2010/44 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
F. Strikker, R. Vorkink en de hoofdredacteur van RTV Oost
 
Bij brieven van 14 juni 2010, waarvan twee brieven met drie bijlagen en één brief met één bijlage, heeft mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen, namens X (hierna: klager) klachten ingediend tegen F. Strikker, R. Vorkink en de hoofdredacteur van RTV Oost (hierna: verweerders). Hierop heeft mr. R.F. Speijdel namens verweerders geantwoord per brief van 9 juli 2010 met 10 bijlagen. Vervolgens hebben verweerders bij brief van 21 juli 2010 een tweetal producties overgelegd. Ten slotte heeft klager een aantal bijlagen overgelegd bij brief van 28 juli 2010.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 augustus 2010, waar klager is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote en mr. Schaap. Van de zijde van verweerders zijn voornoemde Vorkink en mr. Spreijdel verschenen. Mr. Schaap heeft het standpunt van klager toegelicht aan de hand van een notitie.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
Voorts heeft de voorzitter voorafgaand aan de zitting aan partijen medegedeeld dat hij op verzoek van de Vaste Kamercommissie voor Justitie in 2005 een verificatieonderzoek heeft verricht. Dat onderzoek betrof door de Minister van Justitie ter vertrouwelijke kennisneming aan de commissie verstrekte informatie over het onderzoek naar vermeende onregelmatigheden in de stafrechtelijke afwikkeling van de vuurwerkramp in Enschede. De voorzitter heeft partijen te kennen gegeven hierin geen aanleiding te zien zich te verschonen. Klager en verweerders hebben desgevraagd medegedeeld daartoe evenmin aanleiding te zien.
 
DE FEITEN
 
Op 6 mei 2010 is in een uitzending van In de Wandelgangen” op RTV Oost aandacht besteed aan de vuurwerkramp en nasleep daarvan, die in 2000 plaatsvond te Enschede. De uitzending is door de presentator als volgt ingeleid:
 “Jullie hebben een nieuwe getuige gevonden, Rob, (…), die uiterst belastende verklaring heeft afgelegd over de familie (…) bij dat eerste brandje”.
Vorkink:
“Ja, dat klopt. Die zijn wij bij toeval tegengekomen omdat wij nog eens een hele keer dat dossier zijn doorgegaan.”
(...)
 “Deze getuige is cruciaal, omdat die namelijk wetenschap bij zich draagt dat de familie (…), in dit geval (…), mede-directeur… mede-eigenaar, (…), z’n vrouw, twee medewerkers en klusjesman (X) gelogen hebben in het proces en in de aanloop naar het proces met de politie over hun aanwezigheid op het terrein bij S.E. Fireworks voor die eerste brand op zaterdag 13 mei 2000. Deze mevrouw beweert dat ze er wel degelijk geweest zijn.”
Verderop in de uitzending vraagt de presentator:
 “Jullie zijn geloof ik ook nog bij de klusjesman, dacht ik, geweest, he?”
Vorkink: “Ja, bij de heer (X). Dat is ook één van de mensen van wie gezegd wordt, dat, daar is ook CIE-informatie van, dat deze man die weet van de hoed en de rand van het ontstaan van het eerste vlammetje.”
Presentator: “Oke. En daar hebben we ook beelden van, neem ik aan?”
Vorkink: “Ja.”
Presentator: “Laten we daar even naar kijken.”
 
Daarna volgt het volgende fragment:
Klager: “Goedendag. Hoe komen jullie hier binnen?”
Vorkink wijst waar zij vandaan komen en zegt: “Daar.”
Klager: “Wie bent u dan?”
Vorkink: “Rob Vorkink.”
Klager: “Waarvan?”
Vorkink: “RTV Oost.”
Klager: “Wegwezen.”, waarbij hij naar de uitgang wijst.
Vorkink: “Ik wil even met je praten.”
Klager antwoordt: “Nee. Wegwezen.”
Vorkink: “Waarom dan?”
Klager: “Opstappen”, waarbij klager nogmaals naar de uitgang wijst.
Vorkink: “Nou dat is ook…”
Daarna is te zien dat klager naar binnen gaat en een voorwerp pakt. Te horen is dat klager zegt: “Nou moet je heel rap wegwezen”.
In een laatste beeld van het fragment is te zien dat één van de verslaggevers wegrent.
 
