2010/5 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
1.      de hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket, mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen
2.      mw. mr. M.H.L. Verwiel
3.      mr. M. Zwinkels
4.      mr. C.J.W.M. van Spierenburg
5.      mw. mr. J.S. de Vries
 
tegen
 
M. Husken, H. Lensink en de hoofdredacteur van Vrij Nederland
 
Bij brief van 22 september 2009 met twee bijlagen heeft mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket, gevestigd te Amsterdam, mede namens mw. mr. M.H.L. Verwiel, mr. M. Zwinkels, mr. C.J.W.M. van Spierenburg en mw. mr. J.S. de Vries (hierna klagers) een klacht ingediend tegen M. Husken, H. Lensink en de hoofdredacteur van Vrij Nederland (hierna: verweerders). Klagers sub 2 tot en met 5 zijn allen werkzaam als officier van justitie bij het Landelijk Parket. Mw. mr. J.A. Schaap, advocaat te Amsterdam, heeft namens verweerders op de klacht geantwoord in een brief van 26 oktober 2009 met 21 bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 november 2009. Klagers zijn daar verschenen vergezeld door mr. R.T. Bos, plaatsvervangend hoofdofficier, en W.J. de Bruin, persvoorlichter. Aan de zijde van verweerders zijn verschenen M. Husken, H. Lensink en F. van Exter, hoofdredacteur, vergezeld door voornoemde mr. Schaap en mw. mr. J.A.K. van den Berg. Mr. Nieuwenhuizen heeft het standpunt van klagers toegelicht aan de hand van een pleitnota.
 
DE FEITEN
 
Op 15 augustus 2009 is in Vrij Nederland een artikel van de hand van Husken en Lensink verschenen onder de kop “Sjoemelen loont” met het chapeau “Beloning voor blunderende officieren van justitie” waarvan de intro luidt:
“De rechtbank in Den Bosch liet onlangs verdachten vrijuit gaan omdat het OM over de schreef was gegaan. Dat was niet voor het eerst. Uit onderzoek van Vrij Nederland blijkt dat officieren van justitie vaker willens en wetens fouten maken. Zonder dat er sancties volgen.”
 
Over de rechtszaak, waarnaar in de intro wordt verwezen, wordt verder onder meer vermeld:
“De betrokken officier van het landelijk parket, Marjolein Verwiel, had opzettelijk een processtuk niet aan de verdediging gegeven. Er stond belangrijke informatie in: justitie had een deal gesloten met een getuige. En daar zat de pijn, want over die deal had het OM gelogen. (…) Verwiel zette de verdediging buiten spel en probeerde de rechtbank in haar opzetje te betrekken. Ze had de rechters zelfs gevraagd om het stuk na lezing te vernietigen. Dat hadden de magistraten telefonisch ook toegezegd, beweerde de aanklager. Maar de drie rechters ontkenden dit ten stelligste. Met haar opstelling schond de officier het principe van een eerlijke rechtsgang, waarbij alle betrokken partijen recht hebben op dezelfde informatie. De sanctie was navenant: de rechtbank verklaarde het OM niet-ontvankelijk en verweet Verwiel ‘gebrek aan integriteit’.”
 
Het artikel bevat verder onder meer de volgende passages:
“Wie zich in het handelen van het OM verdiept, merkt dat de zaak van ‘Peter uit Eindhoven’ en de wijze waarop het OM optreedt, niet op zichzelf staan. Toezeggingen aan getuigen worden vaker met opzet verhuld, verklaringen misbruikt, er wordt meineed gepleegd of zelfs bewijsmateriaal vernietigd (zie kader). Als die zonden boven water komen, is dat overigens altijd doordat advocaten ze tijdens het proces naar boven halen en leiden ze tot niet-ontvankelijkheid van het OM.”
en
“Natuurlijk, meestal gaat het goed, vooral in ‘gewone’ strafzaken. En als er fouten worden gemaakt, gebeurt dat vaak uit slordigheid of door een te hoge werkdruk. Maar bij sommige cases schiet het OM uit de bocht. Dat zijn dan wel vaak dossiers waaraan van hogerhand prioriteit is toegekend. Daardoor komen officieren van justitie in de verleiding om – al dan niet met permissie – de grenzen van de wet op te zoeken.”
en
 “Wat gebeurt er met aanklagers die een tik op de vingers hebben gekregen van de rechter? Gaat het OM over tot sancties? Volgt er demotie? Nee. Blunderende en ook mogelijk strafbaar handelende officieren worden gepromoveerd en schoppen het, zoals Inez Weski al zei, soms zelfs tot rechter.”
Het artikel besluit met de volgende passage:
“De baas stelt zich voor zijn troepen, de advocatuur krijgt de schuld. Maar in historisch perspectief is het verzoek van Brouwer slechts een poging om de boodschapper te onthoofden. Terwijl introspectie van zijn eigen organisatie meer op zijn plaats lijkt.”
 
