2010/43 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
A. Brand en de hoofdredacteur van de Jordaan & Gouden Reael wijkkrant
 
Bij brief van 11 juni 2010 met vier bijlagen heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen A. Brand en de hoofdredacteur van de Jordaan & Gouden Reael wijkkrant (hierna: verweerders). Hierop hebben verweerders geantwoord in een brief van 23 juni 2010.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 augustus 2010, waar klager is verschenen in het bijzijn van mr. J.W. Soeteman, advocaat te Amsterdam. Mr. Soeteman heeft het standpunt van klager toegelicht aan de hand van een notitie. Van de zijde van verweerders zijn N. Goebert, voorzitter van het wijkcentrum en uitgever, en A. Brand, hoofdredacteur, verschenen.
 
DE FEITEN
 
In editie nr. 2 van 2010 van de wijkkrant Jordaan & Gouden Reael is een artikel van de hand van Brand verschenen onder de kop “Taakstraf voor jachthavenexploitant, waarvan de intro luidt:
In de septembereditie (2009) van deze krant verscheen het bericht Geweld en intimidatie op de Zandhoek, over de mishandeling van de 71-jarige buurtgenoot (…) door jachthavenexploitant (X) en diens zoon (Y). (…) Het slachtoffer liep hierbij een hersenbloeding en letsel aan het strottenhoofd op. De Amsterdamse rechter veroordeelde op 1 april jl. vader en zoon elk tot een taakstraf van 100 uur of vijftig dagen hechtenis.”
 
Het artikel bevat verder de volgende passages:
“In zijn toelichting op het vonnis merkte de rechter op dat geen van beide verdachten enig berouw had getoond, en dat dit heeft bijgedragen aan de strafmaat. De Officier van Justitie had tegen vader en zoon 120 uur dienstverlening en twee weken voorwaardelijke celstraf geëist, met een proeftijd van twee jaar.”
en
“Buurtbewoners, die uit vrees voor represailles niet met hun naam in deze krant wilden, waren tevreden met het vonnis. (…) Slachtoffer van het geweld (…) heeft de uitspraak niet meer kunnen meemaken. Hij overleed vier maanden na het incident.”
 
Het slot van het artikel luidt:
“Kort na de uitspraak van de rechter liep jachthavenexploitant (X)  de redactie van deze krant binnen om zich naar eigen zeggen ‘een beeld te vormen’ van de hoofdredacteur.“
 
Klager is de in het artikel genoemde jachthavenexploitant.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat het artikel onjuistheden, (onnodig) grievende passages, onevenwichtigheden en tendentieuze passages bevat. Hij wijst erop dat hij sinds 2009 strafrechtelijk wordt vervolgd en dat op 18 maart 2010 de zitting plaats vond, waarbij veel buurtbewoners aanwezig waren. Op 1 april 2010 heeft de politierechter vonnis gewezen. Tegen dat vonnis heeft hij beroep doen aantekenen.
Volgens klager is in het artikel ten onrechte vermeld dat de rechter in de toelichting op het vonnis zou hebben meegewogen dat klager niet enig berouw heeft getoond, hetgeen aan de strafmaat zou hebben bijgedragen. Klager stelt dat dit niet uit het vonnis blijkt. Zijn raadsman, die aanwezig was bij de zitting, heeft de rechter bovendien alleen het vonnis horen voorlezen. Dat aanwezigen deze uitlating van de rechter zouden hebben vernomen, acht klager dan ook bevreemdend. Ter zitting voegt klager hieraan toe dat verweerders kennelijk weinig onderzoek hebben verricht naar de exacte inhoud van de uitspraak.
Volgens klager is voorts de vermelding dat het slachtoffer een hersenbloeding en letsel aan het strottenhoofd heeft opgelopen, onjuist en onnodig grievend. Dit wordt niet in het vonnis vermeld en evenmin in het gehele onderliggende strafdossier. Ook hier ontbreekt deugdelijk onderzoek, aldus klager ter zitting. Volgens klager blijkt uit het strafdossier wel, dat het slachtoffer al sinds lange tijd bekend was met ‘wegrakingen’ die optraden bij stress.
Voorts wordt in het artikel een te dwingend verband gelegd tussen het feit waarvoor klager is veroordeeld en het overlijden van het slachtoffer, aldus klager. Gelet op het doel van de publicatie – het informeren van de lezer over een rechterlijke uitspraak – dient de vermelding van het overlijden ook geen met het artikel samenhangend doel. De suggestie die met de vermelding wordt gewekt, acht klager dan ook tendentieus althans onevenwichtig.
Verder stelt klager dat met de passage ‘dat hij na de uitspraak de redactie is binnengelopen om zich ‘een beeld te vormen’ van de hoofdredacteur’ de indruk wordt gewekt dat hij zich intimiderend jegens anderen gedraagt. Klager wijst erop dat hij het kantoorgedeelte van het wijkcentrum binnen liep omdat hij op zoek was naar een oud-redactielid c.q. medewerker van het buurtcentrum. Ter zitting heeft klager hieraan toegevoegd dat hij de betrokken medewerker niet achter zijn bureau aantrof en wachtte op een andere medewerker, die aan de telefoon zat.
Daarnaast stelt klager dat ten onrechte geen wederhoor is toegepast, nu hij in de publicatie van (ernstige) feiten wordt beschuldigd die niet door de politierechter in de veroordeling zijn betrokken. Volgens hem is dan ook geen sprake van louter een rechtbankverslag. Te minder nu verweerders niet bij de bewuste zitting aanwezig waren, aldus klager ter zitting. In een reactie had klager de onjuistheden kunnen tegenspreken en kunnen aangeven welk letsel wel en welk niet is komen vast te staan. Bovendien had hij kunnen aangeven dat hij in hoger beroep is gegaan, zodat hij niet onherroepelijk is veroordeeld, aldus klager. Verweerders hadden niet met het horen van aanwezigen mogen volstaan, omdat zij volgens klager niet als betrouwbare bron zijn aan te merken.
Een en ander klemt te meer, zo stelt klager ter zitting, nu hij zeer eenvoudig identificeerbaar is vanwege de wijze waarop zijn initialen zijn vermeld samen met zijn functie als jachthavenexploitant. Daarbij acht klager van belang dat het een buurtkrant betreft, zodat de berichtgeving is gericht op zijn directe omgeving. In de eerdere berichtgeving over de zaak zijn de initialen niet vermeld, zodat hij toen geen aanleiding zag om bezwaar te maken tegen het artikel, aldus klager ter zitting.
 
