2010/38 onbevoegd niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur en de ombudsman van de Volkskrant
 
Bij brief van 8 maart 2010 met diverse bijlagen heeft X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Volkskrant. Hierop heeft de junior-secretaris van de Raad klaagster nader geïnformeerd over de klachtprocedure. Vervolgens heeft klaagster haar klacht nader toegelicht in brieven van 27 maart, 9 april, 10 april, 14 april en 15 april 2010 met diverse bijlagen. Daarbij heeft klaagster haar klacht uitgebreid met een klacht gericht tegen de ombudsman van de Volkskrant.
Vervolgens heeft de secretaris van de Raad klaagster bij brief van 21 mei 2010 laten weten dat de Raad zich eerst zal uitspreken over zijn bevoegdheid en de ontvankelijkheid van klaagster.
In een brief van 21 mei 2010 heeft P. Broertjes, hoofdredacteur, op de klachten gereageerd.
 
Ter zitting van 25 juni 2010 heeft de Raad zijn bevoegdheid alsmede de ontvankelijkheid van klaagster beoordeeld buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Op 23 januari 2010 is op de voorpagina van de Volkskrant een artikel verschenen onder de kop: “De Joodse collaborateurs, waarvan de intro luidt:
“Naoorlogse historici schreven vergoelijkend over Joodse informanten. Dat stelt schrijver/journalist Sytze van der Zee, die heeft gespeurd naar de omvang van het Joodse verraad in de oorlog.”
Diezelfde dag is in de rubriek ‘Het Vervolg’ een artikel verschenen van de hand van Sytze van der Zee onder de kop: “Een fascinatie voor het verraad en het kwaad.
 
Bij brief van 9 april 2010 heeft klaagster zich over de publicaties beklaagd bij de ombudsman van de Volkskrant, die daarop in een brief van 13 april 2010 heeft geantwoord. Vervolgens hebben klaagster en de ombudsman van de Volkskrant nog met elkaar gecorrespondeerd, hetgeen niet heeft geleid tot een oplossing van de bij klaagsters gerezen problemen.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt – kort samengevat – dat de redactie van de Volkskrant in het artikel van 23 januari 2010 de visie van Sytze van der Zee op verraad door de joden als thema heeft overgenomen, door de claims van Van der Zee als wereldnieuws op de voorpagina te brengen. Volgens klaagster is in het voorpagina-artikel sprake van anti-joodse stemmingmakerij en heeft het vervolgartikel een anti-joodse teneur. Klaagster stelt dat de berichtgeving zowel naar vorm als naar inhoud eenzijdig en tendentieus van aard is en daarmee in strijd met de journalistieke ethiek.
Ten aanzien van haar ontvankelijkheid stelt klaagster dat zij door de berichtgeving in haar zedelijk besef is geschokt. Volgens klaagster wordt met de berichtgeving getracht haar mening en die van andere lezers in anti-joodse richting te bewerken. Klaagster meent dat zij direct belanghebbende is om dit collectieve belang – het in de Nederlandse pers verschoond blijven van antisemitische propaganda – aan de orde te stellen.
Met betrekking tot haar klacht tegen de ombudsman van de Volkskrant stelt klaagster dat deze haar klacht ten onrechte heeft afgewezen en haar onheus in zijn correspondentie hierover heeft bejegend. Volgens klaagster heeft de ombudsman ten onrechte gesteld dat het de redactie vrijstond om een boekrecensie op de voorpagina te publiceren. Daarmee is de misplaatste indruk gewekt dat het harde nieuwsfeiten betrof, in plaats van persoonlijke meningen en beweringen van Van der Zee, aldus klaagster.
Verder stelt zij dat de ombudsman misplaatst en onbehoorlijk heeft gereageerd op een aantal van haar e-mailberichten. Uit de gevoerde e-mailcorrespondentie blijkt dat de ombudsman haar klacht op ontoereikende wijze heeft afgehandeld. Zij wijst erop dat de ombudsman ten onrechte ervan uit lijkt te zijn gegaan dat zij zelf contact heeft opgenomen met Van der Zee. Haar gegevens zijn echter ongevraagd aan Van der Zee doorgestuurd. Op de reacties van Van der Zee heeft zij nooit gereageerd, omdat zij geen contact met hem wenst. Klaagster stelt tot slot dat de ombudsman weigert publiekelijk in zijn krant de onrechtmatigheid van de twee artikelen aan de orde te stellen.
 