Bij het artikel is een kader gevoegd waarin onder het kopje “Verzwijgen en verhullen” negen rechtszaken worden opgesomd. Per rechtszaak is vermeld welke officieren van justitie daarbij waren betrokken, welke handelingen zij ten onrechte zouden hebben verricht dan wel nagelaten en welke functie zij tegenwoordig bekleden. Ook klagers sub 3 tot en met 5 zijn in dit overzicht genoemd.
 
Verder is onder de tussenkop “Blunderende officieren worden gepromoveerd en schoppen het soms zelfs tot rechter” een foto geplaatst van twee officieren van justitie onder wie klaagster sub 5 met het onderschrift “Onberispelijke reputatie?” en de vermelding van de namen van de betrokken personen.
 
In reactie op dit artikel zijn op 5 september 2009 in Vrij Nederland ingezonden brieven gepubliceerd van Evert Boerstra, persvoorlichter van het Openbaar Ministerie (hierna: het OM), en mr. F.W.H. van den Emster, voorzitter Raad voor de rechtspraak te Den Haag.
Vervolgens is op 19 september 2009 een artikel in Vrij Nederland verschenen, wederom van de hand van Husken en Lensink, onder de kop “Weer mis” met het chapeau “Justitiële soap” en het intro: “De rechtszaak tegen vermeend mensensmokkelaar ‘Peter uit Eindhoven’ is het zoveelste hoofdstuk in de strijd tussen het blunderende OM en de advocaten.”
 
Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
“In hun streven Peter en de zijnen te pakken, heeft het OM grote fouten gemaakt. De officier van justitie loog tegen de verdediging over een deal die zij met een belangrijke getuige had gemaakt. Dat pikte de rechtbank niet. De verdachten mochten op 23 juli naar huis. Tot woede van het OM, dat meteen hoger beroep instelde. De partijen slijpen ondertussen de messen. De verdediging van Peter heeft aangekondigd dat ze zelfs de rechters als getuigen willen horen – ongekend in de Nederlandse rechtspraak.”
en
“De eerste ronde heeft ‘Peter uit Eindhoven’ gewonnen, nu de rechtbank het OM niet-ontvankelijk heeft verklaard. Justitie had de kroongetuige (een medeverdachte) voor diens medewerking een verblijfsvergunning beloofd. Dat mocht de verdediging niet weten.”
en tot slot
“In hoeverre het verhaal van deze getuige/verdachte in het hoger beroep een rol zal spelen, is ongewis. Weski neemt vast een voorschot. ‘Als je een illegaal een verblijfsvergunning toezegt, koop je als het ware een verklaring. Hoe betrouwbaar is zijn verhaal? Bovendien loog het OM over de gedane toezeggingen en compromitteerde de rechtbank met dit alles. Hoe serieus moet je dit OM nog nemen?’”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers stellen dat de in de artikelen gegeven voorstelling van zaken onjuist is en beschadigend voor het OM in het algemeen en klagers sub 2 tot en met 5 in het bijzonder, nu zij persoonlijk worden beschuldigd van niet-integer gedrag. Klagers erkennen het belang van de vrijheid van meningsuiting en de functie van de pers als ‘publieke waakhond’ om eventuele misstanden aan de kaak te stellen. Dat neemt niet weg dat de journalist bij het uiten van kritiek grenzen in acht moet nemen die voortvloeien uit zijn journalistieke verantwoordelijkheid en het respecteren van de rechten van anderen, aldus klagers. In beide artikelen worden met enkele pennenstreken, zonder nadere onderbouwing, zeer ernstige en onterechte beschuldigingen jegens klagers geuit. Zo wordt het OM als niet-integere organisatie weggezet en worden klagers sub 2 tot en met 5 ervan beschuldigd dat zij de rechtbank hebben voorgelogen, meineed hebben gepleegd en/of opzettelijk ‘bewijsmateriaal’ (ontlastend materiaal) hebben achtergehouden. Volgens klagers wordt aldus hun integriteit en daarmee de kern van hun functioneren aangetast. Ter zitting hebben klagers daaraan toegevoegd dat de integriteit van het OM essentieel is voor het optreden van een officier van justitie in de rechtszaal en daarvoor de basis vormt.
Voorts stellen klagers dat ten onrechte geen hoor en wederhoor is toegepast. Klagers noch het Landelijk Parket noch de Raad voor de rechtspraak is om een reactie gevraagd. Naar klagers hebben begrepen is er wel contact geweest met de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), de onafhankelijke beroepsvereniging en vakbond van rechters en officieren in Nederland. Deze vereniging heeft verweerders geadviseerd contact op te nemen met het OM en de Raad voor de rechtspraak. Dat hebben verweerders echter nagelaten, aldus klagers. Ter zitting hebben klagers in dit verband nadrukkelijk betwist dat het OM niet of nauwelijks bereikbaar is voor commentaar. Volgens klagers hadden verweerders in elk geval contact kunnen opnemen met de persvoorlichter van het OM, die de pers altijd te woord staat. Klagers menen verder dat de in het artikel van 15 augustus 2009 opgenomen citaten van de Voorzitter van het College van Procureurs-Generaal niet als wederhoor volstaan. Het gaat om eerder gemaakte, uit hun context gehaalde opmerkingen, die niet zijn toegesneden op de in het artikel geuite beschuldigingen. Bovendien zijn de citaten deels onjuist weergegeven, aldus klagers.
Daarnaast stellen zij dat uit niets blijkt dat verweerders hebben onderzocht of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Bovendien komen de beschuldigingen in het eerste artikel met name uit één hoek: de strafrechtadvocatuur. Verschillende strafpleiters komen aan het woord en vertolken hun standpunt als belangenbehartigers van de verdediging in de genoemde strafzaken. Onder die omstandigheden geldt volgens klagers te meer dat de beschuldigingen voorafgaand aan publicatie aan hen hadden moeten worden voorgelegd. Ter zitting hebben klagers hieraan toegevoegd dat verweerders de mening van de strafpleiters in hun artikel lijken te hebben doorgetrokken, waardoor de opinie van verweerders enigszins met die standpunten lijkt te zijn verknoopt geraakt.