Na dat fragment vervolgt de presentator:
“Ja. Als het niet zo triest zou zijn, zou je er bijna om moeten lachen hoe collega’s Strikker en Vorkink achterna gezeten werden door de vroegere klusjesman (X), maar goed, feit is natuurlijk nu dat er nieuwe informatie op tafel ligt.”
 
De uitzending vervolgt met een interview met oud-rechercheur Paalman, die ook in de studio aanwezig is.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat Vorkink en Strikker ten onrechte onaangekondigd met een verborgen camera zijn woning hebben bezocht en zijn erf hebben betreden, waarbij zij zonder toestemming heimelijk opnames hebben gemaakt van het gesprek met klager. Volgens klager dienen deze opnames daarbij geen enkel doel. Klager wijst erop dat hij in het fragment herkenbaar in beeld is en stelt dat hij op straat wordt herkend als gevolg van de gewraakte uitzending. Klager verklaart dat hij noch zijn echtgenote op de hoogte was van het feit dat er beelden van hen werden gemaakt. Daarbij wijst hij erop dat de camera in een pen was verborgen. Ter zitting stelt klager dat wanneer hij op de hoogte zou zijn geweest van de opnamen, hij zeker actie had ondernomen. Klager werd echter pas na de tv-uitzending geconfronteerd met het feit dat er opnamen waren gemaakt. Omdat klager in zijn woning geen televisie tot zijn beschikking heeft, was hij bovendien niet op de hoogte van de uitzending. Voor het uitzenden van de gewraakte beelden is hem nimmer om toestemming gevraagd, aldus klager. Evenmin is volgens hem toestemming gevraagd of verleend om de beelden door te zenden naar andere media.
Klager stelt dat verweerders hun doel van het gesprek nimmer aan hem hebben meegedeeld. Volgens hem blijkt uit de opnamen dat Vorkink enkel meldt te willen praten. Op het moment dat klager begreep dat het ging om journalisten van RTV Oost, heeft hij hen meerdere malen gesommeerd het erf te verlaten. Ter zitting benadrukt klager dat er daarbij geen sprake was van hevig geweld. Volgens klager weigerden de verslaggevers aan zijn verzoek gehoor te geven. Daarop heeft hij een handvat van een bijl, waarvan de bijl was afgebroken, gepakt en heeft hij daarmee op de railing van de veranda geslagen. Van een knuppel was dus geen sprake en evenmin van een poging om één van de verslaggevers te raken, aldus klager ter zitting.
Klager kwalificeert de gedragingen van Vorkink en Strikker als overvaljournalistiek, terwijl hiermee geen enkel maatschappelijk doel was gediend. Klager wijst erop dat ten tijde van de opnamen het strafrechtelijk onderzoek nog niet gaande was en dat hij na heropening van dit onderzoek nog niet opnieuw is gehoord. Volgens klager kan daar niet het gestelde motief in worden gevonden, aldus klager ter zitting. Klager meent verder dat de informatie die een politiemedewerker en de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) van de politie zou hebben, niet toetsbaar is en wordt betwist.
Volgens klager waren er voldoende alternatieve mogelijkheden om informatie te vergaren. Zo hadden verweerders hem kunnen bellen om een afspraak te maken, maar dit hebben zij achterwege gelaten. Voor zover verweerders hebben gesteld dat zij enkel over het woonadres beschikten, stelt klager ter zitting dat ook een brief gestuurd had kunnen worden.
Verweerders hebben in plaats daarvan ervoor gekozen om onaangekondigd en zonder toestemming vanaf het zandpad aan de zijkant van het terrein het erf van klager te betreden. Daarbij wijst klager erop dat zijn erf en caravan niet vrij benaderbaar zijn en vanaf dat zandpad enkel kan worden betreden door een deel van het hek uit een beugel van hout te tillen.
Ter zitting merkt klager op dat bezoekers zich bij de ingang moeten melden bij de receptie. In geval van onbekende bezoekers wordt dan door de receptie contact met de bewoners opgenomen. De bezoekers worden niet toegelaten indien klager dat niet wenst.
Klager stelt dat getracht is met de verborgen camera een reactie van hem te ontlokken. De heimelijke opnamen zijn uitgezonden op RTV Oost en vervolgens ook in het actualiteitenprogramma NOVA. Klager betoogt dat verweerders aldus inbreuk hebben gemaakt op zijn privacy en in strijd hebben gehandeld met onder meer de Grondwet, het EVRM en de Auteurswet. Daarnaast is er sprake van huisvredebreuk door zonder toestemming het erf te betreden, aldus klager.
Voor zover verweerders menen dat hij bij de strafzaak inzake de vuurwerkramp is betrokken en daardoor reeds bekend is in de media, stelt klager ter zitting dat dit niet betekent dat hij iedere vorm van publiciteit heeft te dulden. Klager benadrukt dat hij nog nooit op eigen initiatief de publiciteit heeft gezocht. Dat hij nu actie onderneemt door een klacht in te dienen, houdt verband met de omstandigheid dat hij al zo vaak is benaderd en negatief in de publiciteit is gebracht, dat hij nu eindelijk een daad wil stellen.
 
