2010/47 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
drs. G.L.A. Odekerken
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad
 
Bij brief van 13 juli 2010 met zes bijlagen heeft drs. G.L.A. Odekerken te Heerlen (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad (hierna: verweerder). Bij brief van 21 juli 2010 heeft klaagster nog twee bijlagen overgelegd. Hierop heeft verweerder geantwoord in een brief van 31 augustus 2010 met elf bijlagen. Bij brief van 3 september 2010 heeft klaagster tot slot nog een bijlage overgelegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 september 2010, waar klaagster is verschenen. Van de zijde van verweerder zijn verschenen H. Brinkman, adjunct-hoofdredacteur, en J. Houben, verslaggeefster.
 
DE FEITEN
 
Op 18 juni 2010 is in Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad een artikel verschenen onder de kop “Directrice RIMO moest weg”, waarvan de intro luidt:
Directeur Trudie Odekerken is na ‘een verschil van mening’ vertrokken bij RIMO. Met een gouden handdruk.”
Het artikel bevat verder de volgende passages:
“In 2008 moest de Regionale Instelling voor Maatschappelijke Opvang (RIMO) door een tekort van zes ton een kleine twintig van de 130 fulltime banen schrappen. Dit is gebeurd door bijvoorbeeld tijdelijke contracten niet te verlengen. Volgens ingewijden ontstonden de geldproblemen omdat Odekerken adviezen van het management in de wind sloeg. Zo nam ze steeds meer personeel in dienst en kocht ze te dure panden aan. Die bleven vervolgens leeg staan omdat de cliënten (dak- en thuislozen) de kosten hiervoor niet konden ophoesten. Hoewel dit al in 2008 speelde, is Odekerken recent pas definitief vertrokken bij RIMO. Aanleiding zou ook het ‘dubieuze vertrek’ van zo’n tien oud-medewerkers zijn. Odekerken zou de tien hebben ‘weggepest’ door hen lagere functies te geven. De medewerkers hebben getekend voor een vertrekpremie.”
en
“Huidig RIMO-directeur Henk Lenoir: “Er zijn geen gedwongen ontslagen gevallen. Achteraf is het makkelijk gezegd dat we eerder hadden moeten ingrijpen. De aanpak van mijn voorgangster verschilde te veel van de visie van de Raad van Toezicht. Ze nam ook te grote risico’s in haar besluiten. Onder meer op financieel gebied”.”
Het artikel eindigt met: “Trudie Odekerken was gisteren niet voor commentaar bereikbaar.”
Dit artikel is tevens op de website van verweerder verschenen.
 