Klagers betwisten de ernstige beschuldigingen die zijn geuit. Ten onrechte wordt gesteld dat het OM veroordelingen belangrijker vindt dan waarheidsvinding en niet schroomt om opzettelijk regels te schenden en zelfs strafbare feiten te plegen om een veroordeling te bereiken. Klagers bestrijden tevens dat leden van het OM die ‘blunderen’ en mogelijk zelfs strafbare feiten plegen worden gepromoveerd. In dit kader wijzen klagers ter zitting op de term ‘belonen’ in de kop, hetgeen ten onrechte een bewust handelen impliceert. Bovendien wordt ten onrechte gesuggereerd dat sprake is van een patroon in de handelwijze van het OM. Klagers wijzen in dat verband op de initiatieven binnen het OM om te voorkomen dat onterechte veroordelingen ontstaan dan wel te onderzoeken of sprake is van een grond voor herziening. Zo is de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken in het leven geroepen. Verder verwijzen zij naar de brief van de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak die in Vrij Nederland van 5 september 2009 is geplaatst. Daarin stelt de voorzitter dat officieren en rechters die zich schuldig maken aan een ambtsmisdrijf kunnen rekenen op ontslag. Van ambtsmisdrijven was in de door verweerders genoemde zaken echter volgens de voorzitter geen sprake, aldus klagers.
Zij betogen dat verweerders zorgvuldiger te werk hadden moeten gaan. In de genoemde rechtszaken zijn weliswaar fouten gemaakt, maar de door verweerders geuite beschuldigingen zijn onjuist. Ter zitting hebben klagers benadrukt dat de termen ‘sjoemelen’ en ‘willens en wetens’ ten onrechte suggereren dat sprake is van opzettelijk onoorbaar handelen.
Met betrekking tot de zaak van klaagster sub 2 brengen klagers naar voren dat sprake was van schriftelijke informatie die – anders dan in het artikel is vermeld – niet viel aan te merken als processtuk. Verweerders zijn derhalve voorbij gegaan aan een essentieel onderscheid; andere schriftelijke informatie dan processtukken behoeft in de regel niet aan de verdediging te worden verstrekt. Voorts betwisten klagers dat door klaagster sub 2 is gelogen of dealvoorwaarden zijn achtergehouden. Klagers merken op dat afspraken betreffende de bescherming van een getuige, bijvoorbeeld ten aanzien van een verblijfsvergunning, niet in het kader van een deal worden gemaakt. Ter zitting voegen zij hieraan nog toe dat in het artikel ten onrechte is gesuggereerd dat de verdachte op vrije voeten is gesteld als gevolg van het handelen van het OM. De verdachte was al eerder, om andere redenen, vrijgelaten. Klagers betwisten niet dat de rechtbank kritisch is geweest over het handelen van het OM. Dat de rechtbank heeft overwogen dat ‘geen volstrekte duidelijkheid’ is gegeven, wil echter nog niet zeggen dat het OM heeft gelogen, aldus klagers. Daarbij komt dat tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. Dat de zaak nog onder de rechter is, is echter in het artikel niet vermeld.
Ter zake van de beschuldigingen aan het adres van klager sub 3 stellen klagers dat hij in 2007 de zaak heeft overgenomen en dat de laatste opsporingsactiviteiten in 2005 hebben plaatsgevonden. Klager sub 3 heeft geen telefoongesprekken afgeluisterd en heeft de rechtbank samen met de andere zaaksofficier uit eigen beweging geïnformeerd over geheimhoudersgesprekken die ten onrechte niet waren vernietigd. In dit kader merken klagers ter zitting nog op dat het hen bevreemd dat met betrekking tot deze zaak alleen klager sub 3 is genoemd en niet de andere zaaksofficier. Dit doet klagers vermoeden dat het de bedoeling was van verweerders om bepaalde personen in een kwaad daglicht te stellen.
Klagers stellen verder dat is gesuggereerd dat klager sub 4 ‘meineed’ heeft gepleegd, ondanks dat hij van alle blaam is gezuiverd. Daarbij hebben verweerders voorts miskend dat klager sub 4 niet de deal als zodanig heeft ontkend, maar een onderdeel ervan. In een vonnis uit 2000 is geoordeeld dat niet bewezen is dat over dat onderdeel iets is afgesproken. Klagers vinden het onbegrijpelijk dat verweerders het noodzakelijk hebben gevonden na 12 jaar deze zaak op deze wijze weer aan de orde te stellen.
Ten slotte zijn ten aanzien van klaagster sub 5 in enkele zinnen vergaande en onterechte beschuldigingen opgeschreven, zonder deugdelijke onderbouwing en zonder navraag naar de grondslag hiervan. Dit geldt niet alleen voor de tekst, maar ook voor de foto waarop klaagster sub 5 is afgebeeld. Klagers benadrukken dat deze foto zonder toestemming is geplaatst.
Al met al zijn klagers van mening dat de artikelen in vergaande mate onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en beschuldigingen aan hun adres bevatten waarvoor een deugdelijke grondslag ontbreekt.
 