Verweerders stellen dat zij een aantal reportages hebben gemaakt over hun onderzoek naar de oorzaak van de vuurwerkramp in Enschede. Zij wijzen erop dat klager ten tijde van die ramp werknemer was bij het bedrijf S.E. Fireworks. Volgens hen speelde klager een rol in de politieonderzoeken en strafzaken. Klager wordt dan ook in de uitgebreide stroom aan publicaties die de vuurwerkramp betreffen vaak expliciet genoemd, zodat hij reeds een zeker soort landelijke bekendheid had, aldus verweerders. Gelet hierop menen verweerders dat klager zal moeten dulden dat hij wederom voorwerp van journalistiek onderzoek zal zijn; te meer wanneer er nieuwe, belastende informatie over hem boven water komt. Bovendien heeft klager de belangstelling voor hem zelf versterkt door een aantal jaren geleden te laten weten dat als hij nog eens zijn mond open zou doen, er meer duidelijk zal worden, aldus verweerders. Voorts wijzen zij erop dat klager na de uitzending zelf herhaaldelijk, bij monde van zijn raadsvrouwe, de publiciteit heeft gezocht door onder meer een persbericht te doen uit gaan en te berichten over de zaak op Twitter.
Verweerders stellen verder dat zij begin dit jaar betrouwbare informatie ontvingen van een ex-medewerker van de politie. Er zou informatie bestaan vanuit de Criminele Inlichtingen Eenheid dat klager informatie heeft over het ontstaan van de vuurwerkramp. Een vergelijkbare verklaring zou klager na zijn eerste verhoor ‘off the record’ hebben gedaan aan een bij het onderzoek naar de vuurwerkramp betrokken rechercheur. In de loop van intensief onderzoek hebben verweerders ook geheel nieuwe en belastende informatie over klager en diens alibi ontvangen. Volgens verweerders hadden zij hierdoor een duidelijk motief om met klager in contact te komen.
Verweerders stellen voorts dat zij ten tijde van de opnamen alleen over het woonadres van klager beschikten. Zij hebben dit adres bezocht om klager vragen te stellen in het kader van het voorgenoemde onderzoek, in het bijzonder met betrekking tot de nieuwe voor klager belastende informatie. Verweerders wilden klager hiermee de gelegenheid tot wederhoor bieden. Volgens verweerders heeft klager hen vrijwel direct op intimiderende toon gelast weg te gaan en heeft klager daarop zijn toevlucht gezocht tot hevig geweld, waardoor Vorkink bijna op zijn hoofd werd getroffen door een harde slag met de zware knuppel.
Verweerders hielden voorafgaand aan de opnamen er rekening mee dat – gezien de reputatie van klager – het eerste contact tevens het laatste contact zou kunnen zijn. Om die reden achtten verweerders het ten tijde van de opnamen van belang dit contact vast te leggen.
Volgens verweerders waren zowel de camping als de caravan vrij toegankelijk en benaderbaar. Ter zitting voegen zij daar aan toe dat zij om praktische redenen ervoor hebben gekozen om langs de zijkant de camping via een zandpad te betreden. Verweerders menen dat het hek van klager eenvoudig was te openen.
Verder wijzen verweerders erop dat slechts een deel van het aanwezige beeldmateriaal is getoond op RTV Oost. Zo is de achtervolging door klager en diens echtgenote, zelfs tot (gedeeltelijk) in de auto, niet uitgezonden. Volgens verweerders is het juist klager die strafbaar heeft gehandeld, waarvan overigens ook aangifte is gedaan.
Verweerders stellen dat de onbeheerste en agressieve reactie van klager grote verbazing wekt en niet is te verwachten van een nette, onschuldige burger die niets te verbergen heeft. Dit maakt de opnamen relevant voor de uitzending, aldus verweerders. Ter zitting merken zij op dat in dit verband ook de historie van het strafrechtelijk onderzoek van belang was, nu klager de enige zou zijn geweest die de bewuste dag op het terrein aanwezig was. De uitzending plaatste het onderzoek in een breder daglicht, waarbij de rol van klager een belangrijk onderdeel vormde. In dat kader is het ook van belang om juist die heftige reactie van klager als ook diens karakter te tonen, aldus verweerders ter zitting.