Op 11 augustus 2010 is vervolgens in Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad een artikel verschenen in de rubriek ‘Rechtgezet’, dat luidt als volgt:
“In het artikel ‘Directeur RIMO moest weg’ van 18 juni j.l. is ten onrechte gemeld dat er tijdens de periode dat de vertrokken directeur de scepter zwaaide door haar panden zijn gekocht, die vervolgens leeg bleven staan. Het gaat niet om gekochte, maar door RIMO gehuurde panden. Het in het artikel genoemde tekort van zes ton, waardoor RIMO in financiële problemen is gekomen, leidde tot de in het artikel beschreven bezuinigingsoperatie. Het resultaat uit bedrijfsvoering van RIMO over 2008 verbeterde tot een negatief bedrag van 99.000 euro. Het uiteindelijke bedrijfsresultaat over 2008 eindigde – onder verantwoordelijkheid van de directeur – positief: 664.000 euro, onder andere veroorzaakt door de verkoop van het hoofdkantoor.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat zij zich door het artikel zeer geschoffeerd en beschadigd voelt en dat zij het artikel als laster beschouwt. Volgens haar bevat het artikel feitelijke onjuistheden. Daartoe wijst zij erop dat juist in 2008 onder haar verantwoordelijkheid het in 2007 ontstane tekort is teruggebracht. Ze benadrukt dat haar opvolger eerst in oktober 2008 aantrad. Daarnaast wijst klaagster erop dat binnen RIMO nooit panden zijn aangekocht, met uitzondering van één pand dat zij ongeveer twaalf jaar geleden heeft aangekocht voor een vriendenprijsje.
Klaagster stelt dat het artikel voor het overige zeer negatief gekleurd is. Ter zitting voegt zij hier aan toe dat zij in het artikel persoonlijk wordt veroordeeld. Zij benadrukt dat zij de organisatie veertien jaar met goede bedoelingen heeft bestuurd en dat zij hard heeft gewerkt om de organisatie op te bouwen. Zij benadrukt dat in de veertien jaar dat zij het RIMO heeft geleid, er een verandering is gerealiseerd van een kleine organisatie voor dak- en thuislozen – gerund door vooral vrijwilligers – naar een professionele voorziening voor deze mensen – veelal met psychiatrische problematiek – met 200 medewerkers. Daarbij past niet dat zij in het artikel wordt neergezet als iemand die wanbeleid zou voeren en zou weglopen voor haar verantwoordelijkheden. De suggestie dat zij mensen zou hebben weggepest raakt haar zeer, zo brengt klaagster ter zitting naar voren.
Klaagster betwist dat het artikel kan worden aangemerkt als een follow-up van eerdere artikelen over de financiële situatie van RIMO. Volgens haar zijn eerder slechts twee artikelen verschenen in 2008. Ook ten aanzien van deze artikelen heeft klaagster kritiek. Het gewraakte artikel is van twee jaar later, waarin opmerkelijke herhalingen van de artikelen in 2008 zijn opgenomen.
Verder stelt klaagster dat ten onrechte geen wederhoor is toegepast, nu verweerder niet eens de moeite heeft genomen om haar nieuwe en actuele telefoonnummer te achterhalen. De in het artikel opgenomen beweringen zijn nu niet gecheckt. Feiten en beweringen lopen volgens klaagster volledig door elkaar.
De rectificatie acht klaagster onvoldoende. Volgens haar was het artikel klein en op een zeer onopvallende plaats geplaatst. Bovendien, zo stelt zij ter zitting, neemt de rectificatie geenszins het onjuist geschetste beeld van haar persoon weg. De rectificatie is meer van hetzelfde en versterkt de negativiteit nog eens extra. Daarbij komt dat de rectificatie niet is te vinden op de website van verweerder, aldus klaagster.
 
Verweerder stelt dat de aanleiding voor het artikel ligt in een slepende zaak in de regio Parkstad rond tekorten van RIMO. Al in 2008 haalde RIMO vanwege financiële problemen regelmatig de krant. Ook in die eerdere berichtgeving is aan bod gekomen dat de rol van klaagster als directeur onder vuur is komen te liggen, aldus verweerder. Hij achtte het dan ook journalistiek de moeite waard om de zaak te volgen. Het moment van vertrek van klaagster is volgens verweerder dan ook alle aanleiding voor publicatie.
Verweerder begrijpt dat een artikel voor een persoon niet altijd even prettig is en dat een betrokkene er mogelijk last van zou kunnen ondervinden. Maar dat is niet het doel van de journalist, aldus verweerder. Het doel van het artikel is te melden dat een maatschappelijke instelling, die de laatste jaren vaak in het nieuws is geweest, nu met een vertrekregeling afscheid neemt van een directeur die in de voorgaande periode onder vuur heeft gelegen. Van laster of een doelbewuste poging om klaagster onderuit te halen was geen sprake.
Verder stelt verweerder ter zitting dat het artikel op verschillende bronnen is gebaseerd. Onder meer op ongeveer tien vonnissen van de kantonrechter over ontslagregelingen, verslagen en rapporten van de OR, maar ook op bronnen die anoniem wensen te blijven. Voorts is de opvolger van klaagster geïnterviewd, die niet alleen het vertrek van klaagster heeft bevestigd, maar ook een deel van de achtergrond daarvan heeft geschetst.
Wat het bieden van een gelegenheid tot wederhoor betreft, stelt verweerder dat getracht is contact op te nemen met klaagster. Bij een tweede poging is haar voice-mail ingesproken. Ook heeft verweerder via internet en via de opvolger van klaagster geprobeerd klaagster te bereiken. Wellicht had de publicatie met één of enkele dagen uitgesteld kunnen worden om te wachten totdat met klaagster zelf contact was gelegd. Anderzijds wijst verweerder erop dat haar vertrek was bevestigd en in zoverre het nieuws was gecheckt. Verder wijst verweerder ter zitting op de omstandigheid dat rond het vertrek ook in de politiek enige aandacht was en dat de dag ervóór vragen waren gesteld over haar vertrek en de financiële consequenties daarvan. Volgens verweerder was dus sprake van een nieuwswaardig feit.
Wat de gestelde onjuistheden betreft, wijst verweerder erop dat deze zijn gerectificeerd. Ter zitting voegt hij daaraan desgevraagd toe dat op zijn website de rectificatie mogelijk niet is te vinden op het publieke deel, maar alleen op het gedeelte dat voor abonnees toegankelijk is.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bevat de volgende onderdelen:
  1. Het artikel is suggestief en een goede onderbouwing ontbreekt, waardoor klaagster in haar eer en goede naam is aangetast.
  2. Ten onrechte is geen gelegenheid geboden tot wederhoor.
Ad 1.
In de berichtgeving maakt de journalist een duidelijk onderscheid tussen feiten, beweringen en meningen. (zie punt 1.4. van de Leidraad van de Raad) Wat het gebruik van bronnen betreft is voorts bijzondere zorgvuldigheid geboden bij de publicatie van beschuldigingen die afkomstig zijn van personen die ten tijde van de publicatie van het artikel in conï¬Â‚ict zijn met de beschuldigde, of anderszins belanghebbende zijn. (zie punt 2.2.5. van de Leidraad)
 