Verweerders stellen dat zij bij de totstandkoming van de artikelen zeer grondig en zorgvuldig te werk zijn gegaan. De artikelen zijn gebaseerd op (feiten vermeld in) vonnissen en arresten en eigen nader onderzoek, onder meer door raadpleging van grote hoeveelheden relevante publicaties. De betrokken journalisten hebben zeer ruime ervaring als misdaadverslaggevers en staan erom bekend integer en correct te werk te gaan.
Met betrekking tot het eerste artikel brengen verweerders naar voren dat het gaat over fouten van het OM, die soms willens en wetens zijn gemaakt, en de gevolgen daarvan voor de desbetreffende rechtszaken en de officieren van justitie. De verschillende zaken zijn opgesomd in een apart kader. Na bestudering van die zaken zijn verweerders tot de conclusie gekomen dat sprake is van een patroon. Zij hebben de ethische vraag willen stellen of magistraten nog verder carrière mogen maken na al dan niet bewust gemaakte uitglijders en fouten. Verder hebben zij geconcludeerd dat het OM niet de hand in eigen boezem steekt, maar de advocatuur de schuld geeft. Ter zitting hebben verweerders in dit verband benadrukt dat zij het beleid van het OM aan de orde hebben willen stellen.
In het tweede artikel is opnieuw aandacht besteed aan de zogenoemde ‘Bossche-zaak’. Aanleiding van de publicatie was het feit dat de verdediging voornemens is om de betrokken rechters als getuigen te laten horen. Dit betreft een nieuwsfeit waarover moet worden bericht. Om het feit en het belang van de aankondiging voor de lezer begrijpelijk te maken, is de zaak inhoudelijk nader uiteengezet.
Volgens verweerders is geen sprake van kritiek op het werk van het OM in algemene zin. De lezer van Vrij Nederland zal de artikelen ook niet zo interpreteren, mede gezien eerdere publicaties in Vrij Nederland over het OM. Verweerders betwisten dat wordt gesteld dat leden van het OM veelvuldig in de fout gaan of regelmatig rechtsregels overtreden. Daarbij wijzen zij erop dat zij een aantal specifieke zaken naar voren hebben gebracht en hebben gesteld dat in sommige cases ‘het OM uit de bocht vliegt’. Zij betwisten voorts dat het OM als niet- integere organisatie is weggezet. Volgens verweerders zijn er bepaalde zaken waarin het OM niet integer heeft gehandeld; die zaken hebben zij genoemd. Daarin werden de geconstateerde fouten kennelijk veroorzaakt door de prioriteit van die zaken. Daarmee hebben verweerders echter niet gesteld dat het OM in algemene zin de rechten van verdachten ondergeschikt maakt aan scoringsdrang.
Verweerders benadrukken voorts dat de pers een belangrijke waakhondfunctie heeft, die verloren zou gaan indien zij al hetgeen zij stelt, wettig en overtuigend moet bewijzen. Daarbij wijzen zij onder meer op jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Hoewel de journalistiek gehouden is aan zorgvuldigheidsnormen en maatschappelijke betamelijkheid, mogen ethische normen nooit zo ver gaan dat zij de waakhondfunctie van de pers kunnen aantasten, aldus verweerders.
Volgens hen bestaat een groot algemeen belang bij publicaties over fouten van het OM en de gevolgen daarvan. Een juiste rechtspleging is in het geding als rechters tot het oordeel ‘niet-ontvankelijk’ komen, omdat tijdens de strafzaak is gebleken dat een officier informatie heeft achtergehouden dan wel beschikt over materiaal waarover hij niet zou mogen beschikken. Dit soort fouten van het OM wordt ervaren als ernstige misstand, aldus verweerders.
Zij achten voorts van belang dat het publiek weet wat er met een officier gebeurt nadat een fout is gemaakt. Het feit dat dit zonder gevolgen is, is een zeer relevant gegeven en voor het publiek onbegrijpelijk. De artikelen dienen bovendien te worden beschouwd in het brede kader van de verharde strijd tussen het OM en de strafrechtadvocatuur en het spanningsveld tussen de ‘buitenwereld’ en de magistratuur. Deze strijd beïnvloedt rechtstreeks de rechtspleging en is een belangrijke reden om aandacht te besteden aan de kwestie. Ter zitting hebben verweerders betwist dat zij meedoen aan die strijd. Verweerders benadrukken dat Vrij Nederland een opiniërend weekblad is en dat het lezerspubliek scherpe meningen en kritische stukken verwacht.
