hij over zijn arrestatie.

 

Verderop in de uitzending zegt de presentatrice:

“We nemen de levenswandel van [X] onder de loep en ontdekken dat deze voormalige registeraccountant veelvuldig de belastingdienst benadeeld heeft door valse winst- en verliesrekeningen op te maken. De officier van justitie eiste 30 maanden celstraf tegen hem, maar hij komt weg met een taakstraf.

(…)

Op 9 april 2009 wordt hij ook nog eens persoonlijk failliet verklaard. In een van de meest recente faillissementen, die van RRW, heeft de FNV een grote rol gespeeld. Bij ons aan tafel: Edwin Atema van FNV Bondgenoten. U kwam op voor de werknemers van RRW toen ze geen loon meer uitbetaald kregen. Wat was uw indruk van de heer [X]?”

Atema:

“Nou, de Fabeltjeskrant.”

Hierna legt Atema uit dat hij van Klaassen hoorde over klager. Hij stelt dat klager geen kennis had van transport, niet over de juiste vergunningen beschikte en chauffeurs meerdere malen te laat salaris betaalde. De chauffeurs hebben actie gevoerd in de tuin van klager. Volgens Atema heeft een advocaat vervolgens aangeboden dat de werknemers bij een andere onderneming in loondienst konden treden, maar daarmee zijn de werknemers niet akkoord gegaan. Ten slotte is het bedrijf van klager failliet gegaan.

Presentatrice:

“Hoe stond [X] bekend in de omgeving, weet u daar iets van?”

Atema:

“Nou kijk, als je een naam Googled tegenwoordig dan weet je al gauw wat voor vlees je in de kuip hebt. Maar daar mag je natuurlijk absoluut niet over oordelen. Iedereen krijgt de kans van de vakbond en natuurlijk van de leden.”

Presentatrice:

“Maar wat waren dan toch de geluiden die u zoal opving?”

Atema:

“Nou kijk, de faillissementsverslagen zie je, valsheid in geschrifte kom je tegen, het verhaal van Klaassen. Iemand heeft geen verstand van transport maar doet alsof hij de halve wereld heeft. Ja, dat voel je aan je water dat dat niet kan.”

Presentatrice:

“Komt dat vaak voor in de transportbranche, dit soort faillissementsfraude?”

Atema:

“Ja, faillissementen, faillissementsfraude, de malafide doorstarters komen we regelmatig tegen. We kunnen de rest van het seizoen nog wel vullen aan uitzendingen met dossiers van ons. (…)”

 

Iets later zegt de presentatrice:

“Wij willen nou wel eens spreken met de man die volgens velen zoveel schade in de samenleving heeft veroorzaakt.”

Vervolgens start een item, waarbij klager herkenbaar in beeld is.

De interviewer loopt op klager af en zegt:

“Meneer [X].”

Klager:

“Ja.”

Interviewer:

“Hallo, ik ben van TROS televisie, TROS Opgelicht?! Ik heb een vraag aan u. Verbaast u dat? Over Elroy bijvoorbeeld, Elroy Neijhoft.”

Klager, die zijn handen voor de camera brengt:

“Ik wil niet opgenomen worden.”

Interviewer:

“Ik wil gewoon wat vragen. We hebben Elroy ook vragen gesteld. Heeft u enig idee wat u Elroy heeft aangedaan? Deze jongen heeft 3 tot 4 miljoen euro schuld. Er zijn BV's op zijn naam gekomen. Daar is payroll-fraude mee gepleegd. Wat weet u daarvan? U bent anders wel in staat mensen uw verhaal te vertellen, maar ons blijkbaar niet. Waarom zegt u nu niks? Meneer [X]?”

Klager stapt in een auto en rijdt weg. De voice-over bericht:

“Hij vertrekt nog niet. We proberen hem nog eens tot antwoorden te bewegen.”

De interviewer spreekt tegen klager, terwijl deze zit in zijn auto met draaiende motor en een mobiele telefoon vasthoudt:

“Meneer [X]? Mag ik u misschien wat vragen stellen? Waarom wilt u nu niet reageren, meneer [X]? Er zijn bijvoorbeeld vier auto's geleasd, meneer [X], vier BMW's, wat weet u daarvan? Daar rijden nu mensen in. Heeft u enig idee wie dat zijn? U deed de boekhouding van Altinus Klaassen, daar is zeven ton verdwenen. De boekhouding is gestolen. Wat weet u daarvan? En ook de FNV is niet bepaald uw beste vriend.”

Voice-over:

“Geen reactie. Maar als we opnieuw denken dat hij vertrekt, hebben we het weer mis.”

Interviewer tegen klager, die inmiddels uit zijn auto is gestapt:

“Waarom wilt u niet reageren, meneer [X]?”

Geduw en geroep:

“Hee, hee.”

“Godverdomme! Laat me los, jongen!”

“Hee, kijk nou uit, pak die camera!”