Verweerders stellen dat het incident dat in de zomer van 2009 heeft plaatsgevonden en waarop het artikel betrekking heeft, tot veel commotie heeft geleid onder buurtbewoners. Om die reden hebben verweerders reeds toen aandacht aan de zaak besteed. Voorafgaand aan die publicatie is klager om een reactie gevraagd, van welke gelegenheid klager geen gebruik wilde maken, aldus verweerders ter zitting. Tegen dat artikel is door klager ook geen bezwaar gemaakt. Het incident heeft geleid tot een rechtszaak. Volgens verweerders is het een goed journalistiek gebruik dat ook wordt bericht over de afloop van de zaak. Te meer, zo stellen verweerders, omdat mag worden aangenomen dat de lezer – gelet op de commotie die het incident heeft veroorzaakt – daarin geïnteresseerd is. Ter zitting brengen verweerders naar voren dat klager ook niet vanwege de publicaties bekend is geworden. Volgens hen is klager hoe dan ook een bekend persoon in de buurt. Bovendien is het niet de publicatie die klager in een negatief daglicht stelt, maar zijn het de eigen gedragingen van klager, aldus verweerders ter zitting. Verweerders stellen dat zij in het artikel op basis van gesprekken met toehoorders die bij de uitspraak aanwezig waren, melding hebben gemaakt van de toelichting van de rechter op het vonnis onder meer inhoudende dat beide verdachten geen berouw hebben getoond en dat dit aan de strafmaat heeft bijgedragen. Ter zitting brengen verweerders naar voren dat het om vier getuigen gaat. Zij wilden niet met naam en toenaam in de krant worden vermeld, uit angst voor de reactie van klager.
Volgens verweerders is het slachtoffer direct na het incident opgenomen in het ziekenhuis waar doktoren een hersenbloeding en letsel aan het strottenhoofd hebben geconstateerd. Ter zitting voegen zij daaraan toe dat de schade aan het strottenhoofd ook uit het vonnis blijkt. De mogelijke andere kwalen achten verweerders in dit kader niet relevant.
Voor de volledigheid is voorts het feit vermeld dat het slachtoffer de uitspraak niet meer heeft kunnen mee maken omdat hij vier maanden na het incident is overleden. Dat er een verband bestaat tussen het incident en het overlijden van het slachtoffer, wordt volgens verweerders nergens gesuggereerd. Die vermelding staat ook op een heel andere plaats in het artikel dan de melding over de mishandeling, aldus verweerders ter zitting. Dat verband noch het tegendeel ervan kan volgens verweerders worden aangetoond.
Wat de passage over het ongevraagd binnenlopen van de redactieruimte betreft, merken verweerders op dat klager inderdaad naar een andere medewerker heeft gevraagd. Nadat klager gemeld was dat de medewerker ziek thuis was, is hij – aldus verweerders – blijven staan om langdurig naar de redactrice te staren. Als verklaring voor zijn gedrag heeft klager toen gemeld: “Heb ik eindelijk een beeld van u”. Verweerders wijzen erop dat de hoofdredacteur dit als intimiderend heeft ervaren.
Ter zitting stellen verweerders dat het artikel volgens hen zakelijk en feitelijk van inhoud is. Van onzorgvuldige journalistiek is volgens hen dan ook geen sprake.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat het artikel onjuistheden bevat en daardoor tendentieus alsmede onnodig grievend is. Volgens klager had dit voorkomen kunnen worden door zorgvuldig onderzoek en toepassing van wederhoor.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist waarheidsgetrouw behoort te berichten. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht.
 