Voorts stellen verweerders dat zij vrij zijn om de vorm van publicatie te kiezen. Er bestaat geen verplichting om daarbij al het ter beschikking staande materiaal, dat aan het artikel ten grondslag ligt, te vermelden. De opzettelijk gemaakte fouten waarvan melding wordt gemaakt, blijken onder meer uit de vonnissen en arresten van de betreffende rechtszaken. Die uitspraken gelden als betrouwbare en onafhankelijke bronnen. Daarnaast zijn de artikelen gebaseerd op andere processtukken en eigen waarneming tijdens de zittingen. Ten aanzien van het weergeven van dergelijke zaken heeft de journalist een zekere vrijheid in het kiezen van zijn bewoordingen, aldus verweerders. Volgens hen zijn de vonnissen en het aantal gemaakte fouten feiten, evenals de vervolgstappen in de carrières van de betrokken officieren. Als al die feiten achter elkaar worden gezet, dragen zij de stellingen ten aanzien van de posities van de desbetreffende personen, aldus verweerders.
Weliswaar zijn er officieren ontslagen, maar niet als gevolg van hun optreden in de rechtszaal. Op dat laatste hebben de artikelen uitsluitend betrekking. Mogelijk zijn de betrokken officieren intern berispt, maar dat is dan niet kenbaar voor derden. Op basis van openbare feiten hebben verweerders een en ander op een rij gezet. De huidige posities van de betrokken officieren zijn openbaar, Het nagaan daarvan behoort tot de journalistieke taak, zeker nu het OM daarover zelf geen mededelingen wenst te doen. Bovendien gaat het niet om gewone fouten, maar om ‘mogelijk strafbare handelingen’.
Verweerders menen dat het niet noodzakelijk was initiatieven van het OM te noemen, die betrekking hebben op het voorkomen van onterechte veroordelingen of herziening. Zij betwijfelen overigens of het initiatief Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken voldoende is om het beeld van het OM bij te stellen. Bovendien doen de initiatieven niets af aan de geconstateerde feiten. Het is verweerders voorts opgevallen dat juist in zaken met een groot belang fouten zijn gemaakt, hetgeen duidt op een patroon. Kennelijk staat in dergelijke zaken de waarheidsvinding onder druk.
Met betrekking tot hoor en wederhoor merken verweerders op dat de artikelen gaan over (uitspraken in) rechtszaken. Dit zijn feiten ten aanzien waarvan geen wederhoor behoeft te worden toegepast. Immers, wederhoor heeft al in de procedure plaatsgevonden, nu beide partijen daar zijn gehoord. De rechtbank en het hof hebben daaruit conclusies getrokken, die mogen worden gepubliceerd. Dit geldt ook voor hetgeen over de individuele officieren is vermeld. Met betrekking tot de Bossche-zaak is bovendien in beide artikelen vermeld dat hoger beroep is aangetekend door het OM. Dit hoger beroep geldt als het ware als het ‘commentaar’ van het OM. Het heeft weinig zin het OM daarnaast nog om een reactie te vragen, aangezien het vast beleid is van het OM geen commentaar te geven in zaken die nog onder de rechter zijn. Overigens kan uit ervaringen uit het verleden worden afgeleid dat het OM weinig mededeelzaam is. Om die reden is een aantal uitspraken van Brouwer opgetekend, waaruit ook duidelijk blijkt dat het OM niet op de Bossche-zaak wil ingaan. Voor het overige zagen de citaten op het optreden van het OM in de rechtszaal in het algemeen wanneer sprake is van ‘ontsporing’ door het OM en ‘persoonlijke scoringsdrift’. In die zin zijn de citaten wel degelijk relevant, aldus verweerders. Overigens betwisten zij dat met die citaten de indruk wordt gewekt dat Brouwer in het geheel geen kritiek van de advocatuur op het OM duldt.
Verder menen verweerders dat voor het horen van de individuele officieren evenmin aanleiding bestond. De conclusies die verweerders ten aanzien van hen hebben getrokken, zijn gebaseerd op openbare feiten. Het ging voorts om de ethische vraag of magistraten carrière mogen maken na het al dan niet bewust maken van fouten. Dit hebben verweerders wel willen voorleggen, maar dan bij voorkeur aan een wat meer onafhankelijke partij als de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR). De voorzitter van de NVvR bleek echter met vakantie te zijn, de woordvoerder was lange tijd onbereikbaar en meldde zich pas toen het artikel al bij de drukker lag. Er is daarna nog wel contact geweest over een mogelijk vervolgartikel met een reactie, waarin eventueel ook fouten konden worden hersteld. In de daarop volgende correspondentie werden de gestelde onjuistheden echter niet nader aangeduid, aldus verweerders.
De omstandigheid dat een aantal strafpleiters wel aan het woord is gekomen, wil niet zeggen dat verweerders alleen op deze uitlatingen zijn afgegaan. Vele bronnen hebben ten grondslag gelegen aan de artikelen. Bovendien bevat het commentaar van één van de strafpleiters een reactie op het nieuwe feit dat het OM in hoger beroep gaat tegen het vonnis in de Bossche- zaak. De overige advocaten is om een reactie gevraagd, omdat zij – naar aanleiding van de uitspraken in de rechtszaken waarbij zij waren betrokken – mogelijk procedures tegen de leden van het OM hadden kunnen starten. Dat was niet het geval. Zou dit anders zijn geweest, dan was het OM uiteraard ook om een reactie gevraagd.