Verweerders stellen dat klager wist dat Vorkink werkzaam was voor RTV Oost en ook dat er opnamen werden gemaakt, omdat Vorkink zich had voorgesteld en de echtgenote van klager in directe aanwezigheid van klager gepoogd heeft met geweld de camera te bemachtigen. Daarbij heeft zij op luide toon gesteld dat zij wel door had dat er opnamen werden gemaakt, aldus verweerders. Klager had mogelijk zelf ook in de gaten dat er sprake was van de aanwezigheid van een camera, maar in elk geval zal hij het van zijn echtgenote hebben vernomen. Voorts achten verweerders van belang dat RTV Oost ook reeds voor het bezoek van Vorkink en Strikker een reportage van hen had uitgezonden over de vuurwerkramp en dat de reportages ruimschoots en op diverse wijzen zijn aangekondigd. Klager kan een en ander, gelet op zijn zeer nauwe betrokkenheid bij de vuurwerkramp, niet zijn ontgaan. Desalniettemin heeft klager op geen enkele wijze zijn bezwaren tegen de voorgenomen uitzending aan verweerders kenbaar gemaakt. Evenmin heeft hij bezwaar gemaakt voorafgaand aan de uitzending van de beelden door andere media. Tegen verspreiding van de beelden onder andere media heeft klager geen enkele actie ondernomen, zodat klager alles in zoverre op zijn beloop heeft gelaten. Daarmee heeft hij verweerders de mogelijkheid ontnomen om, indien mogelijk, de reportage zodanig anders in te kleden dat klager daartegen geen bezwaar zou hebben. Verweerders wijzen erop dat klager inmiddels civielrechtelijke actie heeft ondernomen door schade te claimen bij verweerders. Verweerders vermoeden dat de onderhavige klacht mede is bedoeld om de positie van klager in een civiele procedure mogelijk te versterken.
Voor zover de beelden ook door andere media zijn gebruikt, wijzen verweerders erop dat zij daarvoor niet verantwoordelijk zijn. Kennelijk zijn andere media tot eenzelfde afweging gekomen en hebben zij de uitzending van de beelden ook relevant gevonden.
Dat vanwege de gewraakte uitzending mogelijk een negatief beeld is ontstaan, is volgens verweerders met name aan klager zelf te wijten, nu klager zelf schreeuwt en slaat.
Ter zitting hebben verweerders benadrukt dat voor hun handelwijze een goede reden bestond en dat daarmee – gezien de omvang en impact van de vuurwerkramp – een groot maatschappelijk belang was gediend. Het onderzoek door Vorkink en de gemaakte reportage zijn directe aanleiding geweest voor heropening van het onderzoek door de politie. Nu zij bovendien enkel buiten hebben gefilmd, klager op de hoogte was van de opnamen en verweerders goede redenen hadden om aan te nemen dat het eerste contact mogelijk het laatste contact zou zijn, was hun handelwijze gerechtvaardigd. Desgevraagd hebben verweerders erkend dat de camera in een pen was verborgen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat verweerders een onevenredige inbreuk hebben gemaakt op de privacy van klager door onaangekondigd bij zijn woonadres te verschijnen, opnamen te maken met een verborgen camera en deze beelden zonder zijn toestemming te publiceren, zonder dat daarmee een maatschappelijk doel was gediend.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist geen toestemming behoeft te hebben voor of instemming met een publicatie van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (punt 1.3. van de Leidraad van de Raad)
 
