2010/37 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
B. Thimister en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger
 
Bij brief van 9 november 2009 heeft X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen B. Thimister en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger (hierna: verweerders). Bij brief van 12 november 2009 heeft de secretaris van de Raad klaagster geïnformeerd over de mogelijkheid tot bemiddeling en verzocht om toezending van een kopie van de gewraakte publicatie. Nadat de secretaris van de Raad klaagster op 14 december 2009 en 4 maart 2010 herinneringen heeft gestuurd, heeft klaagster in een brief – door de Raad ontvangen op 27 april 2010 – laten weten dat zij geen bemiddeling wenst en een kopie van het gewraakte artikel overgelegd. Bij brief van 8 juni 2010 heeft H. Paulissen, hoofdredacteur, mede namens Thimister op de klacht gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 juni 2010, waar klaagster noch verweerders zijn verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 25 september 2009 is in Dagblad De Limburger een artikel van de hand van Thimister verschenen onder de kop “Vaginavocht van echtgenote als bewijs van overspel”. Het artikel gaat over een strafzaak tegen de ex-man van klaagster betreffende vermeende poging tot doodslag en mishandeling en bevat diverse details over deze zaak. Klaagster is de in de kop bedoelde echtgenote.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat zij nog steeds in haar privéleven hinderlijk wordt geconfronteerd met het artikel. Verder stelt zij dat de informatie niet is geverifieerd. Bij de pro forma zitting is absoluut niet over de inhoud van de zaak gesproken en er is haar verzekerd dat de informatie niet van het Openbaar Ministerie afkomstig is. Volgens klaagster gaat het om vertrouwelijke informatie uit het strafdossier.
Klaagster was dan ook zeer geschokt toen bekenden haar lieten weten dat dergelijke intieme informatie in de krant stond. Daarbij acht klaagster van belang dat zij in een kleine gemeente woont, waar al snel bekend is over wie het artikel gaat.
Klaagster acht het onbegrijpelijk dat verweerders een dergelijk artikel hebben geplaatst met informatie die (nog) niet officieel in de rechtszaak aan de orde is gekomen. Zij bestrijdt niet de juistheid van de informatie, maar meent dat de informatie nog niet naar buiten had mogen komen. Klaagster wil daarom graag weten op welke wijze verweerders aan de informatie zijn gekomen. Als de daadwerkelijke zittingsdatum bekend is, weet klaagster wat er op haar afkomt en dat alle informatie naar buiten komt. Maar nu was dit voor haar een raadsel.
Volgens klaagster zijn door de publicatie haar persoonlijke belangen geschaad en is het artikel ethisch onverantwoord.

Verweerders stellen voorop dat zij begrijpen dat klaagster onaangenaam is getroffen door de inhoud van het artikel, nu die voor haar – als slachtoffer – zeer onaangename herinneringen zal oproepen. Het gaat echter om een zeer ernstig misdrijf door de ex-man van klaagster, wiens gedrag zeer stuitend, maar ook opzienbarend is geweest, aldus verweerders.
Verweerders zien geen aanleiding meer informatie over de bron te geven, nu klaagster heeft erkend dat de informatie in het artikel juist is. Voorts begrijpen verweerders klaagsters standpunt aldus dat zij beseft dat die informatie tijdens een rechtszitting in de nabije toekomst naar buiten komt en dat zij zich beter had willen prepareren op de publiciteit die dan zou volgen.
Verweerders benadrukken dat de naam van klaagster niet is genoemd en zij ook niet op andere wijze herkenbaar is aangeduid. Van haar ex-man zijn alleen de voornaam, de initiaal van zijn achternaam, zijn leeftijd en woonplaats vermeld. Verweerders wijzen erop dat in die plaats ongeveer tienduizend mensen wonen. Mensen die klaagster kennen, weten dat zij met de aangeduide man getrouwd is geweest en dat deze momenteel in de gevangenis zit. Alleen zij kunnen uit het artikel herleiden wat voor bijzonder kwetsende en misdadige behandeling klaagster ten deel is gevallen.
Verweerders stellen voorts dat vermelding van het flagrante detail noodzakelijk was om de aard en de ernst van het misdrijf dan wel de gevolgen ervan weer te geven. Hoe voorstelbaar het ook is dat klaagster het onplezierig vindt dat deze informatie in de openbaarheid is gekomen, er zijn geen grenzen overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, aldus verweerders.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is – samengevat weergegeven – dat klaagster onevenredig in haar privacy is aangetast door de vermelding van intieme details over de strafzaak waarvan klaagster slachtoffer is, terwijl die details in het kader van die strafzaak (nog) niet bekend waren gemaakt.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist de privacy van personen niet verder aantast dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie.
In publicaties over (strafzaken betreffende) ernstige misdrijven dienen voorts details van het misdrijf te worden weggelaten indien voorzienbaar is dat zij extra leed toevoegen aan het slachtoffer of diens naaste familieleden en de details niet noodzakelijk zijn om de aard en de ernst van het misdrijf, dan wel de gevolgen ervan, weer te geven. (zie punten 2.4.1. en 2.4.7. van de Leidraad van de Raad)
 
De Raad stelt vast dat klaagster de juistheid van hetgeen in het artikel is vermeld, niet betwist. Verder overweegt de Raad dat klaagster in dit geval als gevolg van het in het artikel aangeduide misdrijf bijzonder zwaar leed heeft ondergaan. Haar bezwaren tegen de gewraakte berichtgeving, waarin zaken aan de orde zijn gesteld die zij begrijpelijkerwijs niet aan de openbaarheid had willen prijsgeven, zijn dan ook zeker voorstelbaar. Toch kan haar standpunt, dat haar privacy onevenredig is geschaad, niet worden gevolgd.
 
Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders de publicatie van enkele intieme details van de strafzaak van belang kunnen achten om het uitzonderlijke karakter van die zaak weer te geven. Voorts is van belang dat de naam van klaagster niet is vermeld en dat ook anderszins niet zodanig over haar is bericht dat zij in het artikel algemeen herkenbaar is.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Dat klaagster wellicht in kleine kring is herkend, kan daaraan niet afdoen.

BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 24 augustus 2010 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, mw. drs. R.T. Kervezee, mw. M.J. Rietkerk en mw. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.