Met betrekking tot klaagster sub 2 merken verweerders op dat in het vonnis een gemotiveerd oordeel is gegeven over het handelen van het OM – lees: dat van klaagster sub 2. Daaruit maken verweerders op dat informatie is achtergehouden die aan de verdediging had moeten worden verstrekt. Onder processtuk mag volgens verweerders al datgene worden verstaan dat zich in het dossier bevindt dan wel zich daarin had behoren te bevinden. Nu de rechtbank in dit geval heeft vastgesteld dat sprake is van het laatste, valt verweerders niet te verwijten dat zij de term processtuk hebben gehanteerd. Verweerders betwisten voorts dat in de artikelen wordt gesteld dat klaagster sub 2 de rechtbank heeft voorgelogen. In het eerste artikel wordt vermeld dat het OM heeft gelogen over dealvoorwaarden en in het tweede artikel dat de officier tegen de verdediging loog. Beide stellingen vinden steun in het vonnis, waaruit volgens verweerders duidelijk blijkt dat de rechtbank klaagster sub 2 verwijt niet eerlijk te zijn geweest over de afspraken die met de getuige zijn gemaakt. Ook hetgeen overigens over de Bossche-zaak is vermeld, volgt uit het vonnis.
Ook in de zaak waarbij klager sub 3 is betrokken, is het OM niet-ontvankelijk verklaard. Hoewel klager sub 3 de zaak pas in 2007 overnam, was hij volledig op de hoogte van de inhoud van het dossier. Voor het niet-vernietigen van de geheimhoudersgesprekken werd hij door de rechtbank mede verantwoordelijk gehouden. Dat de uitgewerkte gesprekken zich in het dossier bevonden, werd pas gemeld in 2007, terwijl dit veel eerder had gekund, ook door klager sub 3, aldus verweerders. Weliswaar heeft klager sub 3 op eigen initiatief gemeld dat een aantal gesprekken ten onrechte aan het dossier was toegevoegd, maar pas na doorvragen van de verdediging kwam de fout ten volle aan het licht. Dat verweerders niet al deze nuances in de korte ruimte van het overzichtskader hebben vermeld, maakt nog niet dat de publicatie in dit opzicht onzorgvuldig is.
Wat betreft klager sub 4 blijkt volgens verweerders uit het oordeel van het hof dat hij ‘onder ede niet de waarheid heeft verteld’ over afspraken met de kroongetuige ter zake van de strafeis. Op grond van een eigen interpretatie van de woorden van klager sub 4 achtte de rechtbank meineed niet bewezen. Om die reden is het woord meineed in het kader ook tussen aanhalingstekens geplaatst. Bovendien is expliciet gemeld dat klager sub 4 is vrijgesproken. Van een onterechte beschuldiging is dan ook geen sprake.
De beschuldigingen aan het adres van klaagster sub 5 vinden volgens verweerders evenzeer voldoende basis in het arrest ter zake. Het oordeel dat ‘kennelijk onjuist is verklaard’ betekent niets meer of minder dan ‘liegen’ en het bewust achter houden van informatie.
Sinds jaar en dag worden officieren met volledige naam genoemd. Niet in de laatste plaats omdat ook het OM zelf voor- en achternamen van de betrokken medewerkers gebruikt, ook in relatie tot specifieke dossiers. Dat geldt ook voor de officieren die in de artikelen aan de orde komen. Met betrekking tot de foto waarop klaagster sub 5 is afgebeeld, merken verweerders op dat deze met toestemming van de officieren is gemaakt en zich in het openbare fotoarchief van het ANP bevindt. Volgens verweerders strekt het portretrecht niet zover dat toestemming gevraagd had moeten worden voor gebruik van de foto. De geportretteerden kunnen bezwaar maken tegen publicatie als zij daarbij een redelijk belang hebben. Volgens verweerders is daarvan in dit geval geen sprake. Klaagster sub 5 vervult een openbare rol, het OM verspreidt zelf foto’s van haar en bovendien heeft de foto een duidelijk illustratief karakter. Het onderschrift bevat een open vraag, die de lezer moet prikkelen om de rest van het artikel te lezen.
Verweerders concluderen dat zij zorgvuldig hebben gehandeld en geen journalistieke normen hebben overtreden.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat de artikelen ernstige beschuldigingen aan het adres van klagers bevatten, zonder deugdelijke grondslag en zonder toepassing van wederhoor, waardoor de integriteit van klagers ernstig is aangetast.
Verweerders hebben aangevoerd dat zij het beleid van het OM aan de orde hebben willen stellen en met name de ethische vraag of magistraten nog verder carrière mogen maken na al dan niet bewust gemaakte uitglijders en fouten.
 