Daarbij beoordeelt de Raad niet de rechtmatigheid van een journalistieke gedraging. Een dergelijke toetsing is voorbehouden aan de rechter. Het is dan ook niet aan de Raad om te beoordelen of sprake is van schending van de Auteurswet, de Grondwet en/of het EVRM.
 
Het gebruik van verborgen opname-apparatuur, het overvallen van personen met draaiende camera en openstaande microfoon en het zich toegang verschaffen tot niet-openbare ruimten zonder zich als journalist kenbaar te maken, is niet toelaatbaar. Hiervan kan de journalist slechts afwijken als hem geen andere weg open staat om een ernstige misstand aan het licht te brengen of een zaak van maatschappelijk belang scherper te belichten, mits de werkwijze geen onevenredige inbreuk maakt op de privacy van betrokkenen. Voordat een redactie besluit tot publicatie of uitzending van die gesprekken of beelden, dient zij het belang dat met de openbaarmaking wordt gediend, af te wegen tegen de inbreuk die de publicatie of uitzending maakt op rechten en rechtmatige belangen van betrokkenen. (zie punten 2.1.5. en 2.1.7. van de Leidraad)
 
Ter zitting hebben verweerders erkend dat de door hen gebruikte camera was verborgen in een pen. Weliswaar hebben zij gesteld dat klager mogelijk van de aanwezigheid van een camera op de hoogte was, maar klager heeft de juistheid van die stelling gemotiveerd betwist. De Raad kan niet vaststellen welk standpunt juist is.
Echter, door het onaangekondigd verschijnen met draaiende camera en openstaande microfoon is reeds sprake van overvaljournalistiek als bedoeld in punt 2.1.5. van de Leidraad. Daarbij dienen verweerders zich af te vragen of hen geen andere weg openstond om een zaak van maatschappelijk belang scherper te belichten en of de gevolgde werkwijze geen onevenredige inbreuk maakte op de privacy van klager en diens echtgenote.
 
De Raad volgt verweerders in hun stelling dat het onderzoek naar de oorzaak van de vuurwerkramp een zaak van groot maatschappelijk belang is. Daarbij past dat verweerders klager, gelet op zijn betrokkenheid bij het eerdere strafrechtelijke onderzoek inzake de vuurwerkramp en de voor klager belastende informatie die verweerders in de reportage naar voren brengen, om een reactie wilden vragen.
Omdat verweerders twijfelden aan de bereidwilligheid van klager om met hen te spreken, hebben ze ervoor gekozen om, voorbijgaand aan de ter plaatste geldende bezoekprocedure, via een alternatieve ingang met draaiende in een pen verborgen camera onaangekondigd het erf van klager te betreden. Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders echter onvoldoende aangetoond dat hen geen andere weg openstond om met klager in contact te treden.
Daarbij komt dat de gemaakte opnamen niet meer bevatten dan een treffen met klager bij diens caravan, waarbij deze duidelijk kenbaar maakt niet te zijn gediend van het bezoek van journalisten. Die beelden dienen dan ook niet het maatschappelijk belang dat aanleiding vormde voor de gevolgde journalistieke werkwijze, nu zij geen relevante informatie bevatten over het onderzoek naar de oorzaak van de vuurwerkramp noch een reactie van klager op voor hem belastende informatie.
 
Verweerders hebben aangevoerd dat zij de openbaarmaking van de beelden van belang achtten vanwege de reactie van klager. De Raad ziet echter niet in dat de gegeven reactie van klager van zodanig belang moest worden geacht dat dit belang zwaarder diende te wegen dan de inbreuk die de openbaarmaking van die beelden – waarop klager herkenbaar is te zien – heeft gemaakt op het belang van klager.
Gelet op het voorgaande – in samenhang bezien – hebben verweerders de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van RTV Oost en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 17 september 2010 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. A.C. Diamand, ir. B.L. Hooghoudt, mw. E.J.M. Lamers en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.