“Hee, kom op.”

Klager tegen twee heren die komen aanlopen:

“Ik word hier gewoon vastgehouden.”

De twee heren tegen de verslaggever en cameraman:

“Ja, heren, willen jullie nu de andere kant opgaan? Jullie zijn nu klaar? Jullie vertrekken nu van dit terrein.”

Presentatrice:

“Nou, weinig bereidheid tot gesprek.”

Daarmee is het item over klager beëindigd.

 

HET STANDPUNT VAN KLAGER

 

Klager stelt allereerst dat de opnamen van hem en zijn vrouw zijn gemaakt op het terrein van GGZ Drenthe, terwijl hij net een moeilijk gesprek met een psycholoog had gehad. Klager wijst erop dat het GGZ-terrein is afgesloten met een slagboom en dat staat aangegeven dat het terrein slechts toegankelijk is voor personeel en patiënten. Ook de directeur van de instelling heeft bij de verslaggever c.q. verweerder erop aangedrongen te stoppen met filmen en de beelden niet uit te zenden. Klager meent dat hij nooit op het GGZ-terrein gefilmd had mogen worden en dat verweerder de beelden niet had mogen uitzenden.

Daarnaast stelt klager dat hij niet herkenbaar in beeld gebracht had mogen worden en dat zijn volledige naam niet vermeld had mogen worden. Klager wijst erop dat zijn advocaat voorafgaand aan de uitzending aan verweerder te kennen heeft gegeven, dat klager niet in beeld gebracht wilde worden. Hierop heeft verweerder aan klagers advocaat laten weten dat in het programma misstanden aan de kaak worden gesteld. Klager meent echter dat in de uitzending slechts feiten uit het verleden opgerakeld worden. Indien hij bij het faillissement van zijn bedrijf destijds fraude zou hebben gepleegd, dan zou hij daarvoor wel door de curator zijn gedagvaard, aldus klager. Hij stelt dat het niet de taak is van verweerder, maar van een curator om onderzoek te doen naar faillissementen.

Klager denkt dat verweerder op het gebied van payroll-fraude in beginsel wel een punt heeft. Hij is echter van mening dat hij onterecht in het programma is besproken, omdat er geen enkele link is tussen hem en de besproken payroll-fraude.

Voorts stelt klager dat een groot aantal losse beschuldigingen ten onrechte als feiten zijn gepresenteerd. Zo wordt de door Klaassen geuite beschuldiging van diefstal niet onderbouwd. Het opvragen van kopieën van dagafschriften of facturen had ervoor kunnen zorgen dat een nieuwe administratie gemaakt kon worden, die op geen enkele wijze richting klager had gewezen. Verweerder heeft echter nagelaten de beschuldiging aan klagers adres te controleren. De politie heeft hem verzekerd dat Klaassen geen aangifte tegen hem heeft gedaan, aldus klager. Volgens hem heeft verweerder de grenzen van het toelaatbare overschreden en geen enkel zelfstandig onderzoek verricht.

Ten slotte stelt klager dat verweerder ook betreffende het interview met Atema onvoldoende onderzoek heeft verricht. Klager brengt naar voren dat verweerder in de krant zijn standpunt over de acties van FNV had kunnen lezen en dat verweerder zijn kant van het verhaal in de uitzending had moeten verwerken.

Klager benadrukt dat de uitzending grote impact heeft gehad op zijn leven en dat hij als gevolg van de uitzending geen kans heeft gekregen om na zijn faillissement zijn leven weer op te pakken.

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

 

De klacht bevat de volgende onderdelen:

  1. er zijn onterecht beelden opgenomen en uitgezonden, die zijn gemaakt op het terrein van de GGZ;
  2. de privacy van klager is onevenredig geschonden, doordat zijn volledige naam is vermeld en hij herkenbaar in beeld is gebracht;
  3. klager is ten onrechte betrokken in het programma en daarbij in verband gebracht met payroll-fraude, terwijl verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de juistheid van de in de uitzending aan het adres van klager geuite beschuldigingen.

In de uitzending heeft verweerder aandacht besteed aan zogeheten ‘payroll-fraude’ en de (vermeende) rol van klager daarbij. De Raad overweegt in dat verband dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar (vermeend) onoorbaar handelen van klager. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.

Dat neemt echter niet weg dat een journalist bij zijn onderzoek zorgvuldig te werk moet gaan. Bij het publiceren van beschuldigingen dient hij te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punten 2.2.5. en 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)

 

Ad 1.

In de uitzending komen verschillende personen aan het woord die ernstige beschuldigingen uiten aan het adres van klager. Zij krijgen daarbij ruim de gelegenheid om hun grieven jegens klager naar voren te brengen en in de reportage wordt daarop voortgebouwd door de voice-over.