De Raad overweegt in dat verband dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar (vermeend) onoorbaar handelen van klagers. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.
 
Het voorgaande neemt echter niet weg dat een journalist bij zijn onderzoek zorgvuldig te werk moet gaan. Bij het publiceren van beschuldigingen dient hij te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
 
In de artikelen is onder meer beweerd dat ‘blunderende officieren worden beloond’, dat ‘officieren van justitie vaker willens en wetens fouten maken, zonder dat er sancties volgen’en dat ‘toezeggingen aan getuigen vaker met opzet worden verhuld, verklaringen misbruikt, er wordt meineed gepleegd of zelfs bewijsmateriaal vernietigd’. In dat verband is gewezen op een aantal specifieke rechtszaken. Verder zijn klagers sub 2 tot en met 5 in het artikel van 15 augustus 2009 genoemd en is ten aanzien van hen beweerd dat zij ‘de rechtbank hebben voorgelogen’, ‘‘meineed’ hebben gepleegd’ en/of ‘opzettelijk materiaal hebben achtergehouden’.

Hoewel verweerders kennelijk hebben beoogd het beleid van het OM aan de orde te stellen, betreft zulks slechts een deel van de publicaties. De artikelen zien tevens op concrete fouten en met name genoemde personen.
 
Ten aanzien van de grondslag voor de beschuldigingen hebben verweerders aangevoerd dat zij zich hebben gebaseerd op betrouwbare en onafhankelijke bronnen, waaronder vonnissen en andere processtukken, en eigen nader onderzoek. Daarbij hebben verweerders geconcludeerd dat sprake is van een patroon en dat de fouten ‘opzettelijk’ c.q. ‘willens en wetens’ zijn gemaakt.
 
Voor zover het artikel opiniërend van aard is, overweegt de Raad dat het de journalist in dat geval weliswaar vrij staat over een bepaald feit zijn mening te verkondigen, maar dat dan wel duidelijk moet zijn dat het om zijn persoonlijke opvatting gaat. Ook overigens maakt de journalist in de berichtgeving een duidelijk onderscheid tussen feiten, beweringen en meningen. (zie punt 1.4. van de Leidraad)
 
In dit geval is naar het oordeel van de Raad onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de door de vonnissen gedragen feiten en omstandigheden enerzijds en de daarop gebaseerde mening en opinie van verweerders anderzijds. Voorts hebben verweerders ervoor gekozen om de vonnissen waarop zij hun conclusies hebben gebaseerd in eigen woorden te vatten. Hoewel dit begrijpelijk is en de leesbaarheid ten goede kan komen, dient daarmee naar het oordeel van de Raad zorgvuldig worden omgegaan, zeker waar het vonnissen betreft die met grote zorgvuldigheid van woordkeuze plegen te worden opgezet. Voorkomen moet worden dat de eigen woordkeuze van dien aard is dat daarmee een andere lading aan de feiten wordt gegeven dan verwoord in de gebruikte bronnen.
 
Naar het oordeel van de Raad is in de artikelen bovendien onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de organisatie van het OM, de leden daarvan in hun ambt en individuele personen. Als gevolg daarvan bevatten de artikelen (tevens) ernstige beschuldigingen die niet zozeer zijn gericht tegen het beleid van het OM inzake het functioneren van officieren, maar ook individuele leden van het OM in hun persoon raken. Ook om die reden was extra zorgvuldigheid geboden.
 
Niet in geschil is dat het OM noch klagers sub 2 tot en met 5 voorafgaand aan de publicatie om een reactie is gevraagd. Weliswaar hebben verweerders contact opgenomen met de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), de onafhankelijke beroepsvereniging en vakbond voor rechters en officieren, maar dit contact heeft echter door omstandigheden niet tot een (tijdige) reactie van de NVvR geleid.
Daarbij komt dat het – gelet op de aard en de ernst van de beschuldigingen alsmede de wijze waarop deze in de artikelen zijn gepresenteerd – op de weg van verweerders had gelegen om ook het OM en de in het artikel genoemde personen gelegenheid tot wederhoor te bieden. Verweerders hadden niet voorshands mogen uitsluiten dat klagers van die mogelijkheid geen gebruik zouden (willen) maken.
 
Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de Raad van oordeel dat verweerders grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door over klagers te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan en na te laten wederhoor bij klagers toe te passen.
 

BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Vrij Nederland te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 26 januari 2010 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, H. Blanken, mw. A.C. Diamand, T.R. Harkema en mr. T.E. Klein, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.