De hoofdredacteur van de Volkskrant stelt allereerst dat de publicatie op de voorpagina geen recensie betreft. Het gaat om een artikel dat op basis van het boek van Van der Zee is gemaakt. De omstandigheid dat het artikel op de voorpagina is geplaatst, wil niet zeggen dat de Volkskrant zich de inhoud eigen heeft gemaakt, maar dat het boek als nieuwswaardig is aangemerkt. Verder wijst de hoofdredacteur erop dat de redactie vrij is in haar journalistieke keuzes. Hij vraagt zich af welk belang klaagster heeft bij haar klacht, nu de berichtgeving niet over haar gaat.
Ten aanzien van de klacht tegen de ombudsman stelt de hoofdredacteur dat het de ombudsman vrij staat een klacht al dan niet te honoreren. Overigens staat de ombudsman los van de redactie en is hij geen journalist in de zin van de statuten van de Raad. Het oordeel van de ombudsman valt niet onder de verantwoordelijkheid van de hoofdredactie en hij geeft zijn mening zonder last of ruggespraak, aldus de hoofdredacteur.
 
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID VAN KLAAGSTER
voor zover de klacht is gericht tegen de publicaties van 23 januari 2010
 
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek moet een klaagschrift worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt.
 
Klaagster heeft hiertoe aangevoerd dat zij als lezer van de Volkskrant een rechtstreeks belang heeft, omdat zij niet wenst te worden geconfronteerd met antisemitisch getinte publicaties. Volgens klaagster is zij als lezer zeer geschokt. Naar het oordeel van de Raad is de klacht echter van een overwegend algemeen karakter en is onvoldoende gebleken dat klaagster door de publicatie direct en persoonlijk in haar belang is geraakt. Klaagster is derhalve niet-ontvankelijk in dit onderdeel van haar klacht. (vgl. RvdJ 2009/20)
 
BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID VAN DE RAAD
voor zover de klacht betrekking heeft op de handelwijze van de ombudsman van de Volkskrant
 
Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
Krachtens artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging verstaan: een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep. Ingevolge het tweede lid van artikel 4, aanhef en sub a, voor zover thans van belang, moet onder journalist worden verstaan: “degene die, hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van een dagblad, nieuwsblad, huis-aan-huisblad of tijdschrift voor zover de inhoud daarvan bestaat uit nieuws, foto’s en andere illustraties, verslagen of artikelen”.
 
De Raad overweegt dat de werkzaamheden van de ombudsman dienen ter herijking en beoordeling van de journalistieke gedragingen van de (hoofd)redactie. Aldus functioneert de ombudsman onafhankelijk van de redactie.
De klacht heeft betrekking op de wijze waarop de ombudsman de klacht van klaagster heeft behandeld en ter zake met klaagster heeft gecommuniceerd. Deze gedragingen kunnen niet worden aangemerkt als een journalistieke gedraging in de hiervoor bedoelde zin. De Raad acht zich derhalve onbevoegd over dit onderdeel van de klacht te oordelen.
 
BESLISSING
 
Klaagster is niet-ontvankelijk in haar klacht voor zover deze is gericht tegen de publicaties van 23 januari 2010. Voor zover de klacht betrekking heeft op de handelwijze van de ombudsman van de Volkskrant acht de Raad zich onbevoegd daarover te oordelen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 24 augustus 2010 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, mw. drs. R.T. Kervezee, mw. M.J. Rietkerk en mw. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.