 

De Raad maakt uit het beschikbare materiaal op dat klager op straat onvoorbereid is gevraagd te reageren op de vragen van de verslaggever, die zonder aankondiging op klager is afgestapt op het moment dat deze zich – samen met diens vrouw – op het terrein van GGZ Drenthe bevindt.

 

Naar het oordeel van de Raad is aldus sprake van overval-journalistiek. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan deze werkwijze, vanwege het intimiderende karakter ervan, slechts dan geoorloofd zijn als die onontbeerlijk is om in het algemeen belang ernstige misstanden aan het licht te brengen en daarvoor geen ander middel openstaat. De Raad overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat, ook als sprake zou zijn van een of meer misstanden, dit alleen langs deze weg bij klager aan de orde gesteld had kunnen worden.

 

Voorts kan het op straat onvoorbereid met draaiende camera aan een betrokkene vragen om een reactie, in beginsel – vanwege het intimiderende karakter ervan – niet worden aangemerkt als een serieuze manier tot het bieden van een gelegenheid tot wederhoor. Een dergelijke werkwijze kan de beschuldigde juist weerhouden van het beantwoorden van de op dat moment gestelde vragen en moet terughoudend worden toegepast.

 

De Raad acht verder van belang dat de verslaggever klager op het GGZ-terrein is blijven achtervolgen, ook nadat klager duidelijk te kennen had gegeven dat hij niet wenste dat opnamen werden gemaakt. Voorts had voor verweerder duidelijk moeten zijn dat klager zich mogelijk in een bijzonder kwetsbare positie bevond, aangezien deze zich begaf op het terrein van een GGZ-instelling.

 

Uit de uitzending is niet gebleken dat aan klager ook nog op een andere, aanvaardbare wijze om een reactie is gevraagd. Verweerder heeft bovendien geen verweer willen voeren en heeft derhalve niet aangetoond dat op andere wijze wederhoor bij klager is toegepast dan wel aannemelijk gemaakt dat er geen andere mogelijkheid was om met klager in contact te komen.

 

De Raad komt dan ook tot de conclusie dat verweerder, door te handelen als hiervoor bedoeld, grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is. (zie punt 2.1.6. van de Leidraad van de Raad en vgl. onder meer RvdJ 2009/40 en 2008/46)

 

Ad 2.

Voor zover de klacht zich richt tegen de schending van klagers privacy overweegt de Raad het volgende.

 

Klager is herhaaldelijk in de uitzending genoemd en herkenbaar in beeld gebracht. Daarbij zijn hem gedragingen verweten die neerkomen op c.q. neigen naar strafbaar handelen. Weliswaar dient een uitzending zoveel mogelijk de gegevens te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen, maar daar staat tegenover dat de journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad)

 

Naar het oordeel van de Raad is in dit geval gesteld noch gebleken dat met het vermelden van de volledige naam van klager een maatschappelijk belang is gediend, dat bovendien zwaarder weegt dan het individuele belang van klager. Klager had ook anoniem kunnen worden genoemd of hoogstens met initialen kunnen worden aangeduid en onherkenbaar in beeld kunnen worden gebracht, zonder dat afbreuk was gedaan aan de aard en inhoud van de uitzending. Niet is gebleken dat door het weglaten van zijn volledige naam een onaanvaardbare onduidelijkheid voor de kijker zou zijn ontstaan.

Hieruit volgt dat verweerder niet op verantwoorde wijze het belang van klager bij de bescherming van diens privacy heeft afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend. Ook op dit punt is de klacht derhalve gegrond.

 

Ad 3.

In de uitzending wordt aan de orde gesteld dat klager zou zijn betrokken bij onoorbare praktijken. Zoals de Raad hiervoor heeft overwogen, behoort het tot de taak van de journalist om misstanden aan de kaak te stellen. Het standpunt van klager dat een journalist geen onderzoek zou behoren te doen naar faillissementsfraude, kan niet worden gevolgd.

 

Daarbij komt dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. De journalist behoeft geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad)

 

Dat klager mogelijk is betrokken bij faillissementsfraude en dat hij in verband kan worden gebracht met ‘payroll-fraude’ – vanwege zijn relatie met Neijhoft – blijkt genoegzaam uit hetgeen de geïnterviewden in de uitzending hebben verteld. Hetgeen klager ter zake heeft aangevoerd, vormt onvoldoende grond voor de conclusie dat verweerder geen deugdelijk onderzoek heeft verricht. Naar het oordeel van de Raad had verweerder voldoende aanleiding om in de uitzending over klager te berichten. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond.

 

BESLISSING

 

De klacht is gegrond voor zover deze is gericht tegen het opnemen en uitzenden van beelden die zijn gemaakt op het terrein van de GGZ alsmede tegen de schending van klagers privacy. Voor het overige is de klacht ongegrond.

 

De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van Opgelicht?! en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 14 december 2010 door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, mw. drs. R.T. Kervezee, mw. M.J. Rietkerk en mw. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, adjunct-secretaris.