In het artikel komt het financiële handelen van de directeur van een maatschappelijke zorg-organisatie aan de orde. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt de Raad voorts op dat de financiële gang van zaken bij RIMO en de discussies die daaromtrent hebben plaatsgevonden complex van aard zijn. Naar het oordeel van de Raad doet het artikel geen recht aan die complexiteit. Daarbij overweegt de Raad dat het artikel een compacte en rauwelijkse opsomming betreft van zaken die klaagster op financieel gebied zouden zijn te verwijten. Juist die compactheid en de formulering van het artikel zijn naar het oordeel van de Raad zodanig dat bij de lezer de indruk wordt gewekt dat klaagster financieel wanbeleid voerde of onzorgvuldige financiële risico’s nam. Dit klemt te meer, nu verweerder stelt over een groot aantal bronnen te beschikken, terwijl uit het artikel een dergelijke onderbouwing geenszins blijkt.
 
Naar het oordeel van de Raad heeft verweerder aldus jegens klaagster journalistiek onzorgvuldig gehandeld. De omstandigheid dat verweerder een rectificatie heeft geplaatst teneinde een aantal onjuistheden te herstellen, doet hieraan niet af. Naar het oordeel van de Raad heeft die rectificatie de negatieve en suggestieve strekking van de berichtgeving over klaagster niet weggenomen. Dit klemt temeer waar op het publieke deel van de website de rectificatie niet is gekoppeld aan het artikel van 18 juni jl.
 
Ad 2.
De journalist past, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwaliï¬Âceerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
 
Verweerder stelt dat hij twee keer heeft geprobeerd telefonisch contact te leggen met klaagster en dat bij de laatste poging een voice-mailbericht is ingesproken. De Raad kan niet vaststellen of verweerder daarbij gebruik heeft gemaakt van het juiste of meest recente nummer van klaagster. De omstandigheid dat verweerder slechts deze twee pogingen heeft ondernomen en vervolgens heeft volstaan met een voice-mailbericht, acht de Raad onvoldoende om te spreken van een gedegen gelegenheid tot wederhoor als bedoeld in punt 2.3.1. van de Leidraad. Daarbij overweegt de Raad dat de publicatie kan worden aangemerkt als een ernstige beschuldiging jegens klaagster met betrekking tot haar financiële beleid. De ernst van deze beschuldiging brengt voor verweerder een extra zorgvuldigheid ten aanzien van het bieden van wederhoor met zich. Voorts overweegt de Raad dat verweerder heeft toegegeven dat hij in dit geval één of enkele dagen had kunnen wachten met de publicatie.
 
Conclusie
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad de Limburger/Limburgs Dagblad en op zijn website te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 12 november 2010 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. A.C. Diamand, drs. P. Olsthoorn, mw. J.R. van Ooijen en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.