In de berichtgeving maakt de journalist een duidelijk onderscheid tussen feiten, beweringen en meningen. Een journalist vermijdt eenzijdige en tendentieuze berichtgeving. (zie punten 1.1., 1.4. en 1.5. van de Leidraad van de Raad)
 
Verder overweegt de Raad dat niet in geding is dat het artikel geen rechtbankverslag betreft, doch een artikel dat naar aanleiding van een uitspraak van een rechtbank is geschreven. Klager is van mening dat het artikel onderdelen bevat die niet overeenkomen met het vonnis dan wel anderszins onjuist zijn, waardoor een tendentieus beeld ontstaat.
 
Wat betreft de gewraakte passage over de letsels van het slachtoffer, overweegt de Raad dat de vermelding van een letsel aan het strottenhoofd haar grondslag vindt in het vonnis, zodat van een onjuistheid in zoverre niet is gebleken. Dat het slachtoffer eveneens leed aan een hersenbloeding, is niet expliciet in het vonnis vermeld. Uit het vonnis blijkt dat sprake was van letsel aan het hoofd, waarbij een haarvaatje in het hoofd is geknapt. Hoewel verweerders dit letsel zorgvuldiger hadden kunnen verwoorden, is naar het oordeel van de Raad niet sprake van een zodanige onzorgvuldigheid dat daarmee grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is.
In de vermelding van het overlijden van het slachtoffer ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat van een hiervoor bedoelde onzorgvuldigheid sprake is. Dat overlijden is naar de mening van de Raad door verweerders in de berichtgeving opgenomen zonder een oorzakelijk verband te leggen met het incident.
 
Verder heeft klager bezwaar gemaakt tegen de berichtgeving inzake een opmerking van de rechter over het ontbreken van berouw van klager en dat dit bij zou hebben gedragen aan de strafmaat. Volgens klager is sprake van onjuiste berichtgeving. De Raad kan echter niet vaststellen dat dit standpunt van klager juist is. Verweerders hebben gesteld dat zij deze passage op getuigenissen van vier personen hebben gebaseerd. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat verweerders niet van die bronnen mochten uit gaan.
 
In zoverre is derhalve geen sprake van onjuiste berichtgeving, die voorkomen had kunnen worden indien zorgvuldig onderzoek was gedaan en wederhoor was toegepast.
 
De klacht is echter wel gegrond, voor zover deze is gericht tegen de laatste passage van het artikel, betreffende de aanwezigheid van klager op de redactie. De Raad overweegt ter zake dat in de passage is gesuggereerd dat klager op de redactie verscheen met als doel om zich een beeld te vormen van de betrokken redactrice. Ter zitting is komen vast te staan dat klager op de redactie aanwezig was vanwege een andere reden. Voorts ziet de Raad niet in wat het verband is tussen deze situatie en de context van het artikel. Naar het oordeel van de Raad voegde de vermelding van deze situatie dan ook niets toe aan de inhoud van het artikel, terwijl daarmee wel een bepaald negatief beeld van klager wordt geschetst. Naar het oordeel van de Raad is de publicatie op dit punt onnodig grievend. Verweerders hebben dan ook met de publicatie van de laatste alinea van het artikel grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING
 
De klacht is gegrond, voor zover deze is gericht tegen de laatste alinea van het artikel. Voor het overige is de klacht ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in de Jordaan & Gouden Reael wijkkrant te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 17 september 2010 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. A.C. Diamand, mw. E.J.M. Lamers, ir. B.L. Hooghoudt en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Osinga, adjunct-secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.